(In de herberg.)
(Het vuur in de schouw is bijna uitgedoofd. Maanlicht valt door de
vensters binnen en schept droomstemming. Als het scherm opgaat, is het
tooneel een oogenblik ledig. Dan opent zich de straatdeur, en binnen
komen Kerstmannetje en Bof.)
KERSTMANNETJE. (In zijn gang zit iets verdrietigs. Zuchtend zet hij
zijn lantarentje op tafel neer. Gaat er dan bij zitten, droevig
starend.) Ja—ja.
BOF. (Sluit de deur achter zich, werpt zijn zak af. Meewarig naar zijn
meester ziend:) Zal ik het vuur wat oppoken, Meester?
KERSTMANNETJE. (Knikt stom zonder om te zien.) Maar stil wat, Bof, dat
ze er niet wakker van worden.
BOF. (Pookt in den haard.) Zooveel sneeuw is er in geen jaren gevallen,
meester! Je zult moeite hebben gehad om uit het bosch weer naar de stad
te komen!
KERSTMANNETJE. (Starend, knikt met het hoofd.) Het loopen viel mij
zwaar. En ditmaal was er ook geen klok, die mij .... den weg wees.
BOF. (Trekt zijn laarzen uit en zet ze bij het vuur.) Moed, meester! Er
kan morgen nog zooveel gebeuren!
KERSTMANNETJE. (Zucht.) Satans plan is goed doordacht, Bof.
(Mijmerend:) Wanneer het nacht is in een menschenziel, stelt hij een
lokkend licht op, zooals een strooper ’s nachts in het bosch de haasjes
lokt. (Pauze.) Ik wil dat meisje spreken, Bof. Roep haar eens hier ....
maar zachtjes!
BOF. Dan zal ik eerst eens zien in welk kamertje zij slaapt! (Hij loopt
op zijn sokken naar een deur en gluurt door het sleutelgat.) Hier
snurkt iemand.
KERSTMANNETJE. Dat zal de waard zijn, Bof, die snurkend van zijn graaf
droomt en aan zijn trots zijn kind graag offeren zou, ook als dat kind
.... het kasteel daar boven in den toren koos. Zijn vrouw droomt van de
jalouzie van andere moeders en van de koeken, die gebakken moeten
worden. Laat haar met rust: ze zou jouw klop voor het klapperen van een
pannedeksel houden en angstig droomen van een taart, die op het vuur
staat aan te branden ....
BOF. (Ziet door een ander sleutelgat.) Hier hangt een gravenmantel!
KERSTMANNETJE. Daar slaapt de klokkeluider. De graaf hangt aan den
wand. (Peinzend, droevig:) Of zou de graaf .... al in zijn hart
genesteld zijn en duelleeren .... met de verminkte klok? (Bitter:) Een
ongelijke strijd! De klok is hulpeloos, kan zelfs niet spreken van haar
onschuld; slechts bloed vloeit uit haar mond.—Laat hem slapen, want als
je aan zijn deur zou kloppen, hield hij dat nog voor het luiden van
zijn klok en zou misschien al angstig naar den wand zien .... of daar
zijn gravenmantel nog wel hangt!
BOF. (Door een ander sleutelgat ziend:) Hier schijnt de maan naar
binnen en laat haar zilver spelen op een gravinnekleed!
KERSTMANNETJE. Dan slaapt daar Gaaike en droomt van haar kasteel en van
de wonderwereld, die haar wacht.—Klop aan, Bof, maar heel zachtjes,
alsof je aan haar hartje klopte. Want slechts haar hartje mag het
hooren, dat er geklopt wordt. Zij zelf moet slapen .... zij zal nog
zooveel nachten wakker liggen.
BOF. (Klopt aan. Fluisterend:) Gaaike? Gaaike lief ....?
GAAIKE’S STEM. (Met onwezenlijken klank:) Wie is het, die daar klopt
...?
BOF. Kerstmannetje wil met je spreken, Gaaike!
GAAIKE. Ik zal bij je komen, Kerstmannetje ....
KERSTMANNETJE. Blaas het vuur wat aan, dat ze geen kou vat, Bof!