HANS. Nu, stil maar Gaaike. Hij zal wel .... echt zijn. Wat staat er
onder? Het is al wat donker; mijn oogen zijn .... ik kan het niet
lezen.
GAAIKE. Er staat zoo’n vreemde naam onder! „Beëlzebub”. Heb jij dien
naam al eens gehoord?
HANS. (Schudt ontkennend het hoofd.) Misschien heet die .... die
vreemde graaf wel zoo.
GAAIKE. Ik weet het niet. Ik weet niet, hoe hij heet. Maar die brief is
toch echt, Hans?
HANS. (Knikt. Peinzend naar den brief ziend:) Hij is met roode inkt
geschreven.
GAAIKE. Een graaf schrijft misschien wel altijd met roode inkt, hè?
HANS. Misschien wel, Gaaike.—Dus je bent in den toren gekomen .... om
naar hem uit te zien?