DERDE TAFEREEL

(De herberg: „’t Swaentjen”.)

(Een eikenhouten gelagkamer. Tafeltjes, schemeltjes, groote schouw,

rechts-fond de toonbank met tapkast. Links-fond: de deur naar de straat

met een trapje er voor. Links en rechts twee deuren. Hooge vensters met

kleine ruitjes, waardoor de ondergaande zon rood licht werpt. Een

kandelaar met oude borden op de schouw. De zoldering wordt gestut door

zware balken. Het vuur in de schouw brandt. Hier en daar slingers en

vlaggetjes, die later als versiering zullen moeten dienen. Ergens staat

een ragebol en een emmer met een bezem.)

(Als het scherm opgaat, is het tooneel ledig. In een der zij-kamers

zijn vrouwen aan het kwebbelen.)

STEMMEN. (Uit de zij-kamer:) Geef me die dweil aan! Ajasses, wat is dat

water koud! De gordijnen moeten er nog af .... Die graaf brengt een

drukte, hoor! Z’n palfrenier is een aardige kerel! Hij wou me zoenen

.... (veel gegiechel) maar ik heb hem een watjekou gegeven! Handen van

den boter!

EEN WERKVROUW. (Sloft over het tooneel, verhit van het werk, met

verwarde haren, opgestroopte mouwen, een emmer water torsend. Ze sloft

de kamer in, waar gekwebbeld wordt. Daar zet ze, na de deur weer achter

zich gesloten te hebben, de emmer rinkelend neer.)

STEMMEN. (Uit de kamer:) Kijk uit! Kijk waar je loopt! Die graaf ....

KASPER. (Komt met Stoffel en Snoek door de buitendeur op. Hij draagt

een paar zakjes, die hij op een tafeltje gooit. Kasper mist niet een

zekere waardigheid, die zich uitspreekt in een fermen neus, een licht

onderkinnetje, een wijnbuikje, dat hij met overtuiging vooruitsteekt en

vaak gebruikt als rustplaats voor zijn handen, een dikke, zilveren

horloge-ketting, een bruine jas met panden, een kuitbroek met lage

gesp-schoenen, een gebloemd vest, een groote, bonte zakdoek, die achter

uit zijn jas steekt. Snoek is ook een heel heer, vinnig en parmantig in

zijn bewegingen, mager, niet groot, bottig gezicht, roode neus. Stoffel

is meer een ridder van de droeve figuur, dien men zijn zeven

ongetrouwde dochters, zijn mageren spaarpot en zijn kijfzieke vrouw van

buiten af al aanziet.)

KASPER. (Loopt haastig, maar niet zonder een zekere plechtigheid, naar

de tapkast.) Ja, vrienden, daar zullen we een wijntje aan wagen!

SNOEK. Waarachtig, Kasper, ik ben het niet altijd met je eens, maar

ditmaal heb je het aan het goeie eind. Er zal niet elke week een graaf

om je dochter komen!

KASPER. Eenmaal is genoeg, buurman! Wat zeg jij, Stoffel?

STOFFEL. ’t Is een wonder! Ik heb, de Heer zij mijn getuige, zeven

huwbare dochters, en er is zelfs nog geen dronken ketellapper om

gekomen!

Hans de Klokkeluider · 第 27 / 64 题