GAAIKE. (Knikt stom.)

KERSTMANNETJE. Braaf zoo, mijn kind. En .... goeden nacht!

GAAIKE. Goeden nacht, Kerstmannetje ....! (Ze gaat met haar kaarsje

haar kamertje in.)

KERSTMANNETJE. (Sluit de deur achter haar. Tot Bof:) Haar wil is goed,

en als ze haar belofte houdt, is Satans kans verkleind. Maar zal ze het

hoofd niet bukken, wanneer een storm van moederlijke argumenten haar om

de ooren waait? „Als moeder het maar goed vindt ....!” Ja—ja.

BOF. Ik heb in mijn leven zoo’n engeltje nog niet gezien, meester! (Hij

begraaft zijn neus in een bonten zakdoek.) Mijn oogen zijn er vochtig

bij geworden!

(In dit oogenblik wordt de buitendeur opengerukt; de wind giert binnen,

en met een grooten sprong belandt de duivel in de gelagkamer. Snuf

volgt hem grinnikend en sluit de deur achter zich.)

KERSTMANNETJE. (Breidt onwillekeurig zijn armen beschermend voor

Gaaike’s deur uit. Hij ziet Satan onbevreesd in het gelaat.)

Hans de Klokkeluider · 第 48 / 64 题