ANNE-MARIE. (Komt met Aafke en een werkvrouw van links het tooneel
opstuiven. Ze is vuurrood van de drukte.) Hierheen! De gordijnen moeten
er af, en de planken nog geschuurd en .... (Met giftigen blik op
Kasper:) Zit jij daar te nietsdoen, Kasper?
(De werkvrouw neemt den emmer en bezem weg en sloft weer het tooneel
af.)
KASPER. (Ziet naar zijn krijgshaftige, blozende, goedgevulde eega.)
Nietsdoen, wijf?? Ik heb meel en rozijnen gehaald en ....
ANNE-MARIE. (Stort zich op de zakjes, die Kasper op een tafeltje heeft
neergegooid.) En .... en de gist heb je vergeten! En inplaats van
suiker heb je zout gehaald! Stel je voor, dat ik over de taarten zout
had gestr....! (De gedachte aan die mogelijkheid doet haar bijkans
bezwijmen.)
STOFFEL. (Angstig:) De gist wou je juist gaan halen! Niet waar, Kasper?
KASPER. Hou je wafel, Stoffel: ik kan ’t alleen wel af. (Hij neemt den
zak zout. Overmoedig:) Je zult eens zien, mannen, wat een mooie japon
ze morgen op de bruiloft aanheeft! Die krijgt ze van mij, die japon!
Nietwaar, wijf?
ANNE-MARIE. Groote genade, ja, ik moet nog passen ook. Vooruit, sta dan
toch niet te treuzelen! En vergeet de muziek niet te bestellen, want
dat heb je natuurlijk ook nog niet gedaan!
KASPER. Jawel! Om de muziek heb ik gedacht! Ze zullen met z’n vijven
komen en alles meebrengen, waarop je maar fiedelen en blazen kunt. En
dan de beenen van de vloer, hé, wijf? We kunnen het nooit jonger meer
doen!
ANNE-MARIE. Kasper, schei toch uit!
KASPER. (Gaat grinnikend met zijn vrienden heen om Anne-Marie’s bevelen
uit te voeren.)
ANNE-MARIE. Wat moest er nog maar weer gebeuren? M’n hoofd loopt om.
Wacht, de gordijnen! (Geheimzinnig-fluisterend:) En dan zou ik je het
kleed nog laten zien, dat hij voor Gaaike heeft meegebracht!
AAFKE. (Poezelig en blozend als Anne-Marie.) Het zal wel mooi zijn, hé?
ANNE-MARIE. (Gebaar van verrukking.) De kraag van Brusselsche kant!
Pofmouwen van witte zijde! Ze durft het niet aan te passen, zoo bang is
ze, dat het kreukt. Maar morgen, op de bruiloft, krijgt ze het
aan!—Wacht, laat ik de rozijnen meenemen.—Heb ik je al verteld, dat er
een kroontje op zit?
AAFKE. (Slaat de handen ineen.) Op de rozijnen?!
ANNE-MARIE. Neen, op het kleed! Een kroontje van .... van groene
diamant. Kom, ik zal het je laten zien. En dan zoometeen vlug met de
ragebol .... Wat een knappe jongeman, hé? Heb je hem van opzij gezien?
AAFKE. Hij is nog veel knapper geworden, nu hij zijn baard heeft
weggeschoren! Den vorigen keer had hij een baard, weet je wel?
ANNE-MARIE. Ja, dat maakte hem veel ouder. Maar ik zag toch direct wel,
dat het dezelfde graaf weer was.
AAFKE. Ja! Z’n gezicht kwam me dadelijk weer zóó bekend voor, hè?
ANNE-MARIE. Voor Gaaike heb ik een zijden hemd met een sleep!
AAFKE. Een sleep? Een hemd met een sleep?
ANNE-MARIE. Natuurlijk met een sleep! ’t Is een gravinne-hemd, Aafke!
AAFKE. Ja, daar dacht ik zoo gauw niet aan.
ANNE-MARIE. Heerem’ntijd, wat zal ik het eerste doen! Die mannen hebben
het toch maar makkelijk! Die staan maar te babbelen en te
nietsdoen!—Ach ja .... m’n Kasper is zoo trotsch op zijn schoonzoon,
hè? Heb je de ragebol? Wacht, daar komen ze! De graaf en zijn .... en
zijn verloofde!
(De beide vrouwen vluchten achter de deur en zien nog even toe, in
warme bewondering. Dan verdwijnen ze, de deur achter zich sluitend.)
HANS EN GAAIKE. (Komen op, Gaaike blozend, verlegen; haar oogen stralen
van blijde opwinding. Ze heeft haar beste japonnetje aan. Hans, die
haar met hoffelijk gebaar laat voorgaan, draagt zijn gravenkleeren vol
aangeboren zwier.)
GAAIKE. (Rondziend:) Vader wil de herberg heelemaal versieren! Kijk,
daar liggen slingers en vlaggetjes .... ziet u wel?
HANS. (Met geforceerde luchthartigheid:) Ja ....! Groene slingers en
allerlei kleuren vlaggetjes er aan. Wat zal dat leuk staan, als die
door de herberg hangen.—Alles .... alles zal morgen zoo mooi zijn,
Gaaike!
GAAIKE. (Knikt blozend:) Het .... het kleed is ook zoo mooi!
HANS. (Half vroolijk:) Maar dat is toch niet de hoofdzaak, Gaaike.
GAAIKE. Neen. Maar het is toch mooi.
HANS. Ben je er blij mee?
GAAIKE. (Knikt.) Het zal wel vreeselijk veel gekost hebben!
HANS. (Peinzend, smartelijk:) Ja .... de prijs was hoog. Maar voor jou
was mij niets te duur, Gaaike.
GAAIKE. U is zoo goed voor mij, graaf!
HANS. (Mijmerend:) Waarom zeg je .... „graaf” tegen mij, Gaaike?
GAAIKE. (Hem verlegen aanziend:) Dat wil vader zoo. (Met gebukt hoofd.)
En ik ken Uw naam ook nog niet.
HANS. (Als ontwakend uit een droom:) Ja .... natuurlijk .... dat is
zoo. Ik heet .... (Hij zint zich op een naam. Dan, weemoedig:) Nu, het
doet er immers niet toe .... (Zich vermannend:) Morgen is ’t ons feest,
hè, Gaaike? En dan gaan we in mijn koets naar ons kasteel!
GAAIKE. (Met lichten schrik:) Maar we blijven de kerstdagen toch nog
hier?
HANS. Zeker! Tot den Nieuwjaarsdag blijven we nog! En dan ....! Je bent
toch niet bang om met mij mee te gaan, Gaaike?
GAAIKE. Eerst was ik bang. De vorige maal, dat u hier was ....
HANS. (Angstig:) Wat? Wat .... den vorigen keer?!
GAAIKE. Toen droeg u een baard en durfde ik u heelemaal niet aan te
zien. Maar nu is het, of ik u al jaren ken. En nu ben ik ook niet bang
meer om met u mee te gaan! (Ze vleit zich tegen hem aan, ziet hem
vriendelijk, dapper in de oogen.)
HANS. (Verward:) Gaaike ....! Dus .... je houdt wel een beetje van mij?
GAAIKE. (Lief, innig:) Ik hou heel veel van u.
HANS. (Hijgend:) Van mij? Van mijzelf hou je, Gaaike? Niet alleen van
mijn kleeren .... mijn koets .... het kleed, dat ik voor je heb
meegebracht?