GAAIKE. Waaraan denk je nu, dat je opeens zoo stil wordt?
HANS. Ik denk nu aan .... den vreemde, die hier geweest is.
GAAIKE. (Onrustig, even tastend naar den brief in haar jakje:) De ....
de vreemde?
HANS. De vreemde, die jou .... een handkus gaf .... toen hij weer in
zijn koets steeg.
GAAIKE. (Na een zucht, verward:) Nu, nu is hij weg. Al lang.
HANS. Daareven had ik het gevoel .... alsof hij er nog was .... Gaaike.
GAAIKE. (Snel om zich heen ziend:) Hans! Hans .... zul je het niet
vertellen? Zul je er met niemand over spreken?
HANS. (Voelt onraad naderen.) Waarover?
GAAIKE. Hier, ik heb .... Beloof me, dat je het niemand vertellen zult.
(Ze heeft den brief uit haar jakje gehaald, vouwt hem met bevende
handen open en toont hem aan Hans.)
HANS. (Neemt den brief aan, vliegt den inhoud door, staat dan op, naar
adem zoekend.) Wie heeft je hem gebracht?
GAAIKE. Ik vond hem gisteravond, Hans .... in den rand van mijn
spiegeltje.—Waarom schrik je zoo? Wat scheelt je?
HANS. Mij? N-niets. Mij scheelt .... niets.