GAAIKE. Hans ....! (Het schreien komt haar nader dan het lachen.)

HANS. Nu, stil maar Gaaike. Hij zal wel .... echt zijn. Wat staat er

onder? Het is al wat donker; mijn oogen zijn .... ik kan het niet

lezen.

GAAIKE. Er staat zoo’n vreemde naam onder! „Beëlzebub”. Heb jij dien

naam al eens gehoord?

HANS. (Schudt ontkennend het hoofd.) Misschien heet die .... die

vreemde graaf wel zoo.

GAAIKE. Ik weet het niet. Ik weet niet, hoe hij heet. Maar die brief is

toch echt, Hans?

HANS. (Knikt. Peinzend naar den brief ziend:) Hij is met roode inkt

geschreven.

GAAIKE. Een graaf schrijft misschien wel altijd met roode inkt, hè?

HANS. Misschien wel, Gaaike.—Dus je bent in den toren gekomen .... om

naar hem uit te zien?

Hans de Klokkeluider · 第 18 / 64 题