SNUF. (Springt verlucht overeind.)

SATANS-MOER. (Neemt gillend de pook en ziele-vork weer op en wil er

Satan mee te lijf, maar deze redt zich met een lenigen sprong achter

een boom.)

SNUF. Mispoes! Hi—hi—hi—hi—hi!

SATAN. Lieve moêr, neem ons bij je in de hel; daar is het zoo lekker

heet en hier buiten is het zoo...Brrrr!

SNUF. Laat haar braaien in haar ranzig vet! Zal ik je aan het spit

steken, krakende vampier, en je smoren in de vlammen? Ksssssch!

Kssssch! (Hij draait een denkbeeldig spit.)

SATANS-MOER. (Krijscht van woede, heft de ziele-vork op, om daarmee

Satan en Snuf te overtuigen, dat in haar gemoed nog bittere

wraakplannen sluimeren. Dan vliegt ze de hel weer in, slaat de deuren

achter zich dicht.)

SNUF. (Werpt haar een kushand na, grijnst dan tegen Satan.) Hi—hi—hi!

Ze is op den loop gegaan!

(Het is met een slag weer stil geworden; het hellegerucht dringt niet

meer naar buiten door.)

SATAN. Ja, dat hebben we nou van je praatjes, Snuf! Nou is de deur

dicht, en zonder een volle zak zieltjes bij me durf ik niet meer aan te

kloppen, want waarachtig, ze zou me met mijn eigen staart bont en blauw

ranselen!

SNUF. Dan maar weer op het pad, meester! Ik heb nog een

ouwe-wijvenzieltje op het oog, dat allang op kantelen staat. Nog een

stootje.... en ze kan in den zak.

SATAN. Eén ouwe-wijvenzieltje! Wat heb ik aan één ouwe-wijvenzieltje?

Van die schrale, tanige, uitgedroogde ouwe-wijvenzieltjes gaan er

zooveel in den zak als steenen in den oceaan, als vloeken in een

soldenier, als goudstukken in een pierewaaiersbeurs, als zuchten in een

verliefd gemoed! Heb je niets beters?

SNUF. (Duidt, na een oogenblik peinzen, met den wijsvinger op zijn

neus, ten teeken, dat daarin een nieuwe gedachte schuilt.) We vangen

een paar dozijn honden- en kattenzieltjes! Je moêr zal er niets

verdachts aan ruiken, want ze is zoo kippig als ze bijziend, zoo

bijziend als ze blind en zoo blind als ze scheel ziet.

SATAN. Ben je vergeten, Snuf, dat we haar daar vorige kerstmis al op

vergast hebben, toen het ook zoo slecht stond met de zielevangst?

SNUF. (Zucht:) Als de stomme dieren niet aan het blaffen en miauwen

waren geslagen, toen ik den zak boven de vlammen leegschudde, had ze

het nooit gemerkt!

SATAN. Zij? Zij merkt alles, Snuf! Ik ben nog nooit zoo’n wantrouwende

tooverkol tegengekomen als mijn eigen moêr! En denk je, dat ik er

aardigheid in heb, achter honden en katten aan te zitten?

Menschenzielen moet ik hebben, Snuf! Ouwe-wijvenzielen, die kraken en

knappen in de vlammen en, al bruin geschroeid van alle kanten, nog

schelden en kijven! Vrekkenzielen, rammelende geldbuidels, waarin we

naar klinkend en blinkend goud kunnen grabbelen, om onze duivelsche

schatkamer aan te vullen, Snuf! Dronkemanszielen, die in alle kleuren

branden van de spiritus, dat we er in de hel een vuurwerk aan hebben en

er nog wat overblijft om zelf het keelgat te spoelen; weet je nog,

Snuf?

Hans de Klokkeluider · 第 5 / 64 题