GAAIKE. Ik .... ik ben nog nooit in een kasteel geweest. Ik heb er ook
nog nooit een gezien. Maar Hans, de klokkeluider .... (in gedachten:)
vertelde mij er van.
HANS. (Met afgewend gelaat:) Hans .... de klokkeluider?
GAAIKE. Ja, dien kent u natuurlijk niet.
HANS. (Smartelijk:) Neen .... dien ken ik niet.
GAAIKE. Hij vertelde me zoo mooi van de wolken en van zijn klok en ....
(mijmerend:) van een zwart marmeren kasteel. (Ze vleit zich tegen Hans
aan.) Vertel mij eens van .... uw kasteel?
HANS. (Om zijn mond is iets bitters gekomen; zijn oogen hebben iets
satanisch gekregen. Ja, zelfs zijn stem herinnert nu even aan het
snijdende van Satans stem. Hij spreekt, met zijn oogen starend; wij
voelen zijn innerlijke smart.)
Mijn kasteel? Je wou weten .... hoe mijn kasteel er uit ziet?
(snijdend:) Goud! Alles van goud! En paarlen en diamant uit alle oorden
van de wereld aangesleept; alleen van de vervoerkosten zou men een
ander kasteel kunnen bouwen. (Hijgend, in de lucht starend:) Wat je
zult zien .... het is alles duur en kostbaar; het is handen vol geld
waard .... en ik ben er voor een krats aangekomen .... het was te geef,
voor niet; belachelijk, bespottelijk was de prijs!—(Fluisterend,
heesch:) Nu, Gaaike, hoe lijkt je .... dat kasteel?
GAAIKE. (Is verschrikt teruggedeinsd. Stamelend:) Hans zei ....
HANS. (Snijdend, met de tranen door zijn stem:) Hans zei?! Wat weet een
klokkeluider van een kasteel?! Laat hij zich bij zijn klok houden! Laat
hij de leugens, die hij uit de wolken haalt, maar aan zijn klok
vertellen!
GAAIKE. (Doodsbleek, naar adem zoekend:) Ik ga niet mee! Ik wil niet
mee naar dat kasteel!
HANS. (Tast naar zijn hoofd. Bleek, duizelend:) Vergeef mij, Gaaike.
GAAIKE. Hebt u .... verdriet?