mijnheer du Bessy, die hem wekken kwam, en dat zal niemand verwonderen,
daar men weet hoe dikke vrienden deze elegante erotiekers geworden
waren. Nadat mijnheer du Bessy zijn voornamen vriend luidkeels uit
zijn slaap geroepen had, gaf de genadige Florjan dadelijk lucht aan
zijne heerlijke ziel. Deze ziel, wanneer haar aldus vroege lucht werd
gegeven, placht zich telkens in een vloed van scheldwoorden uit te
laten. Zooals de uchtendstond goud heeft in den mond,--had Pacôme
drek op de lippen.
--Abruti! Andouille! Constipé! Salop! Crapule!...
De weelde van zijne uitboezemingen was alleen geëvenaard door
het overdadig geduld, waarmede La Flèche, de knecht, ze iedermaal
aanvaardde. Ze gingen nu per abuis naar het adres van den ouden
baronet, die verstandig genoeg was om ze als eene geestigheid te
bejegenen.
--Ge zijt wel vriendelijk, zei hij herhaaldelijk.
De ronde haarbos van Florjan Pacôme rees uit de hoofdkussens
te voorschijn en zijne handen kropen gelijk spinnekobben over
de dekens. Hij herkende mijnheer du Bessy en veraangenaamde de
kennismaking met een heesch-krijschenden lach, dien hij weldra
onderbrak om te geeuwen. Toen liet hij zich door La Flèche in een
broek en een kamerrok steken. Vóór de toilettafel gezeten, waar
borstels en kammen seffens onder malkander wedijverden om aan zijn
kop een algemeen-beschaafd figuurtje te geven, vroeg hij aan du Bessy
wat de gelukkige oorzaak van een zoo vroeg bezoek mocht zijn.
--Ik wandelde hier voorbij, antwoordde de oude dandy, en ik ben
werktuigelijk binnengeloopen. Het is thuis niet prettig, moet ge
weten ....
--Toch niets gebeurd?
--Ik weet niet. Ik ben niet op de hoogte. Maar er is zeker iets
gebeurd, of er moet iets gebeuren. Mevrouw werd eergisteren naar huis
gebracht door Doening en Peter, en zij ligt te bed. Ik mag er niet
bij. Ik weet niet eens of 't gevaarlijk is. Ze is al maanden niet
wel ook; dat heb ik lang gemerkt ....
La Flèche had het haar van Pacôme met een halve flesch Cologne
overgoten en friktionneerde nu met onmeedoogend geweld. Pacôme kon
onder 't schudden en wrijven een woordje plaatsen:
--Verdomd! .... Ge moet daar .... daarnaar uit .... uitzien!
--Wat heb ik te zien? Ik heb me in den laatsten tijd, moet ik zeggen,
zoo wat uit het huis geboemeld. Ik hoor niet geheel thuis meer .... Zeg
eens, Cologne deugt niet voor het haar. Bardain verkoopt een snoezig
Eau de Samson, dat ge gebruiken moet.
--Prends note, La Flèche!
--Doening is meer van den huize dan ik. Fran zie ik zelden, en
Ernest ....
--Ja, hoe neemt Verlat de ziekte van zijn vrouw op?
--Lugubre! Hij waart als een spook rond. Hij spreekt niet. Hij eet
niet ....
--Er moet wat op gang zijn ....
--Ja.
Florjan Pacôme kwam frisch en geurend uit de handen van La Flèche. Hij
vatte du Bessy bij den arm en leidde hem in eene kleine eetkamer,
waar een klein ontbijt hen wachtte. Ze dronken beiden een kopje
chocolade. Florjan, die een broodje met appelmoes besmeerde, vroeg:
--Was Ernest dan waarlijk buiten streek? .... Daar zit, dunkt mij,
de hand van Sörge onder. Eene onpasselijkheid van mevrouw Verlat zal
Ernest niet overhoop werpen, denk ik. Hebt ge niets over Sörge gehoord?
--Ernest zei me gisteren: ge hoeft aan Rupert niet te vertellen wat
hier omgaat. En daar ik vroeg: wat gaat hier dan om? snauwde hij me
toe dat ik er niets kon aan hebben. Mooi! .... Enfin, 't is daarginds
een onverdraaglijke boel geworden. Het spijt me voor Vere ....
--O ja!
--Ik hoop maar dat ze gauw weer te been is.
--Ja.
Ze zwegen. Du Bessy zuchtte. Pacôme hernam:
--Ge ziet er ook niet heel plezierig uit, ouwe jongen!
De ouwe jongen boog het hoofd. Het was duidelijk dat hem iets op het
hart lag.
--Du Bessy, riep Florjan, ge zit met muizenissen!
--Ik?
--Vooruit! In het licht daarmee! Ge kunt mij immers niets verbergen,
en uw tronie, ge weet het, is het uithangbord van uwe ziel. Geen
valsche schaamte, als 't u blieft. De grâce! Kom uit met uwe gedachten!
Het was voor du Bessy een ernstig oogenblik, te oordeelen naar het
bedenkelijk gezicht dat hij zette. Een nieuwe uitval van den bar-artist
bracht hem geheel in het nauw. Hij zei:
--Och ja! maar het zal wel zoo erg niet wezen. Ik hoop het beste,
hoewel dat zaakje mij verveelt. Er is kwestie van .... Kom! laat
het ongeroerd!
--Maar merkt ge niet dat ge wanhopig zijt? .... Biecht op! Kwestie
van ....
--Flor, ge zijt waarlijk onkiesch.
--Dat ben ik. Dat heeft Morganès me dezen nacht ook aangewreven,
en die is niet half zoo teergevoelig als gij. Toe! beken maar: daar
er kwestie is van.... Henriëtte?
--....
--'k Rook het. Ge zijt een uilskieken.
--Dank je!
Mijnheer du Bessy kon niet langer meer de uitlegging ontwijken. Hij
aanvaardde ze dus. Hij had overigens met geen ander inzicht Pacôme
opgezocht.
--Begrijp, zoo begon hij, begrijp dat ik niet jong ben; begrijp dat
mijne familiale betrekkingen van een aard zijn, die niet toelaat dat
ik de eerbaarheid van mijn naam aan 't zij eender welke avontuur
prijs geef. Ik begin allengs in te zien dat ik, moreel beschouwd,
niet heel zwaar weeg. Mijne jeugd was, onder dat opzicht, veel beter
dan mijn rijpe ouderdom. Het zou me algelijk spijten moest ik, door
grove euveldaden van liederlijkheid, aanleiding geven tot zekere
geruchten.. Kortom: ik mag geen schandaal verwekken.
--D' accord.
--Goed, maar als Henriëtte haar zin uitwerkt, dan komt er schandaal.
--Comprends pas.
--Ze heeft me gisteren toevertrouwd dat ze sinds twee maanden ....
Mijnheer du Bessy kon het woord over zijne lippen niet krijgen. Hij
teekende met zijn linkerhand een rond en vaag gebaar, en zag dan,
boven de walmen van de chocolade, Florjan's gezicht heel lang worden
over de holte van zijn opengevallen mond.
--Heê-ôe! vroeg hij, wat zegt ge daar?
Het aangezicht van mijnheer du Bessy liet genoeg verstaan dat alles
klaar en onherroepelijk gezegd was. Pacôme beet hem toe:
--Oude sloeber!
En, rechtstaande, heel luchtig, voegde erbij:
--T'es fichu!
Wat alles niet van aard was om den verslagen baronet op te beuren. Ze
zwegen een tijdje allebei. La Flêche kwam de tafel opruimen. De stilte
bracht in de kamer een ongemak, dat hoe langer hoe ondragelijker werd.
Pacôme had een sigaretje aangestoken. Toen ging hij vóor du Bessy
staan, wijd uitbeenend, en, de tabak luid oppaffend in de ruimte:
--De hemel heeft uwe liefde dus gezegend. Compliment! Wat zijt ge nu
van zin?
--Weet niet. Afwachten.
--Dat dacht ik wel. Ge zijt ook zoo vernuftig. Ik wed dat ik uw vroeg
bezoek te danken heb aan mijne eigen dienstige spitsvondigheid: ge komt
aan de deur van uw trouwen vriend Flor een gerieflijken uitweg bedelen.
--Ik verberg het u niet ....
--Neen, dat 's aardig, ventje. Gij, ge hebt familiale betrekkingen,
die niet toelaten... en zoo voorts. Gij, ge begint in te zien,
dat ge, moreel beschouwd, een schurk zijt--of hoe hebt gij 't
uitgedrukt?.... Gij, ge hebt eene fatsoenlijke jeugd geleid en
beleeft thans de grijsheid van een geilen sater--ik kan uw eigen
woorden niet zoo precies herhalen. Enfin, gij, ge zijt van edele
afkomst en ge moogt geen schandaal verwekken. En gij zijt du Bessy,
de mondaine en aristokratische du Bessy, le chevalier sans reproche,
le délicat poète, de fijnproever en minzame prater--kijk me aan! En dan
komt ge bij me. Aan een ploert van mijn soort moogt ge uw bloote ziel
wel laten zien. Ik ben geen Sörge, de onbereikbare, en geen Verlat,
de vlekkelooze. Ik ben maar Pacôme, de bordeelschilder. Ik heb nooit
met vroomheid aan mijne doode moeder gedacht. Ik heb nooit eene vrouw
liefgehad, die me door een ander werd ontnomen. Ik ben een levend
stuk hardvochtigheid, eene kruipende laagheid, een model-onmensch. En
gij komt natuurlijk bij me. Wat hebt ge misdreven? Eene kleinigheid:
een hart bedrogen, een geest onteerd, een lichaam bezoedeld. En wat
hebt ge van doen, o stier? Een os om de kleinigheid te dragen!--
Mijnheer du Bessy was onder den woordenvloed ineengezakt. Zoo had
hij Pacôme nooit gezien Hij. voelde zich laf en gekrenkt worden tot
in het diepste van zijn wezen. Hij kon niet rechtstaan.
--Gij walgt mij! schreeuwde Pacôme. Ik veracht u evenzeer als ik mijn
eigen veracht ....
Dan, koel, en met een droog lachje:
--Want gij hebt gelijk u in dezen nood tot mij te richten, en ik ben
eerloos genoeg om u de hand te reiken. Ik zal u dus helpen.
Daar de baronet geheel verbijsterd toekeek, herhaalde hij:
--Ik zal u dus helpen. Hoort ge niet? Ik help u. Ik breng u uit
deze modder, aan wal. Ge hoeft mij niet te bedanken. Een ploert mag
kosteloos de toevlucht van een edelman zijn.
Een automobiel kwam over straat aanronken en hield onder de vensters
stil. Pacôme vroeg:
--Ik zal Henriëtte aanspreken en dwingen. Hoeveel kunt ge aan eene
vergoeding besteden?
Mijnheer du Bessy's ziel verried nog eene uiterste rilling. Hij
stamelde.
--Kan dat zoo met geld?....
Hij dacht aan zijne beleefde liefde voor Henriëtte en aan den eed,
dien zij samen zoo dikwijls met zoenen en streelingen bezegelden. Eene
schaduw kwam over zijn hart.
--Wilt gij met verzen probeeren? lachte Florjan.
Mijnheer du Bessy zou gaarne geweend hebben. Het was hem of de
geheele wereld grof was geworden en zonder tuinen. Een trossel
bijtende ontgoochelingen kwamen plukken aan zijn leven en hij was
diep ongelukkig. Hij zond, in gepeinzen, aan Henriëtte een zoet en
laatste vaarwel, en zei dan:
--Tien duizend.
--Zet vijftien.
De baronet wilde nog beweren dat hij de som niet seffens beschikbaar
had, maar het stiet hem te heftig tegen de borst. Hij zweeg, stond
recht, plots gretig om vrije lucht te scheppen. La Flèche kwam aan
zijn meester een vizietkaartje overreiken.
--Ga-je weg? vroeg Pacôme.
Hij werd dadelijk daarop zoo bleek en seffens nadien zoo blauw-rood,
dat du Bessy naar hem toesnelde en hem bij de armen vatte. Pacôme
had het vizietkaartje laten vallen.
--'t Is al over, sprak hij heesch, wanneer zie ik u? Stoor u niet
aan me. Mag ik u morgen verwachten? Best. La Flèche zal u uitgeleide
doen. Au revoir!
Mijnheer du Bessy was weg. Pacôme viel neer op een stoel. Hij
begon met een geurend zakdoekje over zijn aangezicht te waaien,
ademde herhaaldelijk heel diep en ging toen vóor een spiegeltje zijn
haarkrullen in hun schik herleggen. Hij spande al zijn krachten in om
eene losse en zelfstandige houding te winnen, en hij was er nagenoeg
in gelukt, toen de salondeur werd opengeduwd.
Rupert Sörge stond vóor hem.
Pacôme zag dadelijk dat het bezoek noch vriendelijk noch beleefd
kon zijn. Hij veinsde nochtans dat hij daarvan niets zag en, gul den
bezoeker te gemoet gaande:
--Welk genoegen, beste Sörge, begon hij, u hier ....
Sörge trok de salondeur dicht, sloeg met een hoofdknik Florjan's
welkom af, en kruiste dan rustig de armen over zijn borst.
--Mijnheer Pacôme, zei hij, ik wensch van u uitdrukkelijk te weten
waarom ge, nu drie dagen geleden, een naamloozen brief aan mevrouw
Verlat zondt.
--God beware me, Sörge! Wat zijn dat voor verzinsels?
--Ik zal geen driemaal de vraag herhalen. Ik heb den brief op
zak. Verplicht mij niet hem u onder den neus te wrijven.
--Ik verzeker u, mijn waarde, dat ik uwen onzinnigen overmoed missen
kan. Wat wilt ge toch?
Sörge trad vooruit.
--Gij zijt een hartelooze booswicht, Pacôme! fluisterde hij. En ik
ben gekomen om u dat eens behoorlijk te zeggen. Ik wist dat ge mij
haattet; maar ik vond het min gepast om mij aan uw padde-haat gelegen
te laten. Ik wil den naam van haar, die hiervan de oorzaak is, niet
uitspreken. Uwe aanwezigheid zou hem besmetten. Om mij te raken hebt
ge niet geaarzeld de rust van een geheel huishouden te breken. Ge hebt
op de laagste wijze Verlat verraden en met oolijke schrifttrukjes het
verraad van u afgeschud om het op mij te werpen. Ge hebt niet bedacht,
domkop, dat deze oolijkheid juist den waren dader aanwees. Mevrouw is
doodelijk ziek. Ik zeg: doodelijk ziek, Pacôme. Ik houd u voor haar
leven aansprakelijk, Pacôme .... Hoort ge mij goed, Pacôme? Kijk niet
zoo angstig naar de deur. Het huis is ledig. Uw knecht zit met mijn
chauffeur in den kroeg .... Ge schelt? .... Onnoodig, laffe Pacôme!
Sörge was in stijgend geweld waarlijk schrikkelijk geworden. Pacôme
deinsde voortdurend achteruit, rugde eindelijk tegen den muur.
--Sörge! riep hij door bangheid 't roekelooze wagend, Sörge, ge
zijt een--
Hij werd ruw bij de keel gevat, voelde het bloed opslaan en zwellen
op zijn slapen, snakte hevig naar lucht. Nog hoorde hij, dicht op
zijn gelaat, de sissende stem van Sörge:
--Bid God dat Vere niet omkomt--versta-je? .... Bid God! .... Bid
God! ....
Een violet floers wentelde over zijne oogen en hij zonk in eene
lauwe lamheid neder. Hij zag niets meer. Een zacht geronk gonsde rond
hem. Groote zwarte gebaren spookten rond hem; maar ze zien deed hij
niet. Het waren breede bewegingen van een nacht die ondoordringbaar
was ....
Hij ontwaakte in een sofa. Hij kwam stil bij en blikte seffens in
de gezichten van La Flèche en juffrouw Henriëtte. Hij herkende ze
dadelijk. Hij opende zijn mond op een vloek, grommelde:
--Wat moet dat hier beteekenen?
En dan herinnerde hij zich. Hij schoot uit tegen den knecht en,
rechtstaande, overrompelde den jongen met een vlage van scheldwoorden.
--Waar waart ge? Hee, zuipbalg! Waar waart ge? Ik heb immers gescheld?
La Flèche beweerde dat hij den chauffeur een handje toestak, toen
mijnheer juist onpasselijk werd, en hij voegde erbij dat hij zich
gelukkig heette, nu mijnheer geheel was bijgekomen. Hij werd met een
schop aan de deur gezet en Pacôme, terwijl hij zijn halsboordje en zijn
losse das schikte, ging juffrouw Henriëtte congratuleeren. Hij dacht
daarbij aan du Bessy en, den baronet nu beladend met al den haat,
dien hij de geheele Verlat-familie toedroeg, liet hij zijn nijd in
een luiden lach losbreken.
--Chouette! schaterde hij, ge hebt hem de zwangerschap goed opgedraaid,
poesje! Hij past nu in gindsch vervloekte huis. En vijftien duizend
patatters! 't Is gauw verdiend, niet? We zullen deelen. Bombance! A
nous les plaisirs, à nous les femmes du monde! .... Jetteke, ge zijt
een engel. Kom hier, dat ik u kus!
Maar Jetteke was niet in jolige stemming. Integendeel. Ze zag er vrij
barsch uit. Hare lippen waren dicht op elkander geperst en een trage
droom duisterde in hare oogen.
--Zijt ge moe? vroeg Florjan.
Ze schudde haar hoofd, sprak niet, keek dan lang den schilder aan.
--Uw hals is blauw, zeide ze.
--Mijn hals? .... Ha ja! een kleinigheid .... Waar? .... O! hier!--Dank
u.
Hij vond haar zonderling. Hij rimpelde zijn voorhoofd, sprak stil,
laag:
--Kijkt ge waarlijk zoo belangstellend naar mijn hals?
--Men heeft u bij de strot gepakt. Ziet ge 't spoor van een duim en
een wijsvinger? .... Dáar!
--Meisje, ge zijt bedonderd.
Ze lachte flauw, bijna verdrietig. Ze ging neerzitten, bij het
vuur. Haar neus werd soms zenuwachtig opgetrokken, en dan scheen
ze telkens een groot misprijzen niet te kunnen onderdrukken. Pacôme
beloerde haar. Hare houding verontrustte hem meer dan hare woorden.
--Als ge wat te vertellen hebt, zei hij langzaam, verstop u niet
langer.
--Ja, deed ze met waardigheid, dat zal ik doen. Ik heb u wat te
vertellen. Is du Bessy hier geweest? En hebt ge hem de vijftien
duizend afgetruggeld? ....
Ze blikte in 't vuur, had haar beenen over mekaar gelegd en deed
haar optippend schoentje boven de vlammen wiegen. Ze vertoonde,
bij al hare gebaren, een gevaarlijke onverschilligheid.
--Ik wenschte wel te weten wie de heer was, die hier zoo bleek en
stijf is uitgegaan om zijn auto, daarbuiten, in te springen.
--Dat wenscht ge te vergeefs, allerliefste Henriëtte, want ik weet
niet of zulke wenschen in uw mond wel gerechtvaardigd zijn. Ik heb
jegens u, meen ik, niet de minste verplichtingen ....
--Juist. En ik evenmin jegens u. Ik heb daarom besloten niet
langer uw dupe te zijn en ik wil du Bessy bekend maken met uwe
.... gauwdief-combinatiën .... Ge lacht. Ge hebt ongelijk.
--Vijftien duizend balletjes! .... schertste Pacôme.
--Ik zal ze met genoegen missen.
Florjan Pacôme kon zijn drift niet langer bemeesteren. Hij sprong op
en kwam met zijne beide vuisten op de tafel slaan.
--Gij, duivelsche slet! tierde hij, meent ge dat ik uw oproertjes
met een effen ziel zal dulden? Meent ge mij nu in te slaan met
uwe goedkoope waardigheid? Ik bid u--pas d'épate! Ge hebt nog
altijd kans dat ik u met haar en pluimen in de straatgoot werp,
waar ge thuis hoort .... Zie me dat aan! Zoudt ge er niet dood
bij vallen! Madame se drape! Madame wil in een klooster gaan en
nonnetje worden! .... Hee! wilt ge dat? Wilt ge dat? Hebt ge u vooraf
gespiegeld?
--Geen herrie, toch! Ge merkt genoeg dat ge mij niet raakt.
--Pardon! madame is niet te raken .... is niet meer te raken .... is
niet met een kooltang aan te raken! .... Zeg, wil ik u eens wat
aanwrijven, dat u voor eeuwig van uwe nieuwbakken deftigheid verlost?
Maar hare blikken, die ze nu met indringende koppigheid op hem had
gevestigd, braken den hortenden vloed van zijne welsprekendheid. Eene
korte stilte viel. Toen zei ze ernstig:
--Ik raad u rustig aan mij den man te noemen, die u bij de keel heeft
gevat. Ik raad u aan mij de waarheid over Pezza te zeggen.
--Pezza? ....
Hij keek ontzet op. Hij draaide zijn hoofd links en rechts als om
zich, van allen kant, bij eene ingebeelde menigte te overtuigen,
dat hij niet verkeerd gehoord had. Hij lachte ongemanierd.
--Pezza! .... God in den Hemel! deze maagd wordt dol! .... Gij droomt
nog van Pezza, gij! Ça me dépasse! Deze kuische Suzanna droomt nog van
Pezza! Zij heeft, sinds zij hem ontmoette, hare liefderijke gevoelens
met wondere trouw en monsterachtige zuiverheid gevoed. Hee? Dat heeft
zij toch? .... Zij heeft, sinds hij verdween--en God mag zijn ziel
hebben, indien de hel te vol was!--zij heeft niet opgehouden hem in
haar liliaal hart te bewaren! .... Hee? heeft zij niet? .... Verdomd,
heeft zij niet? .... Hoor eens, Henriëtte, geen flauwe kul, ik bid
u! Ik heb het dezen morgen te druk!
Juffrouw Henriëtte scheen zich om deze drukte weinig te bekommeren. Ze
was blijkbaar besloten niet af te wijken, en in hardnekkige kalmte
vervolgde zij haren eisch.
--Ge zult vergeefs beproeven mij om te leiden met woorden, Florjan. Gij
weet wat er met Pezza gebeurde, want gij waart--ik begrijp het nu--de
medeplichtige van hem die hier uitgaat.
--Van hem die hier uitgaat?
--Van hem die u hier ten halve verwurgd heeft. Ik heb hem herkend,
toen hij op zijn auto zat. Dat auto--het is het gele van vroeger
nochtans niet--maar dat auto heeft hem verraden, en hij ú.--Ge bedaart,
merk ik? Dat is wijzer ook. Spreek nu!
Florjan Pacôme bedaarde echter niet. Hij was plots, gelijk onder
een groot licht, stil gevallen, en eene schrikkelijke aandoening
overweldigde hem. Hij staarde, als betooverd, in de oogen van
Henriëtte. Aan spreken was vooralsnog niet te denken. De emotie
stak hem, gelijk een prop, in de keel. Hij knikte en had daarbij een
tamelijk onnoozel gezicht, dat Henriëtte toeschreef aan de raakheid
van hare beschuldiging.
--Zeg het nog eens, stotterde hij eindelijk, zeg het nog eens .... En
zijt ge zeker dat hij het was?
Hij dronk nu gulzig hare woorden. En hij herinnerde zich al de
bijzonderheden van Pezza's verdwijning--het bleek verzengd gelaat
van den ontvoerder, het gele auto, en Henriëtte, de eenige getuige.
Tot driemaal wilde hij van haar hooren dat zij uitdrukkelijk in Sörge
het verzengd gelaat van vroeger herkende, en toen, zijn blijdschap
uitlatend, sprong hij de kamer al zingend en schreeuwend rond. Het
duurde een heelen tijd, eer hij erin gelukte de toedracht der zaak voor
Henriëtte uit te leggen, en zij zaten eindelijk verzoend nevenseen,
op de sofa, in gemeenschappelijk overleg beramend wat al voordeelen
zij uit de toevallige ontdekking zouden putten.
Ze besloten een reisje te doen, in Mei, met de premie, welke de
Regeering hen voor de aanhouding van Rupert Sörge zoude uitleenen. Wat
overbleef, zou in de Staatsspaarkas de vijftienduizend "vaderlanders"
van mijnheer du Bessy gaan aanvullen.
--Och ja, beaamde Jetteke, het is best dat we alles in de Staatspaarkas
neerleggen.
Florjan had tusschen twee zoenen uitgeroepen:
--Ah! ma chère!
Nu hield hij zijne wraak. Nom de nom de nom! nu hield hij zijne
wraak! .... Ze dejeûneerden samen bij Riche, juffrouw Henriëtte en
mijnheer Florjan Pacôme, saam, gelijk tortelduifjes.
V.
EEN GEWAANDE SÖRGE.
De dokter had bevolen dat niemand in Vere's kamer binnen mocht. Het
was de dikke dokter, die Pip had verzorgd en aan den dood moest
afstaan. Vere verbleef twintig uren in bewusteloozen sluimer. Ze
was uitermate zwak toen ze hare oogen opende, maar ze herkende den
ouden dokter dadelijk. Zij zag zijn bolblozend gezicht en zijn rooden
nek. Ze glimlachte en zei:
--Ik herken u nog wel. Heugt het u van Pip, ons kleine kindje?
Hij verzocht dat ze zoo weinig mogelijk zou spreken, en ze luisterde
reeds naar hem niet meer: ze herinnerde zich wat er al voorgevallen
was, en ze sloot opnieuw hare oogen, zacht-weenend. De dokter sprak
niet, bleef zitten, wachtte. Toen hij hoorde dat ze zuchtte:
--Och God! Och God!
nam hij zacht hare hand in de zijne en zijne stem verkreeg eene
ongemeene zoetheid.
--Mevrouw, zei hij, ik bid u te willen inzien, dat gij zeer, zeer
zwak zijt. Ik kan niets doen voor u, indien gij mij niet helpt. Ge
moet u afwenden van uw leed. Het is van uw leed, dat wij moeten u
trachten te genezen.
Zij schudde haar hoofd.
--Terwijl ge spreekt, deed ze lispelend, voel ik hoe ziek ik ben. Goede
man, ik vrees, dat ge.... Och! Och!
Ze weende alweer, maar de lichte toets van die vreemde hand op de hare,
was haar zoet.
--Wat vreest ge? vroeg hij. Ge wilt mij toch helpen, niet waar?
Ze fluisterde:
--Ik weet niet wat ge zegt.... Ik vrees niets.... Ik vrees niets
meer.... Ik heb mijne oogen altijd vol tranen....
--Lijdt ge?
Ze keek hem aan, wendde dan langzaam hare blikken. Haar gelaat was
mat en verwoest. Hare vingeren, wit en haast doorzichtig, gleden over
de kanten sargie en lagen dan op heur hart. Ze ademde flauw.
--Is uw hoofd nog zoo ijl, mevrouw?
Ze dubde aarzelend:
--Mijn hoofd.... mijn hoofd....
Haar hoofd zakte dan zijwaarts en ze zweeg, viel weer weg in den
zonderlingen slaap.
Ze bleef zoo anderhalf uur. De avond blauwde de kamer. Eene lange
gasthuisnon slierde af en toe over het tapijt, had het blonde
nachtlichtje aangestoken, ging dan in een lagen zetel zitten.... De
kamer was heel stil. Men voelde dat het geheele huis, gelijk eene
groote leêgte stond, stille. De geluiden der straat drongen gedempt
op en stoorden deze stille kamer niet.
Te halftien kwam de dokter over Vere buigen. Ze had niet geroerd. Hij
keek lang in haar aangezicht, legde zijn hand op haar voorhoofd. Maar
ze roerde nog niet. Hij zei aan de gasthuisnon:
--Wanneer ze weer bijkomt....
En toen, plots, werd Vere wakker. De dokter blikte goedig over
haar. Hij had een grooten kop, die vol leven was en dien hij minzaam
kon maken. Vere voelde hoe overdadig en gezond zijn dikke kop was.
--Mag ik pastoor Doening niet bij me hebben? vroeg ze.
Hij schuddebolde voornaam, gelijk bij snoepende kinderen die te veel
vragen. Hij sprak:
--Ge moet redelijk zijn. Ik verzeker u dat ge niet praten moogt,
en met Doening....
Ze had een flauwen glimlach.
--Neen, zuchtte ze, och!.... och!.... wel neen.. ik heb niets te
zeggen, en de pastoor heeft ook niets meer te zeggen.... Waarlijk! wij
zijn.... uit.... uitgepraat....
Hij nam haar pols en wachtte weer een langen tijd. Hij gaf nadien
enkele inlichtingen aan de lange zwijgende gasthuisnon en, zich naar
Vere omkeerende, vroeg hij:
--Beloof me dat ge redelijk zult zijn. Ge moogt niet spreken, en
ge moet het verleden voorloopig met ruste laten. Eer de week om is,
zijt ge te been, maar ge moogt me niet dwarsboomen. Ik zal ook aan
Doening zeggen dat hij met u niet spreken mag. Hij mag hier dan zitten
en waken. Ge zult, dunkt me, geruster zijn.
Ze prevelde, dankbaar:
--O ja, ik zal geruster zijn.... geruster zijn...