ANNE-MARIE. Hans, de klokkeluider?!
SNOEK. (Komt ook opgewonden binnensnellen.) Kom mee, Kasper! Ze willen
gaan dreggen in de gracht!
(Gegil bij de vrouwen.)
AAFKE. Dreggen?? Is hij dan verdronken?!
SNOEK. Wie zal het zeggen? Ze hebben overal gezocht!
ANNE-MARIE. In den toren ook? Daar zit hij altijd.
KASPER. In den toren is hij niet. En de poort is hij ook niet
uitgegaan. Dan had de wachter hem moeten zien!
STOFFEL. (Is ook komen binnensnellen.) Alles is even zonderling! Onder
aan de torentrap hebben ze den klepel gevonden! Den klepel van de klok!
Wie heeft er ooit meegemaakt, dat een klepel uit een klok viel! Een
klepel, die met zóó’n ijzeren ring in de klok zit vastgesmeed!
SNOEK. Er zit tooverij achter!