SNUF. (Bukt zich over den rand van de trap en zingt fluisterend,
duivelsche accoorden tokkelend op zijn guitaar:)
Ai, Gaaike,
Gaaike, m’n Gaaike,
Kom!
Wees niet dom!
Een juweel
Van een kasteel!
Een koets met een paardje!
En dan met een vaartje,
Duizelend van min .... (Keert zich tot zijn meester om, grijnzend:)
.... de hellepoort in!
(Dan springen beiden snel weg in hun nis.)
GAAIKE. (Een dorpsmeisje met blonde vlechten, schuchter, lieftallig als
een veldbloempje, komt de trap op en ziet verlegen, aarzelend rond. Ze
is hier blijkbaar nog nooit geweest. Ze weifelt nog even, klimt dan de
laatste paar treden op. Gaat nu snel op een der nissen af en kijkt naar
buiten. Gejaagd, fluisterend:) Van welken kant .... zou hij kunnen
komen? (Zij haalt een brief uit haar jakje.) Er staat niets van in.
(Dan hoort ze boven zich iets kraken en bergt doodelijk verschrikt den
brief weer in haar jakje weg.)
HANS. (Komt de trap weer af. Als hij beneden is, bemerkt hij Gaaike.
Strijkt de hand over het voorhoofd, als om een droom weg te wisschen.
Fluisterend:) Gaaike ....!
GAAIKE. (Is schuchter tegen den steenen wand gevlucht.) Hans ....
HANS. (Hij gaat nu beseffen, dat wat hij ziet geen droom is, maar
werkelijkheid. Met trillende stem van overgroote vreugde:) Gaaike ....
jij hier?
GAAIKE. De deur beneden aan de torentrap stond open. Toen dacht ik ...
HANS. (Naar woorden zoekend om zijn vreugde te uiten:) Hier! Neem mijn
mantel. Je zult kou vatten. Alles is hier zoo open. Kom! (Hij wil haar
den mantel omdoen.)
GAAIKE. (Weifelend:) En jij dan?
HANS. Ik? Ik heb het nooit koud. Ik zit hier altijd in den toren. Ik
ben het gewend, Gaaike. (Hij doet haar hoffelijk, bezorgd, met
trillende handen den mantel om.)
GAAIKE. Het zal wel mal staan!
HANS. (Overtuigend:) Heelemaal niet, Gaaike! Kom, ga zitten. Ja ....
stoelen heb ik hier niet. Ik zit altijd maar zoo op de steenen. Hier in
deze nis. Daar heb je het mooiste uitzicht.
GAAIKE. (Gaat zitten, de handjes in den schoot. Naar buiten ziend:) Er
zit sneeuw in de lucht, hè, Hans?
HANS. (Leunt nu tegen den anderen wand van de nis en ziet Gaaike in
zwijgende verrukking aan. Hij knikt bevestigend.) Ja! We krijgen een
witte Kerstmis!
GAAIKE. Wordt de kerk dan weer net zoo mooi versierd als het vorig
jaar?
HANS. (Even pijnlijk getroffen:) Het vorig jaar ....? Was .... Was de
kerk toen zoo mooi versierd?
GAAIKE. Weet je dat niet meer? Voor alle beelden stonden brandende
kaarsjes. Alles was zoo feestelijk, zoo mooi; de heiligen keken zoo
vriendelijk .... de kerk straalde van licht!
HANS. Ik .... ik heb het niet zoo gezien, Gaaike. Voor mij .... was
alles .... duister. (Hij vermant zich.) Neen, dit jaar wordt de kerk
mooi, Gaaike, veel mooier dan toen .... die vreemde hier was. En we
zullen zoo lang luiden tot Kerstmannetje zelf naar onze versierde kerk
komt kijken!
GAAIKE. Heb jij Kerstmannetje al gezien, Hans?
HANS. Gisterenavond alweer! Hij dwaalt nu in de bosschen en zet de
omgevallen dennetjes recht, en onder een schraal, scheefgegroeid
dennetje stopt hij wel eens een goudstuk weg, tot troost voor wien geen
mooien kerstboom meer vinden kon. Gisterenavond, na het vesperluiden,
wenkte hij met zijn lantaarntje. Ja, ik zie je wel, grijsbaard! dacht
ik.
GAAIKE. En ben je toen naar beneden gegaan?
HANS. (Mijmerend:) Neen, dan had ik hem niet meer gevonden. Ik zie hier
in mijn toren zooveel .... wat ik beneden nooit zie.