VIERDE TAFEREEL

(In de herberg.)

(Het vuur in de schouw is bijna uitgedoofd. Maanlicht valt door de

vensters binnen en schept droomstemming. Als het scherm opgaat, is het

tooneel een oogenblik ledig. Dan opent zich de straatdeur, en binnen

komen Kerstmannetje en Bof.)

KERSTMANNETJE. (In zijn gang zit iets verdrietigs. Zuchtend zet hij

zijn lantarentje op tafel neer. Gaat er dan bij zitten, droevig

starend.) Ja—ja.

BOF. (Sluit de deur achter zich, werpt zijn zak af. Meewarig naar zijn

meester ziend:) Zal ik het vuur wat oppoken, Meester?

KERSTMANNETJE. (Knikt stom zonder om te zien.) Maar stil wat, Bof, dat

ze er niet wakker van worden.

BOF. (Pookt in den haard.) Zooveel sneeuw is er in geen jaren gevallen,

meester! Je zult moeite hebben gehad om uit het bosch weer naar de stad

te komen!

KERSTMANNETJE. (Starend, knikt met het hoofd.) Het loopen viel mij

zwaar. En ditmaal was er ook geen klok, die mij .... den weg wees.

BOF. (Trekt zijn laarzen uit en zet ze bij het vuur.) Moed, meester! Er

kan morgen nog zooveel gebeuren!

KERSTMANNETJE. (Zucht.) Satans plan is goed doordacht, Bof.

(Mijmerend:) Wanneer het nacht is in een menschenziel, stelt hij een

lokkend licht op, zooals een strooper ’s nachts in het bosch de haasjes

lokt. (Pauze.) Ik wil dat meisje spreken, Bof. Roep haar eens hier ....

maar zachtjes!

BOF. Dan zal ik eerst eens zien in welk kamertje zij slaapt! (Hij loopt

op zijn sokken naar een deur en gluurt door het sleutelgat.) Hier

snurkt iemand.

KERSTMANNETJE. Dat zal de waard zijn, Bof, die snurkend van zijn graaf

droomt en aan zijn trots zijn kind graag offeren zou, ook als dat kind

.... het kasteel daar boven in den toren koos. Zijn vrouw droomt van de

jalouzie van andere moeders en van de koeken, die gebakken moeten

worden. Laat haar met rust: ze zou jouw klop voor het klapperen van een

pannedeksel houden en angstig droomen van een taart, die op het vuur

staat aan te branden ....

BOF. (Ziet door een ander sleutelgat.) Hier hangt een gravenmantel!

KERSTMANNETJE. Daar slaapt de klokkeluider. De graaf hangt aan den

wand. (Peinzend, droevig:) Of zou de graaf .... al in zijn hart

genesteld zijn en duelleeren .... met de verminkte klok? (Bitter:) Een

ongelijke strijd! De klok is hulpeloos, kan zelfs niet spreken van haar

onschuld; slechts bloed vloeit uit haar mond.—Laat hem slapen, want als

je aan zijn deur zou kloppen, hield hij dat nog voor het luiden van

zijn klok en zou misschien al angstig naar den wand zien .... of daar

zijn gravenmantel nog wel hangt!

BOF. (Door een ander sleutelgat ziend:) Hier schijnt de maan naar

binnen en laat haar zilver spelen op een gravinnekleed!

KERSTMANNETJE. Dan slaapt daar Gaaike en droomt van haar kasteel en van

de wonderwereld, die haar wacht.—Klop aan, Bof, maar heel zachtjes,

alsof je aan haar hartje klopte. Want slechts haar hartje mag het

hooren, dat er geklopt wordt. Zij zelf moet slapen .... zij zal nog

zooveel nachten wakker liggen.

BOF. (Klopt aan. Fluisterend:) Gaaike? Gaaike lief ....?

GAAIKE’S STEM. (Met onwezenlijken klank:) Wie is het, die daar klopt

...?

BOF. Kerstmannetje wil met je spreken, Gaaike!

GAAIKE. Ik zal bij je komen, Kerstmannetje ....

KERSTMANNETJE. Blaas het vuur wat aan, dat ze geen kou vat, Bof!

Hans de Klokkeluider · 第 46 / 64 题