den Kunstkring, stapten ze af, beiden opgeruimd en vlug van
doening. De Kunstkring had met goeden bijval eene tentoonstelling
van Fransche impressionisten ingericht. De groote zaal hing vol
met de meesterstukken van eene soms uitspattende en onbeteugelde,
meermaals raak-moderne en sterk-vibreerende schilderkunst. Rupert
schoof zijne ongeschoeide hand onder Francine's arm en leidde haar
met behendigheid. Nu zette hij, vóor elk schilderij, eene subtiele
uitlegging aan, vond, liefst bij heel fijn genuanceerde schakeeringen,
woorden, die gelijk een zoet en geheimzinnig vergift waren. Hij
was zelf een meester in die kunst van zeggen. Hij wist ze aan te
wenden met schranderheid en wendde ze nooit te vergeefs aan. Wat
hij er thans wilde mee bereiken, was, in de hersens van Francine,
eene eigenaardige bedwelming, een physieken wellust, die niet geheel
in bloote zinnelijkheid zou overslaan en ook niet vast in den geest
mocht ankeren. Hij bereidde haar geduldig voor vreemde gewaarwordingen,
voor onbekende duizelingen, voor een spel van blonde neventinten op
eene teer-dissonante zinnen-muziek. Hoe wonderlijk: hij vond overal
een gebied voor zijn delikaat bedrijf, hij dwong de toestanden en de
omstandigheden tot een degelijk gebied daarvoor.
Warm rustte zijne naakte hand op Francine's arm.
--Hier hebt ge een mooie Gaughin, sprak hij; het kleurt gelijk een oud
tapijt, want het is waarlijk alsof het de zomerzonnen van ontelbare
jaren had opgedronken. Gaughin schilderde in Haïti dees doek. Het
draagt de zware hitte van de schelle dagen--en zie toch hoe beneveld
het blijft! Het zindert van een geteemst licht, gelijk een priëel
onder glycineloof, in Juli. Het zingt gelijk een ambervervig vleesch,
dat trilt van verwachting. Het poeiert een geluideloos schuim van
uitgeroeide stralen. Kijk eens diep, hier .... Een sterke dag zit
daaronder, die wil uitbreken en die eene vreeslijke passie zal
zijn. Niet?
Zijne vingeren streelden verder op hare hand, ontblootten er
de fijne beenderen, raakten de roze kneukels tot op het merg. En
telkens voelde Francine eene onbegrijpelijke moeheid, hoorde klanken
in nabije afgronden, zag een roerende mist van onmogelijke verven,
gedreven door winden rond haar, als eene ontastbare omarming rond haar,
kittelend. Ze moest dan een poosje stil staan, halvelings hare oogen
sluiten, en hijgen. En verder leidde hij haar.
Zij zagen Monet, Manet, Pissaro, Renoir, Cezanne, Denis. Een wonderlijk
doek met roode papavers tegen een wit hek en een violetten hemel,
gaf gelegenheid tot eene gevaarlijk woordenspel, waaronder Francine
haast bezweek.
Toen zij, na anderhalf uur visite, in de thea-room binnentrad, was
zij met een loomen last beladen en besloten in een droom. Zij dronk
een kopje thee. Zij lachte Rupert toe. Kort daarop zag ze Ernest,
haar broeder, met mevrouw d'Orval binnenkomen.
--Rup! zei ze kort.
Hij wilde niet opkijken, zat met zijn rug naar de deur toe, stak
zonder haast eene sigaret aan. Hij voelde Ernest naderen, voelde de
kleine schokjes in Francine's borst, voelde ganschelijk den dubbelen
steek van Milly's ervaren oogen. Toen, langzaam, wendde hij zich om.
Ernest was zeer bleek, terwijl hij, schor en hortend, de voorstelling
deed. Buigend vóor Sörge:
--Ik ben gecharmeerd, zei Milly, ik hoorde u zoo dikwijls reeds
roemen. Ik hoop dat nu ook te kunnen doen.
Francine beefde zonder reden, sprak niet.
--Ik dank u, sprak Rupert; mijn vrouw en ik stellen uwe kennismaking
zeer op prijs en niet het minst om wille van Ernest. Dezen middag nog
drukte mijne vrouw het verlangen uit u van dichterbij te naderen. Ik
feliciteer mij, dat zich zoo snel het toeval met de bewilliging van
hare begeerte heeft gelast. Ernest, kerel, ik ben u dankbaar.
Het gesprek dat met zoo moeilijke bewoordingen werd ingezet, liep
groot gevaar gansch dood te vallen. Maar Sörge hielp het op de
hoogte en slaagde daarin met sierlijke elegantie. Het was duidelijk
dat hij zichzelf een groot genot voorbereidde en dat hij al zijne
schranderheid, al zijne fijnste kunde gebruikte om alles ordelijk
daartoe te schikken. Was de aanzet van zulke moeilijke onderneming
de bezwaarlijkste taak? Misschien. Sörge was stilaan rood geworden
en ijverde in eene koorts, die hij tot nog toe altijd had weten te
bemeesteren of te verbergen. Hij verried ze op zijn voorhoofd. Geen
overbodig woord echter kwam zijne stelling storen. Geen woord vergat
hij, dat haar staven kon. Maar hij was niet volmaakt: hij bloosde.
Ernest keek hem angstig aan. Hoe groot vertrouwen hij ook in Rupert's
berekeningen stelde, het avontuur kwam hem algelijk zeer gewaagd
voor. Eene demi-mondaine bij zijn eigen zuster introduceeren was al
ongehoord genoeg: haar bovendien met verborgen zinnelijke inzichten
bij malkander brengen leek effenaf monsterachtig. Hoe had hij Milly
tot deze wonderbare bijeenkomst bewogen? Hij wist het zelf niet
goed. Hij gehoorzaamde aan Rupert's minste wenken, zonder ze te
begrijpen en Milly scheen ook daaraan gehoorzaamd te hebben. Hij had
geen macht tegen dien man, zelfs niet de macht van zijne liefde voor
Milly. Milly deed niets om hem te ontslaven. Zij was vrij nochtans,
zij kon zich geheel buiten Sörge's bereik bewegen. Hoe dikwijls
had hij zich niet, bij haar, in schreiende woorden opgeworpen tegen
de soepele heerschappij van zijn dwingeland! En telkens kon ze hem
mijmerend, sprakeloos aanhooren, met een zonderlingen droom in hare
verwarde oogen en met een glimlach vol secreten. Toen hij, gelijk
een laffe droeve hond, haar leidde waar Rupert gebood dat hij haar
leiden moest, had ze éenmaal, éen enkele maal die helsche inzichten
gedwarsboomd? Had ze, éens maar, verwonderd, vragend, teleurgesteld
opgekeken? Ze volgde. Iedereen volgde Rupert. En nu zaten ze hier
met hun vieren, verward in helsche betrekkingen ....
Sörge voltooide vlijtig de broze stellage van een nakend plezier. Reeds
had hij de plaatsing van Francine, zinnelijk gewaarschuwd, en van
Ernest, bloot overgegeven, voor zijne onderneming genoegzaam bepaald
en vastgezet. Zijne verhouding tot Milly, die hij nochtans het diepst
kende, was niet zoo gemakkelijk te bepalen. Sommige blikken, sommige
woorden van haar kwamen hem onrustig maken, en dan vroeg hij zich
af: "Waarom is zij gekomen?" of: "Hoe durft zij, hoe komt het dat
zij wil?" Hij onderzocht haar met geduld, omringde haar met oolijke
woorden, die, schoon opgeleid en gemeten, de spioenen werden van zijn
sluw inzicht. Milly had, onveranderlijk, eene wachtende houding. Was
ze koppig of begreep ze haren bespieder? Ze bleef gesloten en
geheimzinnig. Maar niets deed ze, dat Sörge op zijn weg kon storen,
geen gebaar, dat hem een hinderpaal of een signaal zou zijn. Ze ging
langzaam, langzaam waar hij wenkte, en dat zij hem zoo goed volgde,
folterde hem weldra het meest.
De blos van die ongemeene koorts verbleekte niet op zijne wangen. Het
zonderling vuur dat in zijne oogen gloeide, verflauwde niet. Hij
was bezig in zijn drift--eene drift zonder uitzwaaiende bewegingen,
zonder lawaaierige uiterlijkheid, eene beteugelde drift, die hij met
zorgzaamheid bestieren kon. Zijne hersens waren rijzekens warm. Zijne
vingeren, zijne wimpers, zijne lippen waren rustig. Hij wilde niet
haastig zijn. Hij wilde zeker blijven.
Toen iedereen weldra het opgehouden gesprek ongedwongen kon doorzetten
en naderhand onder zwijgende overeenkomst rechtstond om afscheid te
nemen, ontstond er wel eene kleine verwondering bij het voorstel,
dat Sörge juist dan niet aarzelde te doen. Hij deed het zoo eenvoudig,
het scheen bovendien zoo logisch uit den aard zelf der conversatie te
vloeien, dat niemand een gezegde vond om het ertegen op te werpen. Er
viel een korte stilte.
--We kunnen, had Rupert gezeid, metterdaad saam in de stad dineeren.
Ernest keek Milly en Francine aan, overhand. 't Sprong nu toch wat
over zijn hout, meende hij. Nochtans, al zijne handschoenen tegeneen
klappend, mompelde hij:
--Wel .... wel .... dat kan ....
Wat duivel deed hem zóo spreken? Zijn bloed klopte aan tegen zijn
slapen en hij boog zijn hoofd, uitermate vernederd, kapot onder het
zachte lachje van Sörge, dat opklonk gelijk een spot. Maar Sörge zag
niet om naar hem en had, zeer hard, zijne blikken in Milly's oogen
gestoken. Milly sloot hare oogen zonder haast, opende ze stil weer op
de zijne, en daar ze niets zei en niets gebaarde, kroop een schartende
kommer in Sörge's hart.
--Kom, liefje, sprak hij.
Gauw legde hij zijne hand op den arm van Francine en zijne vingeren,
met een streeling, maakten zich van haar gansche wezen meester.
Zij wandelden het Park door en zakten te voet de lagere stad in. Rupert
leidde hen in de Worthington, een dubbelzinnig restauratiehuis met
salons, gelegen in een stille zijstraat nabij de Centraal-Post. Ze
gingen de lange, naakte eetzaal door en bereikten, langs een doove
trap--vierdubbel lagen er de dikke tapijten--de roze kabinetten der
eerste verdieping.
Het scheen alsof niemand ooit dees zacht-belichte huis bezocht, alsof
er geheimzinnige uren waren, buiten den tijd om, waarbinst daar het
mysterie van ongelooflijke festijnen gebeurde. Twee zwarte, gladde
dienaars wachtten in den blond-klaren gang, sprakeloos. Rupert
gaf hun de rappe orders en trad vooraan binnen in eene mooie
rookkamer, behangen met een watteau-blauw satijn en versierd met
zeventiendeeuwsche gravuren en festoenen. Een breede haard vlamde
onder eene hooge wit-marmeren kap en rozige elektriekpitten straalden,
te strak, boven de zilveren kronkelarmen der kandelaars.
Lage zetels vlijden, in het schoone licht, hunne glimmende leuningen en
't oude goud van bestreelde borduurbloemen. Rupert schoof ze rond het
vuur en ontlastte de dames van hunne zware mantels. Hoe kwam Takker
hier? Hij stond in het deurgat en nam de mantels aan.
Men bracht een flesch oude porto. Het gesprek moest weer uit diepten
van ongemak worden opgehaald. Ernest, die geen raad meer wist, meende
met wijn zijne zorgen te stillen. Hij dronk wanhopig, zonder smaak. Dan
beproefde hij met aandacht te luisteren naar de behendige woordgeluiden
van Sörge. Soms, ongedurig van luisteren, viel hij hem in de rede,
smeet een angstigen klank in de ruimte en, de hersens gespannen,
wilde dan de echo hooren, gelijk vóor een diepen bornput, waar hij
galmen zou. Hij hoopte dat hij daarbij mocht duizelig worden, en hij
werd duizelig. In 't geniep bestelde hij eene tweede en eene derde
flesch. Hij lachte dikwijls, was eindelijk geheel bedwelmd, draaide
zonderlinge dingen in een troebel geroezemoes van gedachten. Zijne
handen waren heet en zijne vingeren, zonder gevoel, raakten
malkander. Bijwijlen vroeg hij, bang zijne wenkbrauwen optrekkend:
--Milly, vindt ge 't alzoo plezierig?
Milly wist dan wel de beteekenis van de scheeve roering, die in zijn
oogen lag; maar ze was blind voor de beelden van zijn angst. Hij schoof
naderhand dichter aan bij haar, en zette zich te rooken. Alles wat
gebeurde, was hem zoo ongewoon, zoo averechts, dat hij geen orde meer
voelde in zijn eigen handelingen. Hij deed net als een dronken man:
hij probeerde te vergeefs.
Rupert Sörge lag achterover in een soort van korte sofa. Zijne beenen,
uitgestrekt, waren overeengelegd en het licht van den ronden kandelaber
tikte op de toppen van zijne verlakte schoenen. Geheel zijn lijf,
overgegeven aan al de aaiingen van de verwonderlijkste wellust,
rilde zachtjes en gedurig. Veel wijn had hij niet gedronken. Hij
had de bekers van Milly en Francine bereid. Met zijne oogen had hij
het donkere vergift aan hare lippen gebracht, had hij de roemers
opgelicht en de heete walmen naar hare hersens gejaagd. Hij herdronk,
lui-zinnelijk, den wijn die in donzige blosjes op hare wangen kwam
kleuren. Hij maakte zelf al zijne aandoeningen en genoot nauwkeurig
ervan. De valschheid van dezen vierdubbelen toestand jeukte over zijn
ruggegraat en 't werd hem als eene onduidelijke symphonie, vol wulpsche
toonverschrikkingen, klanken beneveld in lichtpoeier die aantokkelden
rond hem, lichtgewiekt, en even, haast ontastbaar, hunne klinkvleugels
lieten kriebelen op zijne huid. Hij voelde het delikate ruischgewaai,
de haartjes van zijne hand opstreuvelen, en 't was gestadig, bij elke
inkomende gewaarwording, eene huivering door zijn bloed, een schok,
in zijn subtiel vleesch, van blije verwondering, van onnoembaar genot.
Zijn scherp gepeins drong tot in de ziel van zijne genooten. Hij
dichtte drievormige akkoorden met iedere ontdekking, die hij daar
deed. Van Ernest zag hij de dof-ronkende vreeze en den ontredderden
wil. Ernest was vaak, in de algemeene modulatie, een mistige grondtoon,
laag zwevend over orgelende klankslingeringen, angstig gelijk een
ruchtige nacht. Rupert had, binst de bewerking van zijne geneugten,
het zicht noodig van dat bleek voorhoofd, van die verdraaide oogen,
van dien matten, diklippigen mond. Hij gebruikte die ordeloosheid
van bevangen ledematen, die onmaat van gedachten, die aanhitsende
ontsteltenis.
--Ernest, bidde, een sigaretje.
Ernest lengde zijn onzekere hand, beladen met onrust, raakte lichtjes
met koude nagels de vingeren van Rupert, lachte zenuwachtig. Hij
wilde gaarne vluchten. Eene zware moeheid woog in zijne braaien.
Francine, het dichtst bij 't krakende vuur, waartegen haar parelgrijs
kleed teer opleefde, verkeerde in een staat van volkomen zinnelijke
onwetendheid. Zij had geen klaar besef van wat er in haar gebeurde. Het
gesprek, waaraan zij met zwevende woorden meedeed, ruischte over
haar hoofd gelijk een zang van aeolische harpen. Rupert zat noesch
achter haar. Zij voelde zijne blikken op haren hals met dezelfde
onduidelijkheid. Zij baadde in een ingewikkeld gesmeur, als met
opiumwalmen doorvaren. Maar daar bovenuit, recht en vormrijk,
rees--vrucht en evenbeeld van hare liefde voor Rupert--hare haat
voor die andere vrouw. Zij had geen direkte reden daartoe en zij had
nochtans de absolute zekerheid van haar haat. Het was een haat zonder
willekeur, een haat die zich traag in het vleesch had ontwikkeld,
onder de kussen en de blikken van haar man. Zij moest hem met geen
woord of geen daad bekrachtigen: hij stak vast en werkelijk in haar,
gelijk een doorn.
Francine, aldus bereid, ergerde zich aan Milly's aanwezigheid niet,
en dit was eigenaardig. De onmiddellijke nabijheid van die vrouw
stichtte eene troebele vreugd in haar. Zoo jeukt soms eene oude wonde,
zoo brengt zij eene zinnelijke blijdschap tot in het hart van den
zieke. Francine's haat was oud. Hij leefde sinds Rupert hare ziel
had getaakt.
--Rup, zullen wij nog lang hier blijven?
Zij was niet ongeduldig. Zij sprak gedwee, door de stilte gedreven,
die plots rond den haard gevallen was. Zij leefde onderdanig met de
stilten en de geluiden.
Sörge onderzocht, met diepe drift, de traag-roerende Milly. Zij, van
die drie, die hij ontbonden en hermaakt had, was het meesterwerk. Zoo
dicht bij Francine begreep hij het sterk. Waar Fran en Ernest
gestadig den aanstoot van zijn wil noodig hadden, waar die twee, als
hij zijne vóorvoelende hand wegtrok, ineens ontschikt, verdwaald en
zonder inzicht stonden, vermocht Milly, in ordelijke verhoudingen,
buiten hem, een leven voort te leven, dat hij geheel uit zijn eigen
leven had gewekt en met het hare had verwisseld. Het was hem nu haast
even moeilijk de roersels van Milly's wezen te ontdekken, als de
zijne zelf af te zonderen in 't veelledig proces van zijn wentelend
gemoed. Het docht hem dat ze, na alles van hem te hebben opgedronken,
nu zelfstandig op vreemde gronden wies.
Maar niet geheel ontsnapte zij hem. Vaak herkende hij aangeleerde
gebaren, teekens van eene zwakheid, die zij te vergeefs in
onverschillige traagheid wilde verbergen. Dan verried ze hare
afhankelijkheid, dan was 't dat hij haar geest voelde kloppen,
hoorbaar:
--Meester! Meester!
En hare oogleden trilden, oplettend en schuchter.
Soms raakte hij, te diep vorschend, den rooden gloed die leefde in
haar. Hij sidderde telkens, rap hijgend, een tijdeken. Hij zag zelf
het licht der kamer beven en behield lang, zorgvuldig, de kostbare
aandoening.
Toen hij eindelijk de betrekkingen van die drie tot malkander, zoo
nijpend had gespannen, dat zij meenden te breken in koorts, deed hij
een ongewoon verhaal, bijna al zingend. 't Was van een oud man, die
naakt en zweetend liep in de gouden zon. Sörge hing monsterachtige
beelden op met artistieke schranderheid, deed het lijf van den
ouden man vlekken in sappige verven en dibberen van een overdadige
dagklaarte. Het grijs haar van den ouden man kroop glimmend over
zijne vette leden. Hij schokte in de zon, lodderig boven het gras
uit. Geiten en bokken schoten aardig uiteen ....
Wat Rupert bij de lange en nauwkeurige detailleering van zijne
vreemde vertelling voelde, was schrikkelijk. Geen wellust evenaarde
de ontzaglijke suggestie, die hij voor zich zelf had gewekt. Zijne
rechterhand betastte zenuwachtig de zachte vormen van het ivoren
aapje dat in een plooi van de sofa lag.
--Toen kwam, met groot gedruisch, een drom van menschen, roepend,
op een stroom van bloed. En het bloed dampte wild, gelijk adems van
brieschende veulens ....
Iedere toets op het gladde ivoor galmde tot op de randen van
zijne ooren. Lang, behendig, onverbiddelijk voleindde hij iedere
streeling. Onder zijne oogen was eene broze blauwigheid en zijne
kaken droegen een heeten blos, nu hard geworden en gevaarlijk.
--Toen kropen twee magere schorpioenen gretig onder de oksels van
den ouden man ....
Zijne woorden hadden geen zin in hun onderlingen samenhang. Maar elk
druppelde op zijn gunstig oogenblik en, vallend, beet en verteerde het
laatste gezonde vleesch--tooverachtig gedrop, dat het vleesch deed
opvlammen en allentwege vuurtongen wekte. Rupert zong, verging zelf
in zijn zang en vertelde met klanken en beelden zijne spasmodische
zinschokken.
--Toen was 't een veld van rozen en de voeten van den tierenden man
staken in den malschen dauw, die geurde. En hij danste, dolgekitteld,
aldoor zijne teenen krullend, en zijn buik was glimmend en rond. Het
gouden zwaard van den zomer zwaaide over den hemel..
Zijne stem deed gelijk een zilveren bootje op effen wateren, in den
fluweelen avond. Hoe hij daarbij de wezens van Milly en Francine,
bijna over zijn mond, dooreenstrengelde, is onzeggelijk. Hij weefde ze
saam, hij vereende hare vier borsten, hij verzon op hare lippen een
bovennatuurlijken kus. De kleur van hare ongelijke lichamen, rozig
en roomblank, daghelder en blauwig, hij vergaarde ze in zijne oogen
tot een overdadig spel. Hij deed hunne twintig vingeren door mekaar
spoelen en liet ze neerkomen op zijn voorhoofd, op zijne wimpers,
en in zijn hals, tot op zijn rug. Hij veronderstelde eene varende
frischheid, waarbinnen hare heupen wiegden ....
En plots sprong hij recht, met de armen omhoog, de hand vastgevuist
op het ivoren beeld.
Ernest en Milly en Francine keken ademloos toe.
--Wat, riep Sörge heesch, wat wacht gij?
Hij wankelde. Een stuip verwrong zijn aangezicht. Hij riep:
--Wacht niet! Wacht niet!
Juist verscheen op den drempel van het eetsalon een gladde dienaar
vol gedienstigheid. Hij had de dubbele deur geopend en de spijstafel
blonk onder zijn zilver en zijn kristallen. Sörge riep:
--Komaan! Ha-â-â! dàt is leven!
Hij rok zich uit op zijne teenen, lachte vreeslijk, knikte in de
hoogte. Dan, zonder een kreet, viel hij gebroken.
Milly snelde toe, rukte zijn boordje los, scheurde wild zijn das. Hij
had de oogen gesloten en een licht schuim bloemde op zijne lippen. Zijn
adem schorrelde hard in zijn keel.
Toen, gerukt uit haar droom, wipte Francine op. Hare handen lagen
seffens om den hals van Milly en ze sloot hen, ze neep hen, ze zag
de roode vlag van haar haat wapperen, triomfelijk. Het duurde éen
oogenblik. Ernest omarmde haar, dwong haar los te laten, voerde gauw
Milly weg.
De deur van het eetsalon was weer dicht.
--Rup! Rup! schreide Francine.
Ze wierp water over zijn voorhoofd. Hare tranen vielen op zijn
voorhoofd.
Hij opende zijne oogen, keek scherp en vluggelings rond, kwam huiverend
half overeind.
--Rup! lieve Rup!
Hij stiet haar zachtjes zijwaarts, ineens zeer verlegen. Hij wreef
met zijn zakdoek over zijn gelaat, schikte zijne kleeren. Hij kuchte
even. Zijne onrustige blikken zochten over het tapijt.
--Nu, Fran, sprak hij stil, maak, als 't u belieft, geen spektakel.
En zich snel neerbuigend achter de tafel, raapte hij het ivoren aapje
op, dat over het tapijt gerold was ..
Hij zag er zeer rustig uit.
III.
PASTOOR DOENING OVERROMPELD.
Zet u hier bij den haard, Simon, zei pastoor Doening, en laat me u
zeggen, hoe gelukkig ik ben dat ik u eindelijk te pakken krijg....
--Ge liet me roepen....
--Ja wel, dat liet ik.... en met goeden uitslag ook! Dat is lief van u.
De oude pastoor kwam Peter met voorzichtige armen omringen, bracht
hem onder het hooge schouwkleed in een breeden zetel en ging dan
recht over hem zitten. Hij liet, met een kleine rust van woorden,
de kamerruimte bereiden tot de ontvangenis van wat hij vermoedde een
moeilijk gesprek te zullen zijn. Hij pookte het vuur aan, onderwijl,
schikte het pelsen voettapijt en leunde eindelijk achterover, zacht
opblikkend naar zijn jongen vriend. Hij lachte zoetjes.
--Weet ge, kerel, sprak hij langzaam, dat het nu al drie maanden
geleden....
--Ja, och ja, neem 't mij niet kwalijk. Ik had het zoo druk....
--Herkent ge mij nog? vroeg pastoor Doening guitig.
Simon Peter wilde beleefd opkomen tegen eene zoo onmogelijke
veronderstelling; doch toen hij den priester in het aangezicht keek
en dat aangezicht daar vriendelijk-blank boven de zwarte toga opglom,
docht het hem dat de lach met een onbekenden rimpel gescherpt was.
--Zijt ge ziek geweest, pastoor?
--Ik? hernam Doening, ik, jongen? Wel, ik ben verjongd! Hoe averechts
staan toch uwe zinnen dat ge niet eens merkt dat ik er, met mijne
valsche tanden, nu jonger uitzie. Simon, lach niet: ik heb me daar,
in dat ijdel bakhuis, zeven nieuwe tanden doen planten. Ik word
behaagziek, geloof ik--het oud zot, zooals de boeren zeggen.... 't
is het oud zot!
Simon merkte wel, dat Doening's wangen niet meer, als vroeger,
zoo mollig invielen; diepere groeven, gelijk met een priem geprent,
vielen uit de hoeken van zijn neus tot onder zijne kin. Eene rappe
aandoening, uit medelijden en eigen leed geboren, steeg op in hem. Hij
boog het hoofd.
--Waarlijk, Simon, zei pastoor Doening, ge ziet er ouder uit dan ik,
en ik heb u geroepen om u dat eens duchtig te zeggen. Wat is 't, dat
ge neemt: sherry? thee?.... Of wil ik u een lekkere cocktail laten
bereiden?.... Ge hebt toch gesoepeerd?.... Dan een cocktail.... Doka!
Niet vóor Doka den gemengden drank had gebracht en stille de deur
op hare hielen had gesloten, wilde Doening aanvangen met zijne
vermaningen. Hij deed het dan met zijne gewone kieskeurigheid en
zorgde vooral, dat hij de geelbelichte avondkamer met lichte woorden
in lichte stemming hield. Hij trachtte ook Simon geheel onder zijn
indruk te krijgen en hij voelde dat de gelaten onverschilligheid van
den jongeling dit inzicht zeer in den weg zoude staan. Hij dacht bij
zich zelven:
--Doening, oratorische Doening, wees nu een ècht redenaar!
En hij begon:
--Steek deze sigaar in uwen mond om te beletten dat ge mij, met onzin,
in de rede mocht vallen, want wat ik u te zeggen heb is van delikaten
aard en moet ik ineens--om ervan ontlast te zijn--afhaspelen.... Simon,
mijn kind, er zit een worm in uwen geest en ge laat uwe hersens
vermolmen. Het is mij, alsof ik u al dien tijd niet verlaten heb--en
dat heb ik ook niet, hoewel gij er schijnbaar in gelukt zijt mij
te ontvluchten. Ik weet heel goed wat er in u omgaat, en ik vrees
niet dat gij het mij zult verbergen, want ik zal u niet toelaten
erover te spreken. Gij hebt, gedurende deze drie zwijgende maanden,
genoeg gesproken. Gij hebt niets meer te zeggen. Gij hebt alles goed
uitgedrukt. De beurt is thans aan mij, en vermits het mij toeschijnt
dat gij doof zijt voor de taal des harten, moet ik u wel met woorden
aanspreken.... Ssjt! houd de sigaar maar stevig in den mond, en maak
damp met wat ge hierop al antwoorden wilt, ik bid u.... Toen ge vrij
werd gesproken en ik, de eerste, u in mijne armen ontving, wist ik
reeds dat de vrijheid u een last zou worden, omdat ik wist dat gij uw
hart van eene zekere liefde, die ge wel kent, niet hadt bevrijd. Ik
wil mijne gedachten zoo brutaal mogelijk uitdrukken en u de toevlucht
van een misverstand ontnemen. Die liefde--welke gij hadt moeten
uitroeien--gij hebt ze met laffe inzichten gespijzigd, getroeteld....
--Ik...