(Weer komt een werkvrouw in groote haast over het tooneel sloffen,
gewapend met emmer en dweil.)
SNOEK. („Galant”:) Zoo, meiske? Zoo druk in de weer?
WERKVROUW. (Gillend:) Laat me er door! (Ze sloft woedend, mompelend in
zich zelf, het tooneel weer af.)
SNOEK. (Ziet haar verbluft na. Hoofdschuddend:) Die vrouwen! Die
vrouwen!
KASPER. Je hadt de mijne moeten zien gisteravond! Eerst was Gaaike
komen binnenvliegen en naar haar kamertje gehold. „Wat scheelt Gaaike?”
vraag ik mijn wijf. „’k Zal eens zien”, zegt ze. Tien tellen later
staat ze weer voor me met een hoofd als een rooie kool en een brief in
haar hand. „Kasper”, zegt ze, „trek als de weerlicht je beste pak aan!”
Ik nam juist een snuifje. „Waarom zou ik dat doen, wijf?” vraag ik. „’t
Is toch geen Zondag?”—„Neen”, zegt ze, „maar er komt zoometeen wel een
graaf om je dochter! ’t Staat in een brief!” Nou, en meteen kreeg mijn
wijf het zoo op haar zenuwen, dat ik maar gauw naar boven ging om mijn
beste spulletje aan te trekken. En net kom ik weer in de gelagkamer, of
de graaf staat er ook al!! „Zoo, monsjeu”, zeg ik. „Dag, Kasper”, zegt
de graaf. Nou, en toen ik mijn vrouw en mijn dochter ging halen, hadden
ze zich allebei piekfijn opgekalefaterd! Satan en Eva regeeren de
wereld, makkers!