STOFFEL. Ja, jij, als vrijgezel, kunt lachen! Ga je de boel versieren,
Kasper?
KASPER. (Inschenkend, na zich boven uit de tapkast een flesch veroverd
te hebben:) Wat dacht jij dan, buurman? Aan den gevel komen slingers en
vlaggen, en hier binnen maken we alles piekfijn; de tapkast zal ik met
oude Fransche en Spaansche wijntjes versieren, en mijn vrouw zal de
tafel versieren met koeken en taarten; mijn schoonzoon zal merken, dat
er bij Kasper wat in ’t vaatje zit!
SNOEK. (Nieuwsgierig:) En waar zit hij nou, die monsjeu? Bij Gaaike?
KASPER. Snoek, niet zoo nieuwsgierig! We zijn allemaal jong geweest.
Hij zal met Gaaike in de voorkamer zitten en zich niet vervelen. Hier,
neem je kroes, Stoffel. We zullen op hem drinken! Ik wil ook nog op
mijn wijf drinken en op den schout en zijn schepenen en op jouw zeven
dochters, Stoffel, en niet allemaal in een slok naar beneden, hoor,
neen, stuk voor stuk, en de volle maat. (Ze drinken.) Alle duivels,
makkers, ik ben vandaag in staat, mijn heelen wijnkelder in jullie
magen om te keeren!—Zeg eens eerlijk: ze mag er wezen, mijn Gaaike! ’t
Is mijn eenigst kind, en ’t is zonde, dat ik het zelf zeg, maar ze mag
er wezen!
SNOEK. Niet zoo hoogmoedig, Kasper!
KASPER. Hoogmoedig! Heb ik gelijk of niet, Stoffel?
STOFFEL. Nou! Ik heb wel leelijker gravinnen gezien, Snoek!
SNOEK. Waar heb jij gravinnen gezien?
STOFFEL. In het paardespel, dat hier geweest is! Daar was een echte!
SNOEK. Als dat een echte gravin was, zal ik nog eens een echte snoek
worden.
KASPER. Nou, maar in elk geval, als mijn Gaaike er niet wezen mocht,
zou die graaf niet om haar zijn gekomen! ’n Jonge graaf met fortuin
.... ga zelf maar na, mannen! Aan elken vinger tien gravinnen, in alle
soorten en afmetingen!
STOFFEL. (Zucht.) En mijn zeven dochters er bij!
SNOEK. Eerlijk, Kasper,—toen hij het vorig jaar hier wegging, had jij
ook niet gedacht, dat hij nog eens jouw schoonzoon worden zou!
KASPER. Als je de waarheid weten wilt, Snoek, ik heb altijd al zooiets
gedacht! Mijn grootmoeder had al wat met een baron uitstaande! Hier
makkers, laat je nog eens inschenken.
SNOEK. Vertel op .... wat was dat met je grootmoeder en dien baron?
KASPER. Met mijn grootmoeder is het adellijk bloed in onze familie
gekomen. Kijk maar eens naar mijn neus. Mijn vrouw zegt, dat er een
baronnehaak in zit.
SNOEK. (Honend:) Nou, laten we dan maar eens klinken op jouw
baronnenneus, Kasper!
KASPER. En op jouw neus, dien je overal insteekt, Snoek!
(Ze drinken.)
STOFFEL. Mag ik je eens eerlijk iets zeggen, Kasper?
KASPER. Zeg maar op: als het een leugen is, zullen we hem dood drinken.
STOFFEL. Ik had altijd gedacht, dat Gaaike .... en Hans nog eens een
paar zouden worden.