SATAN. (Wiegt grijnzend het kleed in het helsche licht.) Kijk dezen
kant eens uit, mijn jonge vriend?
HANS. Ik wil het niet zien!
SATAN. Ai ....! Daar zou je spijt van hebben, als je eerst maar wist
wat het was. Ja, knijp je oogen maar toe: door je dichte oogleden heen
zul je de schittering nog zien. Nu .... wil je niet?
SNUF. Neem het weg, meester. Hij is het niet waard. (De spanning,
waarvan hij blijkt geeft, is in tegenstelling met zijn woorden.)
SATAN. Stil, Snuf.—Nog drie tellen, jonge vriend! Dan neem ik het weg
.... voor altijd, en het mooiste wat je in je leven hebt kunnen zien,
is voor jou verkeken. Een .... twee .... Nu?
HANS. (Hijgend, naar adem zoekend:) Wat .... wat is het?
SATAN. (Krijgt moed, bedwingt met moeite zijn vreugde.) Een
vrouwenkleed.
SNUF. (Bukt zich in spanning.) Een gravinnekleed!
HANS. (Stamelend:) Voor .... voor Gaaike. (Hij wendt zijn blik naar het
kleed, aarzelend, als was hij bevreesd voor wat hij doen gaat.)
SATAN. (Wiegt het in het licht.) Nu? Lijkt het je?
HANS. (De handen uitstrekkend:) Geef het mij!
SATAN. (Over het bleeke duivelsgelaat glijdt even een grijns.) Het kost
een krats .... een niemendal.
HANS. (Hartstochtelijk de handen uitstrekkend, maar niet roerend van
zijn plaats:) Geef dan hier dat kleed!!
SATAN. Je krijgt het .... maar niet voordat ik weet, of je op den prijs
ingaat. Het is niet veel .... bijna te geef. Als ik je zeg wat het
kost, zul je lachen ....—Nietwaar, Snuf?
HANS. Noem den prijs ....!
SATAN. Zullen we hem den prijs noemen, Snuf?
SNUF. De prijs is veel te laag. De schoenen alleen zijn het dubbele
waard.
HANS. (Kermend onder zijn foltering:) Noem den prijs! Den prijs! Ik wil
den prijs weten!
SATAN. Nu dan, heerschap, dan zal ik het je zeggen. (Hij geeft zichzelf
even wat moed.) De prijs is .... de stem van die klok daarboven.
HANS. (Bleek, duizelend, met trillende lippen:) De .... de stem van
.... mijn klok? (Hij trekt zijn handen terug, moeilijk, als werden ze
magnetisch tot het kleed aangetrokken.) De stem van mijn ....?!
SATAN. (Bevreesd, zijn partij te zullen verliezen:) Zie! Er is in
smaragd een gravinnekroontje op geborduurd! Zou Gaaike ermee in haar
schik zijn? Nu ....? Je .... je hoeft vandaag nog niet te beslissen!
Neen! Neem alles mee wat ik je heb aangeboden; ik bewaak dan hier de
klok, en tot .... tot den kerstavond zelf mag je nog alles inruilen.
HANS. (Weifelend den duivel aanziend; zijn stem schijnt uit een andere
wereld te komen:) Tot .... tot Kerstmis mag ik nog ....?
SATAN. Tot overmorgen, den avond voor Kerstmis!
SNUF. Maar daarna niet meer!
HANS. Moet ik .... dan alles teruggeven? Het .... gravinnekleed ook?
SATAN. Vooruit .... dat mag je houden. (Geruststellend gebaar tot Snuf,
die vindt, dat zijn meester een stommiteit begaat.) Ze zullen van mij
niet kunnen zeggen, dat ik een galanterie niet te waardeeren weet! Maar
al het andere breng je me terug, als jij je klok weerom wilt hebben!
HANS. (Na een innerlijke worsteling, fluisterend, met gesloten oogen:)
’t Is goed.
SATAN. (Zichtbaar voldaan:) Bravo!—Maak het contract op, Snuf!
SNUF. (IJverig:) Ik ben in een ommezien klaar, meester! (Hij tijgt aan
het werk.) Drie-en-twintig December van het jaar ....
HANS. (Zijn houding wijzigt zich thans geheel. Aan het besef, hoe duur
zijn gekochte schatten door hem betaald zijn, ontleent hij den
bevelenden toon, waarin hij nu spreekt.) Mijn laarzen!
SATAN. (Onderdanig:) Hier zijn ze, graaf!
HANS. (Onaangenaam beroerd, aarzelt even, schiet dan driftig de laarzen
aan.) Mijn mantel!