HANS. (Verschrikt:) Voorzichtig, Gaaike ....!
GAAIKE. Wat is het hier hoog! Wordt jij nooit duizelig, als je omlaag
kijkt?
HANS. (Peinzend:) Neen, ik niet. Soms voel ik me juist wel eens
duizelig wanneer ik beneden ben. Dan vlucht ik in mijn toren .... daar
gaat het over.
GAAIKE. Hoe kan dat nu?
HANS. Hier boven voel ik me zoo vrij, Gaaike. (Mijmerend:) Ik kijk naar
de wolken en ik denk. En wat ik denk .... vertel ik aan mijn klok.
GAAIKE. Verstaat die je dan?
HANS. Ze verstaat alles en ze denkt er over na. En als ik haar luid,
antwoordt zij mij. (Hij ziet om naar zijn klok.) Ik hield al van mijn
klok, nog voor ik ze gezien had. Bij ons daarbuiten was het ’s winters
zoo stil in de velden; daar hoorden we niets dan een paar maal per dag
die heldere klokkeslagen; als ik met mijn broertjes door het bosch
zwierf, bleef ik altijd staan om er naar te luisteren. Mijn moeder werd
ziek,—toen was het nog stiller. We zaten zwijgend aan tafel, en de klok
daar in de verte riep ons toe: Houd moed ....! Houd moed ....! (Hans
zwijgt, veegt even met de hand over het voorhoofd.) Toen Moeder was
gestorven, luidde de klok .... alleen voor haar. Dien dag vroeg ik mijn
vader of ik eens met hem mee mocht naar de stad, om de klok te zien. En
toen het voorjaar werd, nam hij mij mee aan zijn groote sterke hand.
Het was een Zondagmorgen,—ik had mijn beste pakje aan; de hemel was
blauw, met witte wolken; de groene velden stonden vol lentebloemen; de
vogels zongen in de boomen. Zoo kwamen we in de stad en bij de kerk. De
klokkeluider .... heb je hem nog gekend?
GAAIKE. (Mijmerend naar de klok ziend:) Jawel. De oude Sebastiaan.
HANS. Ja! Nu, die ging ons met een groote bos rammelende sleutels
voor,—den toren in. Er kwamen schrikkelijk veel treden; ik dacht, dat
het nooit zou ophouden,—maar eindelijk waren we toch boven, hier bij de
klok. „Kijk, Hans,” zei mijn vader, „daar achter het bosch ligt ons
huis. Zie je het dak niet glinsteren in de zon? En daar is moeders graf
.... die populieren zijn van het kerkhof. En daarachter, heel ver, ligt
de zee, vol schelpen en parels, en daar ligt de stad van den
koning,—met honderd zilveren poorten en een toren van gesmeed goud. En
dien kant uit, nog veel verder, ligt het land van de Chineezen,—die
hebben huizen met twintig daken er op, alle van ivoor ....”
GAAIKE. (Hans verwonderd aandiende:) Vertelde je vader dat alles?
HANS. (Ontwakend uit zijn droom, verlegen glimlachend:) N-neen .... dat
bedacht ik later zoo. Toen mijn vader sprak .... keek ik alleen maar
naar de klok.
GAAIKE. En hoe ben je toen later klokkeluider geworden? .... Hans?
HANS. Luister, dat wou ik juist vertellen. „Kom,” zei Sebastiaan, „ik
moet luiden voor de kerk.” En hij ging met zijn rammelende sleutels
omlaag. (Hans’ blik dwaalt naar de trap.) „Vader,” fluisterde ik, „wat
gaat hij nu doen?”—„Dat heb je toch gehoord?” zei mijn vader. „Hij gaat
de klok luiden.”—„Kàn hij dat dan?” vroeg ik. „Ik had altijd gedacht,
dat een engel uit den hemel het deed!” Mijn vader lachte, en later
vertelde hij aan Sebastiaan, wat ik gezegd had. Die lachte niet, hij
nam mij op zijn knie en hij keek me over zijn ijzeren bril in de oogen,
heel lang en heel ernstig. „Wat wil je later worden?” vroeg hij toen.
„Ik wil klokkeluider worden,” zei ik. Sebastiaan keek me aan met oogen,
alsof hij me wilde opeten. „Jongen,” zei hij toen, „klokkeluider zijn
.... dat is niet zoo eenvoudig als het lijkt! Je moet van je klok
houden, zie je? Een echten klokkeluider moet niets ter wereld boven
zijn klok gaan!” Ik knikte .... en ik zag, dat zijn oogen eensklaps
vochtig werden.—Zoo ben ik klokkeluider geworden, Gaaike!
GAAIKE. (Ziet hem aan.) We kennen jou allemaal zoo weinig, Hans. Jij
zit hier maar altijd in je toren .... niemand van ons kent jou. Vindt
je het nu prettig om hier zoo alleen te zitten?
HANS. (Ziet haar aan. Schudt dan ontkennend het hoofd.) Ik vind het
veel prettiger .... als jij komt, Gaaike.
GAAIKE. (Slaat de oogen neer.) Ik heb niet geweten .... dat het hier
bij jou zoo mooi is, Hans.
HANS. Je kunt van hieruit de heele wereld zien, Gaaike! Ik zie ook
altijd de zon opgaan; mijn klok en ik zien haar het eerst. En de
torenhaan ook .... maar die telt niet mee. En de wolken zie ik hier van
zóó dichtbij! Ik ken ze allemaal!
GAAIKE. De wolken ....??
HANS. (Naar buiten wijzend, fantaseerend:) Zie je dien draak daar, met
zijn zeven koppen? Hij zoekt een prinses, die hij geroofd had, maar die
nu bevrijd is .... door dien ridder daar! Zie je hem, daar op dat
zwarte paard?
GAAIKE. (Mede in spanning:) Zou hij haar krijgen, Hans?
HANS. Welneen! Kijk maar: de ridder is al vlak bij zijn kasteel ....
wat een forsche torens heeft het, hè? En als de poort van het kasteel
eenmaal gesloten is, kan de draak er niet meer in!
GAAIKE. (Peinzend:) Hans, hoe ziet het er uit .... in zoo’n kasteel?
HANS. (Naar de wolken starend:) Het is van zwart marmer. De vloeren
zijn van ivoor.... Dienaren in zijden kleeren zullen de sleep van de
prinses dragen, en, als ze uit rijden gaat, houdt de ridder zelf voor
haar den beugel vast.
GAAIKE. En .... en wat voor kleeren draagt zij, Hans?
HANS. De mooiste stoffen zullen dienen voor haar kleeren. Een mantel
van brokaat, een kleed van zijde en kant en borduursel. Een beugeltasch
met paarlen bestikt en muiltjes van satijn .... en alles wat ze hebben
wil, Gaaike!
GAAIKE. Hans .... geloof jij, dat ik nog wel eens .... een dame zou
kunnen worden?
HANS. (Verward:) Een dame ....? Een prinses!
GAAIKE. Een prinses kan ik toch niet worden, Hans? Maar ik zou zoo
graag .... een dame willen zijn. Hans .... zou ik het kunnen?
HANS. (Met gebukt hoofd, smartelijk:) Ik weet het niet. Ik heb nog
nooit .... een dame gezien.
GAAIKE. Ben je nu boos, Hans?