GAAIKE. (Bukt beschaamd het hoofd.)

HANS. (Na een innerlijke overwinning:) Nu .... laat ons dan naar hem

uitzien, Gaaike.

(Op dit oogenblik snerpt een schrille fluittoon door de lucht, van

denzelfden toonaard als het fluitje van Snuf, daarstraks. Hans richt

zich verschrikt overeind; Gaaike krimpt ineen.)

HANS. Wat was dat? Waar kwam dat vandaan? Was het de wind .... er is

geen wind. (Hij ziet naar buiten en deinst achteruit.) Een licht ....!

(Geslagen, met moeite een sarcastischen toon terugdringend:) Gaaike

.... de koets.

GAAIKE. (Vliegt met een kreet op.) Waar? (Ze staart als betooverd naar

buiten, terwijl Hans met van smart vertrokken gelaat tegen den wand is

teruggedeinsd.) Hans! (Ze ziet om. Hans bukt het hoofd en wendt het af.

Dit verwart haar. Zacht, verwonderd:) Hans ....? (Besluiteloos blijft

ze staan. Dan, Hans smeekend aanziend:) Hans .... ik moet nu gaan. Ik

moet nu vlug ....—Dag, Hans! Hans, wees niet boos? Toe? (Ze kust zijn

slap hangende hand.) Dag, Hans, lieve Hans! (Dan, na nog een weifeling,

snelt ze op de trap af en gaat met gebukt hoofd omlaag.)

HANS. (Blijft met gesloten oogen nog even staan; dan heft hij langzaam

het gelaat op, als kwam hij bij zinnen. Prevelend:) Gaaike ....! (Hij

snelt op de nis toe, waar doorheen hij de koets kan zien.) Een koets

.... (De smart trilt door zijn stem.) Een rijke koets! Twee zwarte

paarden .... een groote, gouden kroon er boven op .... daar komt hij in

zijn koets in zijden kussens .... jouw graaf, Gaaike! (Hij bergt het

hoofd in de handen.)

SNUF. (Springt te voorschijn, wenkt zijn meester met een grijns. Satan

springt nu ook uit zijn verborgen nis. Snuf slaat een accoord aan op

zijn guitaar.)

Waarom zoo treurig, beste vrind?

Omdat je liefje je niet mint?

Kom, zoek een ander uit den hoop!

Want liefjes zijn er zat te koop!

SATAN. Stil, Snuf, laat mij met hem praten.

HANS. (Is doodelijk verschrikt overeind gerezen en drukt zich, met

lijkwit gelaat, ruggelings tegen den wand.) Wie zijn jullie? Wat zoek

je hier?!

SATAN. Schrik maar niet, mijn jonge vriend: we komen je helpen. En

vraag niet wie we zijn, want onze naam zou je op een dwaalspoor

brengen.

SNUF. Of juist op het goede spoor! Hi—hi—hi!

SATAN. Staak je gezwets, Snuf. En open de schatkamer,—dan zal hij zien,

dat we niet gekomen zijn om hem wat af te halen!

SNUF. Integendeel! (Hij werpt zich de guitaar om den hals, opent met

veel gewichtsvertoon de „Schatkamer”, die zich blijkbaar in een zijnis

bevindt. Snufs tooversleutel knarst in een onzichtbaar sleutelgat, en

meteen valt door de nis een fel-rood licht naar binnen.)

SATAN. (Vriendelijk uitnoodigend:) Wil je eens een kijkje nemen, jonge

vriend?

HANS. (Bleek, gereed zich tegen het booze, dat hij voorvoelt, te

verdedigen:) Neen! Ik wil niet.

SATAN. Hoe is het mogelijk!—Snuf, sta niet te luieren en breng me den

mantel hier.

SNUF. (IJveriger dan ooit, haalt een mantel uit de schatkamer.) Hier is

hij, meester!

SATAN. (Aanprijzend:) Een mantel van brokaat, met ’t kostbaarste satijn

gevoerd en gouden sluiting! Breng de sluiting naar den goudsmid! Het is

alles echt, mijn jonge vriend, het komt van ver. Wat zeg je van dien

mantel? Werp hem eens om je schouders en zie hoe hij je staat?—De

prijs? Je vraagt den prijs? Een krats. Een niemendal. De mantel is te

geef .... Nu?

HANS. Ik wil niet ....

SATAN. De hoed, Snuf.—Zie dezen hoed? Hoe past die bij den mantel? Heb

je ooit iets gezien, wat in teere blankheid wedijveren kon met deze

veer? Zie, een robijn hecht haar aan den bol; de rand is afgezet met

paarlen uit het achterland van Indië .... Hier! Een degen met gouden

greep en kwasten; de scheede ingelegd met het kostbaarst paarlemoer,

waarmee ooit de oceaan een oesterschelp bekleedde ....—Nu, hier dan!

Marokijnen laarzen met zilveren gespen en strikken van satijn!—Snuf,

haal een spiegel hier, dat hij de kleeren passen kan en zien kan hoe ze

hem staan!—Trek deze handschoenen er bij aan, handschoenen van

gemsleer, fijner dan ze een edelman ooit over blanke, ringen-overdekte

handen droeg. Zul je er met dit alles niet uitzien .... als een graaf?

HANS. Ik wil niet ....!

SATAN. Maar alles is te geef! Voor niet! De prijs is minder dan de

kosten van ’t vervoer! (Aanprijzend:) Want alles is van heinde en verre

aangebracht! Het bont is uit Siberië, het goud uit Afrika, de paarlen

uit de diepten van de diepste zeeën, die slechts de haaien kennen ....

Nu?—Begrijp jij het, Snuf? Als jou zoo’n kans geboden werd?

SNUF. (Zucht.) Laten we maar weer gaan, meester. Het is bij hem boter

aan de galg gesmeerd.

SATAN. Neen, ik geef het nog niet op. Je weet toch waarvoor we zijn

gekomen: om hem te helpen! Ik heb meelij met je, jonge vriend, omdat je

liefje je laat zitten.

HANS. Zwijg!

SATAN. Kalm-aan wat, heerschap! Wat heb ik je misdaan? (Verlokkend:)

Wat zou je er van zeggen .... wanneer ik je die mooie koets daarbuiten

schonk?

HANS. Is die .... van jou?!

SATAN. Hij dacht van niet!—Snuf, laat de koets eens stilstaan, want hij

gelooft niet, dat ze ons behoort!

Hans de Klokkeluider · 第 19 / 64 题