SATAN. (Steeds meer in vervoering gerakend; Snuf leeft alle
heerlijkheden met hem mee). Leugenaarszielen, kunstig aangelegde
doolhoven vol verborgen vallen en strikken, om aandachtig te
bestudeeren, Snuf, en er ons voordeel mee te doen! Moordenaarszielen,
druipend van warm, rood bloed, om er onze duivelskleeren in te verven!
Verleiderszielen vol jonge vrouwen! Kloosterzielen, groote taarten en
poddingen met.... surprises er in en gedrenkt in oude, fijne wijntjes!
En dan, Snuf, wat het moeilijkst te krijgen is .... kinderzieltjes!
Zielen van jonge menschenkinderen, geurige bloemen, vleeschgeworden
muziek .... Ai! Wat zou ik geven voor zoo’n jonge, warme, teere ziel
van een menschenkind! Wat zou ik geven, om die zachtkens te braden op
een klein vuurtje, er met mijn neus boven op te gaan zitten en er alle
zoete geuren van op te snuiven ....! (Hij zucht. Dan, plotseling
vinnig:) Weet je wie ons het meest in den weg zit, Snuf?
SNUF. (Heeft zijn dierbaar fleschje weer aangesproken, stampt de kurk
in den hals.) Jawel. Je moêr. Ik wou, dat haar sloffen in het hellevuur
vielen, en ze geen tijd meer had ze uit te trekken.
SATAN. (Peinzend, gramstorig voor zich uitziend:) Ik bedoel mijn moêr
niet.
SNUF. Ik bedoel je moêr wel. Maar als jij je moêr niet bedoelt,
meester, zou ik wel eens willen weten wie je dan wel bedoelt!
Kerstmannetje soms, die likkebaard?
SATAN. Nou ja, die zal altijd onze doodsvijand blijven, Snuf. Tegen den
tijd, dat hij op komst is, worden de menschen zoo zoetsappig, dat ze
naar geen fatsoenlijk duivelswoord meer luisteren.
SNUF. ’k Wou, dat hij naar de weerlicht liep, hij en zijn
spullendrager, het grootste vod, dat ooit zich dienaar durfde noemen.
SATAN. Als we die twee nog eens in de hellevlammen konden zien dansen,
Snuf! Ik zou er duizend zielen voor prijs geven! Maar als we daarop
moeten wachten ....! Neen, Snuf, ik bedoel een ander, die ons ook
leelijk dwars zit en die misschien .... uit den weg geruimd zou kunnen
worden!
SNUF. (Nieuwsgierig:) En wie dan, meester?
SATAN. (Geheimzinnig, met opgerichten hoofde, als luisterde hij.) Een
schavuit met een bronzen kop, die knikkebolt en met zijn tong klapt,
Snuf.
SNUF. Ik zal me als een winteraardappel in den grond laten poten, als
ik weet wie je bedoelt, meester.
SATAN. (Grimmig:) Een onverbeterlijke zwetser, Snuf! Een lange
sla-dood, die met z’n kop in den toren hangt en z’n voeten beneden in
de kerk laat slieren. Luister, dan zul je hem hooren!
SNUF. (Zijn staart in de hand.) Die klok bedoel je, meester!?
SATAN. Die klok bedoel ik, Snuf. Die klok, die met haar vermaledijd
geklep de menschen er van terughoudt, hun zielen te verkoopen aan ....
den duivel. Die klok, die hun in deze dagen slag op slag vertelt: „De
Kerstman komt ..... weest braaf .... De Kerstman komt ....!” Of, als
het Zondag is: „Op, menschen, naar de kerk; het is de dag des Heeren;
legt alle werk thans neer; staakt al dat ijveren, dat slechts een ijdel
doel heeft; ’t is Zondag; sluit nu de handen vroom ineen ....” Die
klok, die iederen avond wijd en zijd over de landen roept: „De avond
komt! De avond komt! Het werk is nu gedaan; thans is het tijd van
bidden. Bidt, menschen, bidt! Bidt voor je zaligheid, waakt voor den
duivel ....”—(Uitbarstend:) Vervloekt!
SNUF. (Grinnikt.) Meester, ik geloof, dat je gelijk hebt! Als we die
klok in onze macht hebben, zullen we zieltjes kunnen grabbelen als
appels na een najaarsstorm! Maar hoe krijgen we haar?
SATAN. De klokkeluider moet ze ons verkoopen.
SNUF. Ai! Die klokkeluider, Hans, is een brave Hans, meester! Daar valt
geen woordje mee te praten. Hij zal ons zijn klok niet verkoopen, voor
geen zak met goud en voor al onze duivelsche schatten niet!
SATAN. (Driftig, starend:) Spreek me niet tegen, Snuf! Te lang heb ik
het plan gekoesterd in ’t verborgen van mijn duivelshart; nu is het van
mijn giftig bloed verzadigd en wil de wereld in!
SNUF. (Kruipt tegen zijn meester aan. Met duivelschen blik
rondloerend:) Stil, ik weet misschien een weg, meester. Een achterweg,
die, kronkelend, toch recht het doel ingaat.
SATAN. Ik hou van kronkelwegen, Snuf. Wijs hem mij, dien kronkelenden
achterweg.
SNUF. (Fluisterend:) Cherchez la femme!
SATAN. (In spanning:) Ah! Wie bedoel je?
SNUF. Er is in de stad een herberg, meester ....
SATAN. „De drij Coninghen”?
SNUF. „’t Swaentjen”!
SATAN. Kasper’s herberg.
SNUF. En Kasper heeft nòg een zwaantje! Véél blanker dan het zwaantje
op zijn herbergsschild.
SATAN. Een dochter?
SNUF. Gaaike is haar naam!
SATAN. En die klokkeluider is verliefd op haar?
SNUF. De wereld is voor hem een zee, die hij Gaaike noemt! En daarin
tolt hij rond .... als een dronken haring. Als we ons netje goed
uitwerpen, zwemt hij er regelrecht in!
SATAN. Vertel op, Snuf, moet zij van hem ook zooveel hebben?
SNUF. (Wijsneuzig-schrander:) Als ik goed zie, is hij voor haar ....
een haring! Smaakt niet kwaad .... maar zalm smaakt beter!
SATAN. (Met voorpret:) Wie is die .... zalm, Snuf?
SNUF. (Grinnikend:) Herinner je je nog, meester, dat er vorige Kerstmis
een rijke sinjeur in een koets door het stadje getrokken is?
SATAN. Was het geen graaf, Snuf?
SNUF. In elk geval heeft men het gedacht, en dat is voldoende voor
onzen .... kronkelenden achterweg! Geen mensch twijfelt aan zijn
graventitel. Op zijn koets stond een wapen; de palfrenier zei zus en
zoo en dat hij meer zei dan hij zeggen mocht ....
SATAN. (Peinzend:) Die palfrenier was nog zoo dom niet, Snuf. Neem daar
een voorbeeld aan. Spreek nooit in volle zinnen, breek onderweg je
woorden af .... de wereld loopt vol ezels, die blij zijn, als ze er een
slot aan mogen balken!
SNUF. (Grinnikend:) Nu, die snuiter heeft in Kaspers herberg overnacht,
en toen hij den volgenden morgen weer in zijn koets stapte, heeft hij
Gaaike een kuske op haar kleine handje gegeven, en daarvan is dat malle
zottinnetje overstuur geraakt en ze is zich gaan inbeelden, dat een
graaf haar nog eens naar het altaar zal voeren om haar zijn hand en
zijn kasteel te bieden!
SATAN. Ik zie wel kronkelingen, maar nog geen weg, Snuf.
SNUF. Luister! Dien graaf, dien vreemden graaf .... laten we
terugkomen!
SATAN. Hoe wou je dien hier naar toe sleepen, Snuf?
SNUF. (Geheimzinnig:) Stil! Het is voldoende, als Gaaike maar dènkt,
dat hij komt! We schrijven haar een brief, een mooien brief .... met
een adellijk zegel er achterop!
SATAN. Aha!
SNUF. (IJverig:) „Lieve Gaaike! Een graaf komt je halen om je tot zijn
gravinnetje te maken! Ga in den toren, Gaaike, ga in den toren ....
hi—hi—hi! en zie naar hem uit ....!”—En dien brief steek ik vanavond
tegen den tijd, dat ze naar haar witgespreide bedje gaat, in den rand
van haar spiegeltje. Daar zal ze hem vinden,—want ze is een meisje!
Goed. Morgen gaat ze den toren in om naar hem uit te zien. Hans, de
klokkeluider, zit daar ook den heelen dag te koekeloeren, en hij zal
denken, dat Gaaike om hèm de driehonderdzevenenzeventig treden van de
torentrap is opgeklauterd! Intusschen laten wij onze beste koets keurig
oplakken, blauw met goud, zetten er een kroon boven op, schilderen een
wapen op de portieren .... de verf zal nog nat zijn, maar de graaf, die
er in zal komen te zitten, is toch ook nog niet droog achter de ooren
wat zijn graafschap betreft!
SATAN. Snuf, je bent een schrandere bol. Wien nemen we als koetsier en
als palfrenier?
SNUF. Daar nemen we Lummel en Rakker voor. Die hebben zich, voor ze bij
ons in dienst kwamen, bij graven en baronnen rijk gestolen en dus goede
manieren verworven. We trekken hun een livrei aan, een beetje lang van
snit, dat hun staarten niet zoo aan het licht komen. Nu, de koets rijdt
op een teeken van ons recht op de stadspoort aan. Daar boven in den
toren wordt ze opgemerkt; Gaaike ziet haar brief bewaarheid; Hans is
jaloersch, en met iemand, die jaloersch is ....
SATAN. .... heeft de duivel makkelijk spel! Snuf, breng me pen en inkt!
SNUF. Ik vlieg, meester! (Hij trekt aan de schel der helle, bonst ten
overvloede met een vuist op de deur.) Open! Doe open!
HELLEWACHTER. (Opent het tralie-venstertje in de deur. Gegil en
gekrijsch dringt weer naar buiten door. Fel-rood licht beschijnt den
woesten duivelskop van den hellewachter, die zich in het bezit van
ferme horens, slagtanden en groote, rollende oogen verheugt.) Wat moet
je, schrale sprinkhaan?!
SNUF. Pen, inkt, briefpapier met lak en tondeldoos, vette galblaas!
HELLEWACHTER. Waar moet het voor dienen, schobberig scharminkel?
SNUF. Vraag dat aan je grootje, gemest varken!
SATAN. Stil!—Zeg maar, dat ze het boeken onder „Zielevangst”!