(De herberg: „’t Swaentjen”.)
(Een eikenhouten gelagkamer. Tafeltjes, schemeltjes, groote schouw,
rechts-fond de toonbank met tapkast. Links-fond: de deur naar de straat
met een trapje er voor. Links en rechts twee deuren. Hooge vensters met
kleine ruitjes, waardoor de ondergaande zon rood licht werpt. Een
kandelaar met oude borden op de schouw. De zoldering wordt gestut door
zware balken. Het vuur in de schouw brandt. Hier en daar slingers en
vlaggetjes, die later als versiering zullen moeten dienen. Ergens staat
een ragebol en een emmer met een bezem.)
(Als het scherm opgaat, is het tooneel ledig. In een der zij-kamers
zijn vrouwen aan het kwebbelen.)
STEMMEN. (Uit de zij-kamer:) Geef me die dweil aan! Ajasses, wat is dat
water koud! De gordijnen moeten er nog af .... Die graaf brengt een
drukte, hoor! Z’n palfrenier is een aardige kerel! Hij wou me zoenen
.... (veel gegiechel) maar ik heb hem een watjekou gegeven! Handen van
den boter!
EEN WERKVROUW. (Sloft over het tooneel, verhit van het werk, met
verwarde haren, opgestroopte mouwen, een emmer water torsend. Ze sloft
de kamer in, waar gekwebbeld wordt. Daar zet ze, na de deur weer achter
zich gesloten te hebben, de emmer rinkelend neer.)
STEMMEN. (Uit de kamer:) Kijk uit! Kijk waar je loopt! Die graaf ....
KASPER. (Komt met Stoffel en Snoek door de buitendeur op. Hij draagt
een paar zakjes, die hij op een tafeltje gooit. Kasper mist niet een
zekere waardigheid, die zich uitspreekt in een fermen neus, een licht
onderkinnetje, een wijnbuikje, dat hij met overtuiging vooruitsteekt en
vaak gebruikt als rustplaats voor zijn handen, een dikke, zilveren
horloge-ketting, een bruine jas met panden, een kuitbroek met lage
gesp-schoenen, een gebloemd vest, een groote, bonte zakdoek, die achter
uit zijn jas steekt. Snoek is ook een heel heer, vinnig en parmantig in
zijn bewegingen, mager, niet groot, bottig gezicht, roode neus. Stoffel
is meer een ridder van de droeve figuur, dien men zijn zeven
ongetrouwde dochters, zijn mageren spaarpot en zijn kijfzieke vrouw van
buiten af al aanziet.)
KASPER. (Loopt haastig, maar niet zonder een zekere plechtigheid, naar
de tapkast.) Ja, vrienden, daar zullen we een wijntje aan wagen!
SNOEK. Waarachtig, Kasper, ik ben het niet altijd met je eens, maar
ditmaal heb je het aan het goeie eind. Er zal niet elke week een graaf
om je dochter komen!
KASPER. Eenmaal is genoeg, buurman! Wat zeg jij, Stoffel?
STOFFEL. ’t Is een wonder! Ik heb, de Heer zij mijn getuige, zeven
huwbare dochters, en er is zelfs nog geen dronken ketellapper om
gekomen!