KERSTMANNETJE. Braaf zoo, mijn kind. En .... goeden nacht!
GAAIKE. Goeden nacht, Kerstmannetje ....! (Ze gaat met haar kaarsje
haar kamertje in.)
KERSTMANNETJE. (Sluit de deur achter haar. Tot Bof:) Haar wil is goed,
en als ze haar belofte houdt, is Satans kans verkleind. Maar zal ze het
hoofd niet bukken, wanneer een storm van moederlijke argumenten haar om
de ooren waait? „Als moeder het maar goed vindt ....!” Ja—ja.
BOF. Ik heb in mijn leven zoo’n engeltje nog niet gezien, meester! (Hij
begraaft zijn neus in een bonten zakdoek.) Mijn oogen zijn er vochtig
bij geworden!
(In dit oogenblik wordt de buitendeur opengerukt; de wind giert binnen,
en met een grooten sprong belandt de duivel in de gelagkamer. Snuf
volgt hem grinnikend en sluit de deur achter zich.)
KERSTMANNETJE. (Breidt onwillekeurig zijn armen beschermend voor
Gaaike’s deur uit. Hij ziet Satan onbevreesd in het gelaat.)