--Gij hebt Francine nog lief. Houd uw mond toch! Denkt ge dat ge

mij met den bombast van een "Ik verbied u zoo te spreken" zult

afschepen? Dan kent ge de duivelsche koppigheid niet van iemand,

die, met een heilig geduld, drie volle maanden geluisterd heeft

zonder antwoorden en nu mordicus antwoorden wil. Ik vergeef u dat

gij haar ooit lief hebt gekregen. Ik kan ook aannemen dat die liefde

diepe wortelen in u heeft geschoten en dat enkele behandelingen

van Francine indertijd daaraan niet vreemd waren. Maar wanneer

zich dit kind in u had bedrogen, en gij aldus door haar bedrogen

werd, wat hebt gij gedaan om u naar de eischen van Gods wil te

schikken? Niets--niets! .... Integendeel, ja integendeel! Gij zijt

u gaan inbeelden dat gij een slachtoffer waart--slachtoffer van

wat? Slachtoffer van wie?.... Zwijg, ik hoor uwe opwerping, en den

naam, dien gij niet durft uitspreken, ik zal hem u toesmijten, want

ik wil u ten voete uit leeren kennen, geheel en àl! Sörge! Uw gansche

lijf roept me: Sörge! Ik laat den naam nu in uw geest vallen--wat

zegt uw geest?--Maar kerel, ge zijt bang voor uw geest, en gij voedt

den worm, die uwe gedachte verwoest, gij voedt hem met waanzin. Het

is dus noodig dat mijne rede beproeft te wekken, wat van de uwe

nog overblijft. Ik kan Sörge's naam zonder verontwaardigd lyrisme

uitspreken. Het is nochtans zeker dat eene onredelijke antipathie

mij van Sörge scheidt. Ik begrijp den jongen niet goed. Hij is mij te

duister, wat zooveel is als te sterk. Mij echter, niet hem, hoef ik

behoorlijk te kennen. En met een gerust geweten mag ik u verklaren dat

gij noch zijn noch iemands slachtoffer zijt. Het is te gemakkelijk u

als martelaar uit te geven. Gij zijt geen overwinnaar; maar meen daarom

niet dat de palm der martelie u meer past dan de lauwerkrans van den

zege. U past eene bescheiden voorzichtigheid in de bewerking van uwe

voornemens en den uitvoer van uwe begeerten. Het wordt dringend noodig

dat ge een helder zicht krijgt op de beperktheid van uwe menschelijke

waarde en op de billijkheid van uw menschelijk betrachten. Simon, open

eindelijk op eigen zwakheid de oogen en gij zijt uit uwe wanhoop gered!

--Mijne wanhoop....

--Wat wilt ge me toch altijd onderbreken?

Pastoor Doening sprak zeer heftig en zijne stem had meermaals

ongemeen-scherpe tonen. Dat geweld overrompelde Simon, die weldra

geheel ontredderd toeluisterde. De oude Doening hernam:

--Gij had Francine lief en enkele betreurenswaardige toevalligheden

hebben u in den waan gebracht dat ook zij u liefhad. Gij moogt zeggen

dat ik een blinde ben, maar gij kunt niet tegenspreken dat omtrent de

liefde van Francine voor u geen de minste zekerheid werd gegeven. Een

paar verdachte teekens van genegenheid hebt gij vergroot of ontaard,

en dàt was dan de machtige stelling, waarop ge uwe toekomst gingt

bouwen. Het stond u vrij zulke zwakke vesten te kiezen, maar het

wordt dwaas als gij, omdat ze instorten, de gansche wereld aan het

haten gaat. Juffrouw Verlat beminde u niet, en dat was ook zoo best.

--Maar gij zelf....

--Als 't u belieft! Ik zelf, ja, heb gedaan wat ik kon om zulk huwelijk

te voorkomen....

--Doening!

--Als 't u belieft! Als 't u belieft!.... Ik heb ook een oordeel,

zou ik denken? Ik deed wat ik kon om de zaken te verhelpen. Het meisje

was niet geschikt voor u. Ik wil haar niet verminderen in uwe oogen,

dat ware haar vernederen in mijn hart, want gij weet, dat ik haar

evengoed als gij liefheb. Ik beweer dat zij niet geschikt is om u

gelukkig en haarzelve door u gelukkig te maken. Ik heb haar niet in

Sörge's armen gedreven--de Hemel verhoede mij voor zulke misdadige

inzichten--maar ik wist wel dat ik, uit beider oogpunt, verkeerd

zoude handelen, met haar in de uwe te drijven. Mijne krachten--ik

spreek er van, schoon zij al te bescheiden zijn--reikten dus niet

naar een huwelijk tusschen Francine en u. En zij deden wel.... Neem

om de liefde Gods een fosfoorstekje: uwe sigaar is dood!

Pastoor Doening stak zelf vuur aan om haar weer in 't leven te roepen.

--En, vervolgde hij, daar ik een huwelijk van dat slag voor een nest

van kommer en ellende hield, heb ik zeker, mits al de voorzorgen

eener beleefde kieschheid, juffrouw Francine's oogen geopend op de

ijdelheid van hare eigen gevoelens jegens u. Ja, dat heb ik. Ge hebt

nu schoon uwen kop te schudden en met een vermetele monkeling alles

te logenstraffen, wat ik hier zeg--heb ik gedaan, Simon, wijl mijn

geweten.... Waarom lacht gij, kerel?

--Ik zwijg, ik moet mijn bek houden....

--Ik spreek in ernst. Kortom: iedereen rond u heeft een helder zicht

op uwe zaken, en gij blijft in het donker dwalen. Gij kamt uw eigen

ongelukjes op, om er geheel uwe toekomst mede te verschrikken. Ge

hebt feitelijk een spook uitgevonden en gij laat het over uw leven

schaduwen. En daar is niets echts in dat alles, niets werkelijks,

behalve dit eenige, waar, op slot van rekening, de geheele historie

op uitdraait: 'n paar blauwe schenen!

De losse houding, welke Peter ineens had aangenomen, licht knikkend

en glimlachend soms, had pastoor Doening eenigszins uit zijn schik

gedreven; en de afdoende welsprekendheid, waarop hij zoo zeer rekende

om Simon definitief op te beuren, liep nu groote gevaren. Hij

had gehoopt dat hij, met Simon's eigenliefde aan te vallen, een

voordeelige reactie zou wekken op zijne doodelijke gelatenheid. Daar

moest hij voorloopig van afzien. Het koude scepticisme van Simon Peter,

verlamde, eer ze hem aanraakten, de lieve warme woordenkeus van den

ouden pastoor.

Een edelmoedig geduld kwam den goeden man sterken. En hij hernam,

nieuwen moed scheppend in versche geuten van liefde en nieuw vertrouwen

in den aangroeienden drang van volzinnen:

--Indien het u mocht klaar worden hoe innig ik en anderen naar uwe

moreele herwording trachten, mijn kind, voorzeker zoudt gij met

schoonere aandacht luisteren naar mij--naar mij, die de gezonde

waarheid ophef tegen de leugens, die u verteren. Gij hebt uw leven

tot eene ziekelijke, tot eene verdorven leugen gemaakt. Die leugen,

gij hebt haar verleidelijke vormen gegeven. Zij bekoort u, zooals het

zilveren water, met zijn eindeloos-wenkend geklots, den zelfmoordenaar

kan bekoren. Zij gelijkt wel op de verderflijke deerne, waarvan

Salomo in zijn spreuken gewaagt: hare lippen zijn zoeter dan de

gouden honing, maar de nasmaak is bedwelmend als absinth--en hare

voeten reiken tot in den dood. Simon, gij zondigt eerstens tegen

u zelven. Gij eerbiedigt de ziel niet, die God aan uw vergankelijk

lichaam heeft toevertrouwd, en gij lastert Hem, ja, gij lastert Hem,

wanneer gij, in zijn aangezicht, uw eigen wezen misprijst.

Zachter sprak hij:

--Zult gij langer de schoone vermogens van leven in u verwaarloozen

en aan eene slordige nalatigheid overgeven de zeldzame tresoren, die

moeten opgaan ten hemel, in pracht? Gij moogt het niet, jongen. Maar

neem aan dat gij voortaan al wat is en komt van u, bij machte zijt te

verachten. Ik neem eene sekonde deze afschuwelijke monsterachtigheid

aan. En dan vraag ik u, Simon: zijt gij alleen, en gij, die thans

iedereen verlaat, zijt gij door iedereen verlaten? Hoe blind zijt

gij! Ik zou het scherper kunnen zeggen.. waarlijk....

Zachter, zachter vielen de woorden in den avond.

--Ik zeg--blind, mijn blind kind, mijn arm blind kind!

Vermoedelijk was het Simons, herkomen ernst, die hem tot goede

volharding aanzette. Althans zag hij met genoegen hoe het gelaat

van zijn jongen vriend in eerbiedige aandacht opkeek, en hij verborg

dankbaar zijn gulden blijdschap.

--Och! ik heb u zooveel te vertellen, en het verwondert mij dat ik

nu daarmede zoo'n moeite heb. Het eene gedacht verdringt het andere,

en mijne tong is lui geworden. Simon, zijt gij al niet overtuigd

van wat ik te vertellen heb? Spaar mij een nutteloos en pijnlijk

geweld. Ik verzeker u: gij hebt dierbare plichten jegens u, jegens

u, schepsel van God, en jegens ons, jegens uwe ouders, jegens uwe

vrienden, jegens mij.. Gij begrijpt mij wel, en ik hadde u nog een

tijdje aan uzelf overgelaten, indien mij iemand aan de vaardigheid

van uw begrip niet had doen twijfelen. En ik twijfel inderdaad,

nu ik u daar zie, nu ik uw verslensd aangezicht zie en uwe oogen,

die met eene gevaarlijke strakheid uitblikken. Het is me of ge uit

eene eeuwige helle blikt.... zoodat ik twijfel. Uwe moeder--

--Ik....

--Een enkel woord nog. Uwe moeder kwam gisteren bij me. Ze heeft

mij dingen gezeid, dingen, beste jongen .. enfin! Maar weet ge ten

minste dat ge onmenschelijk wordt? Uwe moeder is bang voor u. Zij

kan 's avonds niet meer inslapen. Hare nachten zijn rusteloos. Ze

loopt naar uw kamer, waar ze uwe angstige stappen hoort. Ze vreest

het ergste. Meer nog: zij doet haar eigen kind ongelijk aan, want

bekend heeft ze me, Simon--ze heeft me bekend, dat ze voor een ongeluk

vreest. Ge koopt wapens, zegt ze. Ge leert met pistolen schieten in

den tuin. Een zwaar revolver heeft ze in de lade van uwe nachttafel

gevonden. Wat moet dat alles beteekenen? En ge werkt niet. Ge hebt,

sinds ge weer thuis zijt, niet eens de deur van uw atelier geopend. Het

wordt tijd dat ge u herpakt en dat ge bewust wordt van de schrikkelijke

ontaarding waaraan, binnen u, eene kleine ontgoocheling aanleiding

heeft gegeven.

Simon Peter kon nu aan het woord geraken. Hij sprak met de kalmte van

iemand, die uitgenoodigd wordt te spreken over wat hij sinds weken

en maanden moe is te overpeinzen. Hij verwonderde Doening meer dan

hij hem zeer deed. Hij zei:

--Niets van wat gij deedt of zeidt, zal ik van mij weren of

tegenspreken. Ik ben voor me zelf een scherpere tegenstander geweest

dan gij. Daarom heb ik geglimlacht, toen ge beweerdet dat ik u met een

"Ik verbied u alzoo te spreken" op het lijf zou vallen. Overigens weet

ik dat uwe verklaring omtrent een in stilte ontworpen huwelijk van

Francine met mij niet anders is dan eene vriendelijke logen. Ik ben er

u dankbaar voor, maar ge ziet het: ik kan er mij ongelukkiglijk niet

laten bij beetnemen. Mijn beste Doening, geloof me: uw troosten en

opbeuren en verwijten, 't is al boter aan de galg. Nu ben ik, dunkt

me, brutaler dan gij u voorgenomen hadt te zijn jegens mij. Het is

noodig. Ik heb veel geleden....

--Kom! Gij zijt een leerjongen in het lijden!

--En vergeefs zult gij trachten mij te bedriegen. Ik heb mijn eigen

heel nauwkeurig onderzocht en ik mag u wel zeggen dat ik, schoon

een leerjongen, veel, héel veel geleden heb. Daarom hoef ik mij

niet voor een martelaar te houden. Dat doe ik niet. Gij zegt dat ik

het doe, omdat gij denkt dat ik, in den grond, niets anders dan de

opoffering van mijne liefde betreur. Gij hebt, omtrent mijne liefde,

de zonderlingste opvatting en de onrechtvaardigste tevens. Ik heb

Francine liefgehad, toen ik de mogelijkheid van een huwelijk niet

durfde inzien. Lang zelfs was ik overtuigd dat zij nooit mijne vrouw

kon worden. En ik had haar lief, en mijne liefde was zuiver. Dees kan u

helpen om te begrijpen dat mijne liefde, in vrede, het onherroepelijk

verlies van Francine aanvaarden kan. Versta mij niet verkeerd. Ik

geef mij niet voor een held uit. Omdat ik geen held ben, omdat ik

menschelijk ben (niet onmenschelijk, pastoor!) menschelijk en zwak,

daarom juist heb ik zoo veel geleden. Ik zal u niet verbergen dat,

toen men mij het huwelijk met Sörge aankondigde, ik geheel door een

onzeggelijke wanhoop werd aangepakt. Ik verberg u niet dat mijne

vrijlating mij seffens een last werd en dat, ja, de Dood mij in de

oogen heeft gekeken. God had mij verlaten en ik zoude gestorven zijn,

ware daar niet een liefderijk geluid gekomen uit het hart van mijne

moeder....

--God?.... En gij zegt, dat Hij u verlaten had!

--Ik was zóó ellendig, Doening!.... Maar ik heb de koude vingeren, die

op mijne hersens wogen, weggedreven, en toen mijn geest weer vrij was

geworden, ben ik gaan denken, gaan denken.... Ik heb gedacht zoo, uren

aan uren, dagen aan dagen, en 's nachts, en altijd. Ha! gij noemt dat

een mopje van blauwe schenen? Gij zijt een akelige grappenmaker; maar

ik vergeef u gaarne, omdat uwe inzichten edel zijn. Ten minste zult

gij nu weten hoe akelig gij u hebt voorgedaan. Mijne gepeinzen zijn

vlammen geweest, waarmede ik duizendmalen mijn wezen heb gekastijd. En

dat wezen, mijn vriend, is in het vuur gelouterd, en het weet nu,

en het heeft nu een doel.

--Laat zien, laat zien.

--Hoop niet dat ik het u zal laten zien. Maar ik wil gaarne nog een

punt ophelderen dat gij aangeraakt hebt met troebele woorden.

--Wat bedoelt ge met dat "troebele," mijn jongen?

--Waar het begrip vaag is of geheel duister, moet het woord op zijn

minst troebel zijn, en dat was bij u het geval. Gij hebt den naam van

Sörge als een mysterie uitgeroepen. Gij hebt gemeend dat ge, met dien

verdoemden naam, een bliksem van licht over mijn toestand wierpt. Och

neen! En waar ge mij een oogenblik als Sörge's dupe veronderstelt, doet

gij dien kerel waarlijk veel eer aan. Zijn slachtoffer is Francine,

zijn slachtoffer is Vere, en daarom is al wat ik tot nog toe door

mijne noodlottige liefde geleden heb, zoo goed als niets bij wat ik

thans lijde--bij wat ik lijde sinds ik de zekerheid heb opgedaan dat

Francine en Vere de slachtoffers van Sörge zijn. Tracht mij op dat

punt te ontnuchteren? Waarom antwoordt ge niet?

Er kwam eene stilte, waarbinst het zachte lamplicht roerloos hing

als een manestraal.

--Gij hebt niets te antwoorden. Gij voelt dat ik met beide voeten

vast sta in de waarheid. Sörge heeft Francine tot het wonderbaarste

aller monsters gemaakt. Geleidelijk en met een duivelsch geduld heeft

hij al hare ontwakende vermogens verdraaid of afgewend. Hij heeft,

met trage hoveniershanden, deze blonde bloem herleid tot nachtzwarte

roze en mij, die haar liefheb, herkent zij niet meer....

--Simon, let op!

--Is het een misdaad? Mag ik zelfs u niet zeggen dat ik haar

liefheb?.... Ha! gij hebt weer slecht gehoord: niet voor mij zoude ik

willen dat ze mij herkent; maar dat zij mij, voor haar zelve, niet

herkent, bewijst hoe diep en volkomen Sörge's satanische kunst haar

heeft bewerkt. Zij is geplunderd van al hare natuurlijke simpelheid

en door de ingewikkelde artifices, waarmede men haar heeft omwonden,

dringt haar geweten niet meer. Ach, Doening! gij, die me een blinde

noemdet, ziet gij niet dat Sörge voor eeuwig Francine heeft blind

gemaakt?

De pastoor zat met neergebogen hoofd. Zijne handen lagen zonder

beweging in zijn schoot. Wie zal ooit weten, waarom hem zoo plots een

broos beeld van licht door de hersens steeg en waarom hij Reinildeken

herdacht, het verre en verleden Reinildeken, staande in zoete zon,

nauw in haar spannend jurkje en kijkend met groot-ronde turkoos-oogen,

het eendere, het altijd eendere en onveranderde, het nooit verminkte

en verwende, het gelijke en dierbare Reinildeken?

Hij stamelde, zonder opzien, verlegen of verstrooid:

--De Hemel gunne dat gij overdrijft!

--De Hemel, wedervoer Simon, warm wordend, de Hemel kan zóo barmhartig

niet zijn! De Hemel duldt vampieren als Sörge, Doening; maar waarom

spaart hij de onschuld en de liefde niet, waarom wil hij zelfs Vere

niet sparen?

--Laster niet....

--Vere! het edelste aller harten, de mildste aller vrouwen, de rijkste

aller moeders! Haar ook heeft Sörge behandeld. Is het niet? Lieg

ik? Hij heeft haar met lange en kromme vingers behandeld, slinks en

van verre. Hij laat een vergift druppelen in haar leven. Hij bedwelmt

geheel haar huis, en dan komt hij zelf, dan nadert hij in persoon,

de gretige hartzuiger, en hij bezigt haar echtgenoot om haar te

treffen. En hij heeft haar getroffen. Ziet ge dat niet, gij? Ziet

ge niet dat Vere kapot gaat? En ben ik de blinde, ben ik, ik alleen,

de blinde?

Simon had nu met hevigheid gesproken en pastoor Doening had niet

geroerd onderwijl. Simon vertraagde zijne woorden en stilde zijne

stem. Hij hernam in effen rust, nadat hij de uitgedoofde asch van

zijne sigaar over den haard had uitgepoeierd:

--Toorn verwart de sterke gepeinzen en voorzichtigheid verlauwt ze. Me

dunkt, het beste is dat we beiden zwijgen. Maar ik wil niet dat ge

me langer voor een treurenden liefdewilg houdt, en daarom opende ik

uwe oogen op mijn grootste leed.

Een poos. Dan, heel stil:

--Mijn grootste leed, waaruit eene vrije kracht moet groeien.

En seffens was pastoor Doening opgesprongen. Hij stond daar bevend

en bleek. Hij reikte naar Simon zijne handen en, strak, keek toe,

rap vragend:

--Wat zegt gij? Wat zegt gij?

--Mijn goede vriend....

--Gij zegt daar iets.... Ik voel u, Simon. Niet redeloos overvalt mij

een doodelijke angst. Ik voel u. Ik weet wat gij wilt, en ik weet

dat gij beraden zijt en bereid. Maar ik, hoort ge, ik zal u in den

weg staan.. Gij moogt niet, en gij zult niet!

--Ik......

--Neen, geen uitleggingen baten, en geen beloften zullen

mijn wantrouwen bedwelmen. Het inzicht dat gij in eenzaamheid

gekoesterd heb, is reeds onvergeeflijk. De misdaad zelf zal ik.... O

Simon! Simon! hoe hebt gij uw geweten verkracht!

De oude Doka kwam heel ontzet binnen. Voor de eerste maal werd zij door

haren meester met eenige ruwheid behandeld. Hij bad haar om dadelijk op

te rukken. Ze bleef nochtans, en het was duidelijk dat zij iets zeggen

wou en niet spreken kon. Pastoor Doening fronste zijn wenkbrauwen.

--Nu, Doka? vroeg hij streng.

Hij wees haar de deur. Toen gelukte het haar een heesch geluid door

hare keel te stooten. Ze hoestte. Ze zei:

--Daar is mevrouw Verlat.... en ze is zoo--ze is zoo....

Mevrouw Verlat stond op den drempel. Peter ging snel naar haar toe. De

kamer werd stil en angstig, en, uit het schemerdonker, trad Vere

vooruit, onzeker en wankend. Ze stond nu in het rozige lamplicht. Ze

had een wijden mantel om, maar die hing open en slordig. Haar pelsen

kapeliene plooide onsierlijk over haar hoofd en natte haarlokken vielen

over hare wangen. Ze was door en door beregend. De kille Aprilwind

had het tipje van haren neus en de randen van hare oogen roodgebeten,

terwijl hare wangen en haar mond doodsbleek waren gebleven.

--God! dacht Doening, het groote hart stort in.

En, zijn hevige aandoeningen bedwingend, ging hij hare koude handen

nemen en vroeg hij, eene stille belangstelling gebarend:

--Wel, lieve mevrouw, wat brengt u zoo laat ten mijnent?

Hij bracht haar bij het vuur. Hij zei, daar ze werktuigelijk en

sprakeloos hem volgde:

--En ge zijt waarlijk nat! Ge zijt geheel nat! Ik wist niet eens

dat het regende. 't Zijn Aprilsche buien, men kan nooit weten hoe

't weder draait. Simon, hang die mantel ginds open over een stoel. En

uwe vingeren zijn gelijk ijs, mevrouw!

Hij vermoedde dat ze om wille van Peter zweeg. Hij zei heel natuurlijk:

--Simon, haast u naar de keuken en bereid er een flinken

grog. Wel! Wel! wat hebben we dees jaar een gure winter!....

Vere deed een klein teeken met de hand en toen sprak ze met lage,

vreemde stem:

--Neen, Simon mag hier blijven. Ik ben blij dat hij hier is. Ik heb

niet te veel te zeggen.

Ze bleef stijf zitten. Ze had over haar de gevoellooze strakheid van

een automaat. Hare woorden waren kort en hard. Ze kwamen uit eene

gebroken ziel.

--Rust wat, ik bid u, vroeg Simon, gij zijt zoo diep vermoeid.

Zij keek hem lang in de oogen. Ze zei:

--Gij, ge kunt mij fluks begrijpen. Maar ik ben nog niet vermoeid

en de rust.... wat is dat, rusten? Ik zal ook geen grog nemen,

pastoor. Ik zal niet lang hier blijven, geloof ik. Ik heb nog een

heele boel.... een heele boel te....

Soms viel hare stem, en de gedachte, onduidelijk geworden, werd dan

telkens niet geheel geuit. Pastoor Doening was zoo geschokt dat hem,

eer hij 't voelde, een dubbele geute tranen over de oogen vloeide. Zij

merkte 't niet. Ze had Simon's arm gevat.

--Luister eens, sprak ze, hoe ongelukkig ik ben. Ik kwam om 't alleen

aan den pastoor te vertellen, maar ik ben toch blij dat gij erbij

zijt. Ik heb een brief ontvangen dezen uchtend en daarin stond.... hoe

ongelukkig ik was. Ik vrees dat pastoor Doening zich niet goed kan

inbeelden wat liefde is--de liefde, bijvoorbeeld, van een man voor

eene vrouw, of van eene vrouw voor.... voor....

Het was een schrikkelijk schouwspel, die vrouw zonder gebaren,

die stem zonder schakeeringen en dan die invallende zwakheden der

gedachte. Pastoor Doening bedwong nochtans het geweld van zijn

medelijden.

--Ik weet zeker niet geheel wat liefde is, antwoordde hij zachtjes,

ik ken er de blijdschappen niet van. Ik bid u, laat de tegenspoed u

niet verwoesten. De liefde--zij draagt een zoo schoonen naam!

--Ja, zei Vere, een schoonen naam .... In den brief stond dat Ernest

mij verachtte en dat hij de slaaf was geworden van ik weet niet meer

wie--eene verlaten maîtresse van Rupert .... Ge zwijgt alle twee. Ge

wist dat dus alles, eer ik het wist? En geen van u heeft de bedrogen

Vere verwittigd. Zoo komt deernis het bedrog voeden ....

Pastoor Doening viel haar bevend in de rede.

--Gij zijt niet wel, mevrouw. Gij zegt al die schrikkelijke

dingen met eene kalmte, die nog veel schrikkelijker is. Niets is

onwaarschijnlijker dan wat ge zegt. Gij ziet hoe hevig mij uw bezoek

ontzet ....

--Ik zie, hernam Vere, hoe zeer u mijn bezoek ontzet. Ik heb dus den

brief ontvangen, en ik heb er gelezen hoe Ernest de verderflijke

wenken van Sörge had gevolgd, en hoe hij mij verliet--want mijne

liefde liet niet toe dat ik het door eigen oogen vernam--en hoe die

vrouw is, en leeft, en zich noemt, en hoe, eindelijk, ik zelf mij

van dat alles kon overtuigen, mits dezen avond nog, na negen uren,

op de Kortenbergsche laan, nummer .... nummer .... och God!

Simon keek somber en verborg zijn woesten blik onder zijne neergeduwde

wenkbrauwen.

--Wie schreef den brief? vroeg hij.

Maar pastoor Doening had zich naast Vere neergezet. Hij bestreelde

hare koude handen. Hij overpraatte de slechte vraag van Peter.

--Wat een leelijke brief, deed hij voorzichtig, en hoe heb ge daaraan

het minste geloof kunnen hechten? Kom, mevrouw, ge heb waarlijk veel

rust noodig en ik wil ....

--Ik wil voortvertellen ook, pastoor, zei Vere. De brief was inderdaad

onedel genoeg, en ik verzeker u dat ik niets geloofde, ofschoon

.... Maar ik geloofde niets. Rond zeven ure kwam Ernest thuis. Hij

was zeer vriendelijk met me. Hij is overigens, sinds een heelen

tijd, veel vriendelijker dan vroeger. We dineerden saam. Kwart vóór

negen zei hij dat hij weg moest. Het diner was zeer hartelijk, hoewel

Ernest geen eetlust had, en ik bad dat hij thuis zou blijven. Ik bad,

en dan, ja, voor het eerst, gebood ik. Hij vond 't heel vreemd. Ik

had hem willen toeschreeuwen dat hij verraden was, dat hij blijven

móest. En daarom gebood ik. Hij werd niet barsch nochtans. Hij stond

recht en hij vertrok .... En tot half tien wachtte ik, en toen liep

ik de straat op. Ik vond het huis van de Kortenbergsche laan. Ik

schelde. Ik ging eerst heel schuchter binnen en gaf den brief af aan

een bode. Ik zei simpellijk: voor mijnheer Verlat, en dat ik op een

antwoord wachtte. De bode ontving de boodschap, alsof mijnheer Verlat

zijn eigen meester was. Hij ging langs een duister vestibule zonder

te merken dat ik hem volgde. Ik hoorde een schoonen vrouwenlach en,

tot driemaal de stem van Ernest--driemaal heel duidelijk: "Allons,

Milly!" Eene breede deur werd opengeduwd en, in een vloed van licht,

achter een tafel met vruchten en wijnen, zoo vond ik ze....

--Mevrouw! mevrouw! ....

--Hij zag mij nog niet. Hij aanvaardde den brief, las, sprong recht

al vloekend, en ineens, stond daar vóor mij, vóor mij, en hij deinsde,

en hare stem .... hare stem .... ik weet niet goed ....

Pastoor Doening vond geen troost en Vere's handen bleven koud in de

zijne. Hij prevelde aldoor:

--Mevrouw! .... mevrouw! .... mevrouw! ....

Vere was trager geworden. Langer vielen hare stemklanken. Het

scheen dat ze geweld deed om de weerspannigheid van haar geheugen te

bemeesteren. Ze sprak nog:

--En toen ik weg was geloopen, wist ik dat hij me op de hielen

zat. Maar hij heeft me niet ingehaald, en ik ben nu hier .... Ik heb

nog een boel te doen, en niemand kan mij helpen .... niemand kan mij

.... helpen .... kan .... mij .... helpen .... tot .... tot ....

Simon stond recht. Hij stak een forsche vuist in de hoogte en riep:

--Als er een God is daarhooge, Doening--

--Ssjt! .... ssjt! .... deed zoet de pastoor, en hij wees naar Vere

die tegen zijn schouder was neergezonken.

Ze sliep. Haar gelaat lag onder de blonde kamerklaarte. Het was nog

even strak en schijnbaar rustig als te voren, maar op hare wimpers

zwollen gestadig tranen tot een vloeibaar parelsnoer saam.

IV.

MORGENBEZOEKJES BIJ FLORJAN PACÔME.

Mijnheer Florjan Pacôme was niet gewoon vóor tien uren zijn bed te

verlaten. Een mondain kunstenaar, die wijders eene pornografische

aestetiek voert, heeft nachtelijke verplichtingen welke hem boven den

gemeenen man verheffen en hem van zijne eigen slaapkamer verwijderd

houden. Mijnheer Florjan Pacôme steeg gewoonlijk uit Morpheus' armen

tegen halfelf, en dat deed hij dan met beladen oogen, een verstopten

neus, een schorre keel en een zoo verwarde haarpruik, dat hij er een

wonderlijk Aztèk-uitzicht bij kreeg.

Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven · 第 30 / 35 段