KASPER. (Zet zijn kroes neer.) Hans?? Wie Hans?? Wat Hans?!
SNOEK. Hans, den klokkenluider, bedoelt hij.
KASPER. Klokkelui....! Mijn dochter Gaaike met een Klokkelui....!
Stoffel, als je mijn buurman niet was, zou ik je de herberg uitzetten
en je al de kroezen nagooien, die je bij mij al hebt leeggedronken.
STOFFEL. (Verschrikt:) Ik niet alleen Kasper! Ze hebben het allemaal
gedacht. En .... eh, het zou toch ook een heel knap paar zijn geweest.
KASPER. Een knap paar! Ja, knap zou het zijn geweest, wanneer die
klokkeluider Kasper zijn dochter had afgetroggeld! Een mooi bestaan: op
droog brood in een toren! Je kunt je nog beter door den schout laten
opsluiten!
SNOEK. Droog brood ....! Jij zit er toch warmpjes in, Kasper.
KASPER. En moet ik daarom de kou in huis halen? Kom, mannen, ik wil
drinken op dien klokkeluider en op het knappe paar, dat hij met mijn
dochter Gaaike gevormd zou hebben!
SNOEK. Verslik je niet, Kasper!