HANS. (Verward:) Dezelfde toon, die ....
SATAN. Nu? Staat ze stil, ja of neen?
HANS. (Worstelend tegen de verleiding:) Ik .... ik wil niet ....
SATAN. (Driftig:) Dwaas! Als ik je er een kasteel bij geef?
HANS. (Angstig:) Ik wil niet ....!
SATAN. Ik zal je landerijen geven! Bosschen vol wild!
HANS. (Schreeuwend:) Ik wil niet! Weg!! Scheer je weg met je duivelsche
schatten ....
SATAN. (Zuchtend:) Heb je ooit zoo’n ondankbare gezien, Snuf?
SNUF. Laten we toch gaan, meester! Onze goede bedoelingen worden
miskend.
SATAN. Ik wil het nog met het laatste probeeren. Breng het hier, Snuf.
Daarvoor zal hij toch wel zwichten!
SNUF. En als hij het niet doet, meester, is hij de grootste idioot ....
op jou na. Want alleen een volslagen idioot kan zooveel kostelijks te
geef aanbieden.—Hier is het. (Hij reikt Satan een vrouwenkleed.)