HANS. (Wendt het gelaat af, vechtend tegen zijn tranen.)

GAAIKE. U hebt verdriet .... ik weet, dat u verdriet hebt! Ik hoorde

het aan uw stem daareven. En dat van uw kasteel .... dat is niet waar.

HANS. (Fluisterend, met gesloten oogen:) Ik zal het je anders

vertellen. Kom bij mij .... wat ik daarnet vertelde .... moet je weer

vergeten. Luister. Luister, Gaaike .... dan zal ik vertellen. Het is

hier ver, heel ver vandaan, mijn kasteel. We rijden de poort binnen,

een mooie, grijze poort met bloemenvazen op de zuilen ....

GAAIKE. Maar nu is het winter. Nu zijn er geen bloemen.

HANS. Nu staan er kleine kerstboomen in, Gaaike. Kerstboompjes met

brandende kaarsjes. Als we het hek door zijn, rijden we de breede

oprijlaan in, met hooge boomen aan de zijden, en ver voor ons uit ligt

ons kasteel!

GAAIKE. (Verheugd:) Van zwart marmer?

HANS. (Haar hoofdje strelend, fantaseerend om Gaaike genoegen te doen:)

Neen .... dit is blank. Blank als versche sneeuw, en er staan roode

schoorsteenen op. Er ligt een wijde tuin omheen, met zwanenvijvers,

Gaaike, en fonteinen en perken. We zullen jachten houden! Op sterke

schimmels zullen we door het woud stuiven; hoor je de schalmeien? En

tuinfeesten zullen we houden met bonten schijn van lampions en zoeten

klank van fluiten en violen. Bij volle maan zullen we over de stille

meren varen en lelies plukken, Gaaike ....!

GAAIKE. (Leunt in verrukking op zijn arm. Droomend:) Zoo is het mooi!

Zoo is het net zoo mooi als in het kasteel .... van Hans.

EEN STEM. (Roept van boven:) Gaaike ....!—Gaaike ....!

GAAIKE. Ja, ik kom!

HANS. Een kus, Gaaike ....

GAAIKE. (Bergt zich hevig blozend aan zijn borst. Hun monden vinden

elkaar. Dan snelt Gaaike heen, werpt Hans bij de deur nog een

vriendelijk knikje toe.)

HANS. (Staart droomend naar de deur waardoor Gaaike verdwenen is.

Prevelend:) Zij heeft mij gekust. Gaaike heeft mij gekust! (Het hoofd

oprichtend in twijfel, fluisterend:) Wien .... heeft zij gekust? Hans,

den klokkeluider ... of den vreemden graaf??—Mij heeft ze gekust.

(Hartstochtelijk:) Mij. Mij! En ik ben toch Hans! Hans, de

klokkenluider. (Peinzend:) De .... klokkeluider. (Als in een andere

wereld levend:) Waar is mijn klok? Klokkeluider, waar is je klok? Jij

hebt de klok verkocht .... jij hebt je klok verkocht en durft je

klokkeluider noemen. (Snijdend, honend:) Klokkeluider! (Smartelijk:) Ik

ben geen klokkeluider meer. (Fluisterend, met heesche stem:) Maar wat

ben ik dan? (Heftig:) Wie? Wat ben ik?! (Gejaagd fluisterend:) Ben ik

een graaf? (Hij beziet zijn kleeren.) Ja .... ik .... ik kan een graaf

zijn. Als ik morgenavond mijn klok niet weer terugkoop. Als ik mijn

klok voorgoed aan den duivel verkoop. Als ik Hans, den klokkeluider,

verkoop! Als ik .... (snijdend:) mij zelf verkoop voor een koets, voor

een kasteel, voor deze kleeren, voor Gaaike’s kleed .... (fluisterend,

verlangend:) voor Gaaike zelf. (Zacht, peinzend:) Als ik mijn geluk wil

bouwen .... op een leugen. (In sterken twijfel:) Mijn geluk ....? Zal

ik mijn leven lang niet .... jaloersch blijven? Jaloersch op dien

vreemden graaf, wiens kleeren ik draag, wiens kasteel ik bewoon, maar

die mij, Hans, (vol verbittering:) mij .... Hans .... mijn Gaaike

roofde?! (Hij bergt het gelaat in den arm.)

STEMMEN. (Klinken op dit oogenblik van buiten.) Hans! Hans .....! (Veel

rumoer, verwarde kreten:) Hans ....!

HANS. (Luistert verward; dan begrijpt hij. Hij snelt naar het raam,

blijft staan en breekt in een spotlach uit.) Ze zoeken! Ze zoeken Hans

.... den klokkeluider. Zoek! Zoek maar overal ....! Zoek hier! Zoek

onder mijn gravenkleeren en je zult hem nog niet vinden. Een leugenaar

zul je vinden, een lafaard, een luider zonder klok .... (De tranen

breken door zijn stem.)

(Het rumoer op straat neemt toe. Uit de verschillende deuren komen

werkvrouwen, ook Anne-Marie en Aafke, en achter hen aan, met angstigen

blik: Gaaike.)

ALLEN. (Dooreen:) Wat is er? Wat gebeurt er? Wat roepen ze op straat?

Waarom is al dat volk op de been?

KASPER. (Komt achter adem door de buitendeur binnensnellen, een paar

zakjes onder den arm, die hij Anne-Marie in de handen duwt.) Hier! De

gist! De suiker! Hans is weg. Ze kunnen hem nergens vinden.

Hans de Klokkeluider · 第 35 / 64 题