KASPER. Kom, mannen! Naar de stadsgracht!
SNOEK, KASPER, STOFFEL. (Snellen heen, gevolgd door Aafke en de
werkvrouwen, die haastig doeken omslaan.)
HANS. (Worstelend naar adem:) Ik .... ik wil ook even .... buiten zien.
(Wankelend volgt hij de anderen.)
ANNE-MARIE. (Weifelt wat ze doen zal. Dan ziet ze haar kind doodsbleek
tegen den wand staan. Verschrikt snelt ze toe.) Gaaike ....!
GAAIKE. Moeder! (Wanhopig snikkend bergt ze zich aan haar moeders
borst.)
ANNE-MARIE. (Haar omsluitend:) Gaaike .... m’n kind, wat beef je?
Wat is er dan met je? (Moederlijk troostend:) Arm kind! Arm kind van
mij! Ja, dat bederft nu alles, hè? Nu, stil maar. Stil maar ....! Hij
wordt nog wel gevonden! Je zult zien, dat hij gevonden wordt!
GAAIKE. (Schudt snikkend het hoofd.) Hij .... hij wordt niet meer
gevonden!
ANNE-MARIE. (Verwonderd:) Wat zeg je, kind? Hoe weet jij ....? Nu, huil
maar uit, hoor.
GAAIKE. Moeder .... als Hans verdronken is .... is het mijn schuld!
ANNE-MARIE. Jouw schuld?? Wat is jouw schuld! Als Hans verdronken is
... is dat dan jouw schuld ....?? Och, je bent heelemaal overstuur, m’n
kind. (Van den weeromstuit snikt ze mee.) Hoe kan het jouw schuld zijn,
als Hans ....?!
GAAIKE. (Wanhopig snikkend:) Hans hield van mij!
ANNE-MARIE. (Opgelucht:) Och, m’n kind, is dat alles?
GAAIKE. Nu hij gehoord heeft, dat ik morgen ....! Ik wil niet! Ik wil
niet met den graaf trouwen!
ANNE-MARIE. (Verschrikt:) Maar, kind ....!
GAAIKE. (Naar adem zoekend:) Ik wil niet! (Hartstochtelijk snikkend:)
Ik hou van Hans! Nu hij er niet meer is, weet ik het! Ik hou van Hans!
ANNE-MARIE. Kijk nou eens aan! Kijk nou toch eens aan!—De graaf zal zoo
goed voor je zijn, m’n kind! En .... ’t is toch een graaf! Er zal niet
elken dag een graaf om je komen, Gaaike! En daarstraks heb je toch nog
gezegd, dat je zooveel van hem hield!
GAAIKE. (Verward:) Ik weet niet .... ik weet niet wat het is ....!
ANNE-MARIE. (Fluisterend:) Je hebt toch je ja-woord gegeven!
GAAIKE. (Snikkend:) Ik kan niet! Ik wil niet! Ik mag niet ....
ANNE-MARIE. Wat mag je niet? Je mag niet neen zeggen, als je eenmaal je
ja-woord gegeven hebt, Gaaike! En alles is nu klaar .... de muziek is
al besteld... de koeken zijn gebakken .... en dat mooie kleed, dat hij
voor je heeft meegebracht! Heb je wel goed gezien wat een mooi kroontje
er op zit?
GAAIKE. (Snikkend:) Moeder ....!
ANNE-MARIE. Wij willen toch niets dan je geluk. Dat weet je toch wel?