EERSTE TAFEREEL

(Voor de poorten der Helle.)

(Alom ligt sneeuw. Het loopt tegen schemeren. De hel is een rots,

waarin een zware, dubbele, met ijzer beslagen deur is gebouwd. Boven de

deur een groote, ijzeren lantaren met rood perkament. In de deur zelf

bevindt zich een klein tralievenstertje,—thans gesloten. Naast de deur

een schelring aan een lange staaf.)

(Als het scherm opgaat, staat Snuf, een schrale, roodharige

duivelsdienaar, trappelend van kou voor de dichte deur. Hij heeft zijn

handen tot aan de polsen begraven in zijn broekzakken, de schouders

hoog opgetrokken. Ook zijn blauwe neus en wangen en zijn roode oogleden

verraden, behalve een zekere genegenheid voor spiritualiën, de barre

koude, waaronder Snuf te lijden heeft. Zijn neus mag men zonder

overdrijving een wipneus noemen. Hij draagt een bont, gelapt manteltje,

een spits mutsje; uit zijn jaszak steekt een jeneverkruikje zijn

rood-gelakten hals te voorschijn. Verder verheugt Snuf zich in het

bezit van een soort duivelsgitaar met driehoekige kast, die hem om den

hals bungelt. Achter aan zijn broek draagt hij een staart, die ook de

trots van een koe had kunnen uitmaken. Overigens uit zich het

duivelsche in hem vooral in de bewegingen en stembuigingen.)

(In de verte luidt een torenklok.)

SNUF. (Klappertandend:) Brrrrrrr! Brrr! Brrrrrrrrrrr! (Hij tast met van

koude onzekere hand naar zijn fleschje, ontkurkt het met zijn

verkleumde vingers, gooit een slok in zijn keelgat, slaat dan vinnig de

kurk weer in den flessche-hals en bergt het dierbare vocht in den zak.

Gromt van welbehagen. Dan springt hij vlug van de deur weg, alsof hij

een schop gekregen had: in de hel dreunt een zware slag. Maar zonder

aarzelen huppelt Snuf weer op de deur af en gluurt door het sleutelgat,

waarbij op zijn zitvlak een ferme lap te zien komt.)

Alle duivels, het gaat er daarbinnen in de hel zoo heet van langs als

het hier buiten om dood te vriezen koud is! Brrr! Zoowaar als ik Snuf

heet en een heuschelijken duivelsstaart heb (tast zonder om te zien

naar zijn staart) en een stiefkind ben van zeven duivelsgrootvaders, ik

ben blij als een kind, dat ik niet mee naar binnen ben gegaan, want

Satan wordt door zijn lieve moêr met een ziele-vork op de hielen

gereden! (Weer dreunt daarbinnen een slag; Snuf vliegt met groote haast

achteruit, maar springt meteen ook alweer naar het sleutelgat en geeft

een soort klappertandend gegiechel te hooren.) Padden en schorpioenen,

zoo nijdig als ditmaal is ze nog nooit geweest, die oude, rammelende

zwavel- en salpeterfeeks, zelfs niet de vorige Kerstmis, toen we toch

ook in een week tijds geen zieltje konden machtig worden! Wat zul je er

aan doen? ’t Is nu eenmaal niet het goeie seizoen! (Hij springt bij een

zwaren slag daarbinnen in de hel weer haastig achteruit.) Ai! Oei!

(De deuren van de hel vliegen wijd open, en een fel rood licht slaat

naar buiten in de schemering. Satan vlucht de hel uit, achtervolgd door

zijn krijschende moêr, die bij de deur in dreigende houding staan

blijft, in de eene hand een ziele-vork, in de andere een pook. Heur

grijze haar hangt in sprieten voor haar vergrijnsd heksengezicht met

den grooten mond, waarin zich nog een enkele tand vertoont. Haar hoog

opgesjorde rokken onthullen magere, bottige beenen. Satan is gentleman.

Hij draagt een langen, in een punt eindigenden mantel, van buiten

zwart, van binnen gekleurd als de buik van een vuursalamander; lange,

puntige manchetten, hooge kraag met witte kanten das, gepoederde

staartpruik, kleine horentjes op zijn grauw-witten duivelskop, onder

zijn jas een duivelsstaart, iets meer verzorgd dan die van zijn

dienaar. Uit de hel davert geloei en gegil, dat het begeleidend orkest

vormt voor het snijdend-krijschende solo van Satans-moêr.)

SATANS-MOER. Er uit! De hel uit! Er uit! De hel uit en er niet meer in!

SATAN. (Stormt op Snuf af en verbergt zich achter hem.) Snuf, sta me

bij: ze is razend geworden!

SNUF. (Zoekt op zijn beurt weer haastig dekking achter zijn meester.

Dan dapper:) Wees niet bang voor haar, meester! Sla er maar op, dat

haar botten kraken! (Steekt achter Satans rug zijn tong uit.) Ga je

weg, ouwe tooverkol, kromme pook, kikkerdril?!

SATANS-MOER. Kom hier, adderbroedsel, ik zal je villen, kerven,

krabben!

SNUF. Kom jij hier, knokige nachtmerrie, als je er het hart toe hebt!

Ik zal je neus splijten en je ooren afbijten en je oogen uitkrabben en

je in rauwe azijn gooien! Serpent!

SATANS-MOER. (Krijscht haar woede uit, laat pook en ziele-vork vallen

en maakt met haar magere armen bezwerende gebaren in de lucht, waarbij

ze haar grijpvingers met de lange nagels kromt en een heksenwijsje

gilt:)

Vlammentongen, hellevier,

Roet en zwavelstank....kom hier!

SNUF. (Krimpt door haar bezwering onder hevige pijnen ineen.) Sta me

bij, meester, ze wil me betooveren! Au! Ai!

SATAN. (Met bezwerend gebaar:) Brabbasjka!

Hans de Klokkeluider · 第 4 / 64 题