halfuur met rust in mijne keuken blijven. Telkens word ik die
doodelijke stilte hier bij u gewaar. Nog erger is 't vandaag. Ik zeg
in mijn eigen: ze zullen toch wat vragen, wat koffie, wat thee of een
glaasje madera. Scheer-je! Niks! Ze zitten zich daar gezapig dood te
zwijgen. Waarom? Dat is juist het zotste: ze hebben redenen om blij
te zijn als kalverliefkens--ze zouden moeten dansen en springen--ze
zouden moeten roepen: "Sabine, dek de tafel in de voorkamer, trek de
gordijnen op en laat het vuurken zingen, warm den wijn op de schouw,
Sabine, en schenk desnoods van nu af aan reeds in .... Moeten wij
als lijkbidders onzen armen mijnheer Simon ontvangen? ..
Donaat en Cordule schokten van schrik: dat geweld schudde onvoorzichtig
al hunne geheime gepeinzen, en de verwachting die zij uiten dierven. Ze
reikten te zaam, bijna smeekend hunne armen. Cordule fluisterde:
--Zwijg! .... Zwijg! .... ge daagt den Hemel uit! ....
En ze blikte zenuwachtig naar het zilveren Kristbeeld, als om zeker
te zijn dat het zich aan Sabine's gruwelwoorden niet stoorde. Donaat
glimlachte enkellijk, zeer ontroerd, hakkelend:
--Hee! Hee! dwaas jong .... wat zijn dat voor manieren? ....
Maar Sabine plantte hare vuisten in hare kloeke heupen. Ze viel uit
in luide drift:
--Uitdagen! Uitdagen! Gijlie, ja, daagt den Hemel uit. Gij zegt tot
den Hemel: "wij hebben geen vertrouwen in u." Dat zegt ge! Terwijl u
iedereen de waarheid bloot legt, zijt ge koppig genoeg om de waarheid
zelve te beliegen. Mevrouw Verlat, mevrouw Sörge, pastoor Doening,
mijnheer Ernest, allen brengen u 't bewijs dat mijnheer Sörge de
vrijheid van onzen mijnheer Simon verkrijgen zal .... en daar zit ge
mizeriegezichten te trekken .... en als hij straks binnenkomt en u
zoo zitten ziet, dan is hij natuurlijk nog ongelukkiger dan te voren
.... Lieven-adju! 't Is om er iemands kop mee te verdestreweeren! En ik
daag den Hemel uit, als ik u met een redelijk woord wil opbeuren--ikke,
den Hemel uitdagen? Da's een beetje straf! .... 'k Zal ik u wat zeggen,
en zachtjes ook: moest er mij een greintje ongeduld in 't lijf zitten,
kinderen: 'k bleef geen weerlicht langer bij u in huis. Ik kan 't
niet afzien!
--Ssjt! Ssjt! deed Donaat, benauwd rondloerend.
Cordule huiverde, vond ineens eene groote kracht en gebood streng:
--Sabine! Sabine!
Sabine zweeg, kwam het vuur in den haard oppoken en maakte daarbij
een toornig lawaai. Dan begon ze binnensmonds te mompelen, drilde
ongedurig van 't eene meubel naar 't ander de kamer rond, verroerde
't een en ander redeloos en, wegloopend, trok tamelijk hard de deur
dicht op hare hielen. Het scheen nadien, eene heele wijl lang, dat
de stilte hier nooit meer binnen zou kunnen.
Donaat stak nogmaals zijn sigaar aan en sprak met bedeesde traagheid:
--Ze is wel hevig, moedertje; maar, weet ge wel, ze meent het algelijk
goed ....
--Och ja, zei Cordule, en (nu aarzelde ze even) alles in de reden
genomen, ik zou gaan meenen dat ze gelijk heeft .... ik spreek
natuurlijk niet voor mij .... maar gij vooral, vader, ge kunt soms
zoo angstig uitkijken .... ik denk zoo: ge moest niet zoo verslagen
zijn .... niet zoo--
Hij glimlachte zijn gewonen glimlach, bloosde schuchter. Hij viel
haar rap in de rede:
--Ben ik dat? Ben ik dat waarlijk? Neen, moedertje lief, nu hebt ge
't mis .... maar ik denk gedurig: ons moedertje moest haar eigen zoo
droevig niet maken .. en inderdaad, gij maakt u redeloos droef--want
is er reden daartoe? Zeker niet, in het geheel niet. Simon komt vrij
.... te twaalf uur moet 't vonnis uitkomen .. Mijnheer Sörge heeft
alles voor onzen jongen gereed gemaakt.... Ik weet waarlijk niet,
waar gij uw zorgen haalt!
Hij deed zijn best om lichtelijk en opgeruimd de rooktuiltjes van zijne
sigaar in de lauwe kamerruimte uit te zetten. Hij stak zijn hoofd op.
--Och ja! och ja! zuchtte Cordule, en ze lachte met een groot
medelijden dat, zoo plots, een trossel tranen over hare oogen joeg.
Ze begonnen nu te tateren, gaven malkander moed en vertrouwen, stilden
met wederzijds bedrog hun vrees, die niet te stillen was. Langzamerhand
echter verviel tot korte woorden en knikjes het gesprek en, als ze
eindelijk de groote stilte al pratend hadden weergevonden, keken
ze zwijgend naar het beeld van angst dat de eene bij den andere
meende uitgeroeid te hebben. De stilte heerschte machtig, gelijk eene
heimelijke zindering in de ruimte. De sneeuw, hijgend en klankloos,
vlaagde dikker aan tegen de ruiten, en de dag donkerde paarsblauw. De
oude schapraai begon mysterieus te ademen, het licht van den winter
werd in elk doorzichtig potje een zonderling gelaat van leven, de
porseleinen bloemen neigden onder een last van onbegrepen ellende
en, boven de zachtgloeiende zilvering van den Kruiskrist, wenkte een
twaalfjarig kinderkopje tusschen de bleekere hoofden van een jongen
man en eene jonge vrouw....
Eene hevige aandoening schoot als een schicht door de kamer.
Donaat liet zijne sigaar vallen, vatte onwillekeurig de sporten
van zijn zetel. Cordule zakte. Thoop en traag slierde een strenge
borduurzijde, haperend over hare wollen rokken, op den grond. Uit zijn
donkeren hoek had het hooge kasthorloge zijn schedel doen kraken en
smeet nu, regelmatig, twaalf klare tongslagen uit.
--Twaalf!
Geen van beiden dierf opzien. Ze bleven zitten, verbrijzeld, zonder
hoop de uiterste kastijding afwachtend. De angst vleugelde langs de
muren. Ze voelden den waaitocht van die schrikkelijke wieken en ze
keken niet op. En de tijd voer verder in holten van stilte.
Toen weerstond Cordule niet meer aan haar zielewee. Ze schoof neer
van haar leunstoel, viel op hare knieën, blikte dan ineens, zeer
woest en bang, naar het Kristbeeld.
--Goede God! Goede God! laat het niet gebeuren, laat het niet
gebeuren! ....
En Donaat werktuigelijk had zijne handen saamgevouwen, knielde
insgelijks bij den haard. 't Waren dan hunne gebroken stemmen te
gelijk, alle twee dooreen, die opbibberden met schokjes:
--Onze vader, die in de hemelen zijt....
Ze baden gelijk kinderen, zonder woorden te volgen, aldoor maar
Onze-Vader en dan Wees-gegroet, en weer herbeginnend de korte
gebedekens. 't En stilde niets in hen, maar het uur vorderde ongemerkt
en ze konnen zich voor de groote tijding vaardig houden. Ze hijgden,
vermoeiden zich, deden haastig alsof ze nooit klaar zouden komen ....
En dan, bij den klank van de poortbel, stortten ze langs hun zetel,
het gelaat in hunne armen, kapot, gereed om alles te aanvaarden.
Pastoor Doening vond hen zoo. Hij bleef staan op den drempel,
verschrikt.
--Vrienden, sprak hij zacht.
Hunne ruggen huiverden zichtbaar. Hij zag Donaat's handen beven en
de vuisten van Cordule dicht tegeneen. Hij nam seffens een luchtigen
toon, verhief zijn stem, beproefde eene voorzichtige blijdschap.
--Hewel! Hewel! vroeg hij vroolijk, heb ik het u niet gezegd? .... heb
ik 't niet schoon voorspeld? ..
Ze kropen recht. Ze dronken de blijdschap van zijn aangezicht. Ze
waren aangetrokken door de vreugd van die stralende oogen en kwamen
wankelend naar hem. Hij had zijne armen wijd geopend.
--Waar is .... is .... hij? snikte Cordule.
Donaat herzei 't, zonder te weten of 't een zin had. Beiden raakten
gretig de borst van pastoor Doening. Beiden betastten hem met zoekende
vingeren alsof zijn lijf, met dat goed oogenlicht, de tijding zelve
was. Hij glimlachte liefelijk, streelde hen langzaam, bereidde zonder
spreken hunne harten.
--Hoor, sprak hij eindelijk, hij komt, hij is vrij.... weest nu braaf.
Het duurde tamelijk lang, eer pastoor Doening hen vertellen kon hoe
alles gebeurd was, hoe Sörge met heimelijke middelen hoogere krachten
had in het werk gesteld en, naar het scheen, zelfs minister Dissel's
tusschenkomst had afgedwongen. De zaak bleef nevelig in hunne hersens
hangen, en zij begrepen maar iets voluit: hun jongen was hun weer
gegeven.
--Wanneer komt hij? Is hij op weg? Hoe ziet hij eruit?
Pastoor Doening legde uit dat Simon vooreerst wat werk had met zijne
advokaten en zijne vrienden, dat hij er zich zoo gauw mogelijk van
afmaakte en zijne oudjes dan seffens kwam kussen. Dan moest pastoor
Doening maken dat hijzelf wegkwam, want Simon had het zoo gevraagd.
--Hij wil alleen met u beiden dineeren en den avond ombrengen.
--Dineeren! riep Cordule.
Aan dineeren had niemand gedacht. Wie zou op zulke dagen ook aan zoo
iets denken? Sabine werd geroepen, kwam vóor met rood-beweende oogen,
herviel eerst weer in een tranenbui, en begreep na een half uur wat
men van haar verlangde. De goede meid legde bij deze gelegenheid een
spoed en een ijver aan den dag, die men bij geen keukenmaarte in de
wereld ooit meer zal vinden. Het geheele huis weerklonk van 't blij
gerinkel der pannen en kachelringen, en een smakelijke geur voer weldra
alom. Donaat had het zeer druk met den keus der wijnen. Cordule bracht
het zilveren tafelservies te voorschijn, en het werd den pastoor, in
al 't geharrewar, toegestaan te vertrekken op voorwaarde, dat hij,
bij de naastwonende bloemiste in allerijl twee groote tuilen rozen
zou bestellen.
De rozen werden nog vóor Simon's aankomst bezorgd, en de oudjes
maakten zich warm rond de tafel, trippelden gestadig over en weer,
schikten en herschikten de bloemen--tot, juist toen alles klaar was,
een rap-aanrijdend rijtuig vlak vóor de huispoort stilbleef.
Ze stonden roerloos. Nog eens herkwam hun angst, nog eens die stilte
overal, nog eens dat toeslaan van harten. Dan een stil gejubel
daarbinnen, een blijde sprong van 't bloed, een teug van licht in
het hoofd.
--Hij is 't! Hij is 't!
De deur vliegt open--en ja, ja, hij is 't; hij is 't waarlijk!
.... Na een breeden vloed van liefde, konnen Donaat en Cordule hem
aankijken. Ze deden het geheimzinnig, een sluw onderzoek aanleggend,
traagzaam en zeker. Hij zag er zeer opgeruimd uit, hij was niet ouder,
hij had denzelfden lach en dezelfde goedheid in zijne oogen. Het was
wel hun zoon. Maar hee! hee! een beetje magerder was hij geworden,
een beetje bleeker ook. Toch niet erg. In die leelijke gevangenissen
krijgt men 't ook niet zoo royaal. Zeker, zeker. Voortaan moest hij
goed eten, zich wel verzorgen, weer kloek worden.
Ze bepeinsden 't alle twee, terwijl hij aan 't vertellen zat. Ze
beraamden vreeslijke voedingsplannen, legden gedurig eten op zijn
bord, aten zelf niet. Het diner werd een feest, zooals zij er nog
nooit een beleefd hadden. Ze staken rozen op zijn vest. Ze kwamen
gestadig met hun glas aantikken tegen het zijne. Ze raapten zijn
servet op, herlegden zijn mes als hij het, onder 't praten, onbedachts
met de snede omhoog neergelegd had. Ze beloerden 't minste gevaar,
't minste ongemak. Ze vingerden de broodkruimels weg, die onder zijne
handen rolden.
Hij sprak. Ze luisterden gulzig naar den klank van zijne stem,
meer dan naar den zin van zijne woorden. Hun geheele wezen was naar
hem gekeerd om hem te aanbidden. Waarlijk, waarlijk, hij was niet
veranderd. Hij was van goud. Hij was hun jongen.
--Onze jongen!
Soms schoof hunne hand listig naar hem toe, raakte hem aan, beefde op
zijn arm. Soms, geheel onverwachts, aaide hunne hand met onzeggelijke
zoetigheid over zijn voorhoofd. Hij kuste hunne hand, die aarzelde,
beladen met geluk. Een roerlooze glimlach glansde, gelijk eene zon,
op hun aangezicht.
Bij het dessert, ten teeken van uitbundige blijdschap, werd Sabine
aan tafel geroepen, en ze moest een bord nemen en aanzitten. Ze
moest meeplukken van de dikke druiventrossen die in de zware schaal
daar lagen, vol zomer. Ze moest meetikken en drinken, en hare vreugde
druppelde in haar wijnglas. Daarna stak Donaat zijn wijsvinger omhoog
en, daar iedereen hem aankeek, trok een zeer ernstig gezicht. Hij
had blijkbaar een groot gewicht met woorden weg te ruimen. Hij bezag
Simon lang en de redevoering, die hij sinds anderhalf uur besloten
had, uit te spreken, stierf onuitgesproken uit, bij gebrek aan 't
zij eender welk begin. Derhalve vergenoegde hij zich met zijn beker
op te heffen en stamelde vol bewondering:
--Jongen, jongen, dat is wel van u!
Sabine vergat allen verschuldigden eerbied en droeg metterdaad een
toast op aan "onzen mijnheer Simon" hetgeen zeer in den smaak viel
en met gretigheid werd aanvaard.
Iedereen dronk zijn glas ledig. Donaat vroeg, een beetje dwaas:
--Nu, wat zegt ge daarvan?
En hij was zeer trotsch op Sabine. Cordule knikkebolde maar, en ze
moest zelf de druiven in een frisch water doopen eer ze toestond dat
Simon ze opnam.
De avond ook was lief en gezellig. Simon was even vroolijk, lachte
en praatte zonder ophouden. De oudjes werden moe van zaligheid. Eens,
na een ongewoon oogenblik van stilte, vroeg Donaat.
--Vertel nu eens, jongen .... hoe heeft die Sörge dat allemaal aan
boord geleid?
Doordien dat Simon zijne wenkbrauwen fronste en eene wilde kommernis
vertoonde, brak op dat woord de zoete stemming. Maar Simon lachte weer,
klopte op vaders knie, sprak:
--Willen we nu eens lekkertjes zwijgen over dat zaakje?
Ze wilde gaarne alles doen wat hun jongen verlangde en ze lieten hem
begaan, ze lieten hem vertellen naar beliefte, alles schoon vindend
wat hij deed of zei. Ze namen te negen ure thee met beschuitjes en
naderhand een heeten grog. Ze voelden zich duizelig worden en hunne
oogleden wogen zwaar. Ofschoon de avond nu ver gevorderd was, meende
Donaat dat er hier wat muziek mankeerde.
--Ik heb allang gedacht, moedertje, we moesten een phonograaf koopen.
Cordule knikte vriendelijk en hare wangen glommen. Ze vond 't heerlijk.
--Dat doen we, vader, dat doen we!
Maar Sabine was van eene tegenovergestelde opinie. Ze hield niet van
dat gekrijsch in huis, en ze vond het ook geheel onnoodig. Men kon
zich wel aan een gezonder lawaai helpen, Goddank!
--Wil ik u een liedeken zingen?
't Was nog nooit gebeurd. Ze zong met een roeiersstem het lied van
den Groenen Jager en ze behaalde een welverdienden bijval. Donaat
gichelde dat de tranen hem in de oogen stonden en Cordule klapte in
hare dikke handjes. Hiermede sloot men het feest.
Simon werd tot in zijne kamer geleid. Terwijl moedertje de kaars
aanstak en die, ver genoeg van 't bed om alle gevaar te vermijden,
op het nachttafeltje schikte, ging vader het vuur onderzoeken en
vertrok de breede vacht die, veel te dicht bij den haard, onder het
schouwkleed lag. Sabine kontroleerde de vensters. Men nam afscheid.
--Allo, jongen, rust nu maar een goede poos. Goeden nacht, jongen
.... allo ....
--Sabine, zijn hier dekens genoeg? Duffel u dik in, jongen, 't
zal hard vriezen tegen den uchtend. En niet opstaan eer ik u roep,
hoor! Rust hebt ge noodig, rust, jongen....
--Hij zal slapen gelijk een otter, zei Sabine gevoelig.
--Allo, slaap wel, slaap wel ....
Ze sloten zachtjes de deur, alsof ze daar een wichtje in de wieg
hadden neergelegd.
In de slaapkamer waar alles, zuiverlijk gehouden, wachtte op hem, keek
Simon rond, langzaam. De voorwerpen bezagen hem met goedige oogen. Een
groot verdriet smeet op binnen zijn hart en, in het aanschijn van die
stille en dierbare vriendelijkheid, weende hij stille. Zijne zenuwen,
die hij in gedwongen blijdschap gespannen had, sprongen los en hij
stond zonder moed, zonder hoop, in zijne werkelijke mizerie. Hij voelde
zijne tranen niet. Ze druppelden over zijn baard. Vóor het kleine
tafeltje, onder 't venster, zakte hij op een stoel neer en bleef lang,
uitkijkend in de leêgte en volgend, zonder belang, den schaduwdans,
dien de wispelturige kaarsevlam liet spelen op de vlakke gordijnen. Hij
overblikte zijne vrijheid. Hij zag, moe van denken, zijne vrijheid,
die lag, gelijk eene dorre woestijn, over al de jaren der toekomst.
Hij had, sinds lange dagen, alles bepeinsd en gemeten. Hij had,
sinds lange dagen, zijn besluit bepaald. En nu, op een nieuw alles
oprakelend, herdraaide hij in zijne hersens de beelden van zijn
leven. Hoe vrij was een vrij man, die zijne vrijheid had te danken
aan den schaker van zijne bruid?
--Francine, ik kan u niets verwijten. Wat zoude ik? Gij zijt zwak en
kinderlijk. Gij hebt de blikkering gevolgd van iets dat wenkte met
schoon licht en schoone kleuren. Maar ik heb u lief. De liefde is mij
ingegroeid, een plant van bloed en gedachten. Zal al die kracht zich
oversmijten tot haat? Ik weet het niet. Ik ben zeker van mij. Als
ik hem haat, als ik dat ooit doe, hoe schrikkelijk zwelt dan mijne
ellende! Ik vrees mijzelven. Gij, ik weet het, zult op een dag komen
tot mij, en mij de hand reiken, en uwe oogen zullen zeggen: weest
goede vrienden saam, wees dankbaar. En al de oogen van de anderen
rond u, ik zie ze reeds. Ze doen vriendelijk, blij zeggend: weest
goede vrienden saam, wees liefderijk, wees dankbaar. En mijn hart
dat bloedt en schreit!
Hij roerde niet. Zijne kin, op zijne vuist, rok zich naar voren,
uitstekend in rechte lijn zijnen baard. De roode randen van zijne
oogen kleurden uitwaarts op zijn bleek aangezicht. Verduldig voltooide
hij in zijn hoofd de langzame foltering, alles herdenkend gelijk een
zonderling testament.
--Maar dat is niets. Dat ik u liefheb, juist dat zal vreeslijk
worden! Mijne vrienden, mijne ouders, zij zullen voortdurend de
stille getuigen zijn. Zij zullen gaan rond mij gelijk schaduwen,
bewogen door u, het verborgen licht. En al wat ik denk, al wat ik
doe, 't zal een sparteling zijn in de ledige verveling van mijn
leven. Want niets is te herdoen, niets is te vergoeden. Ze hebben
mij van u weggerukt, zij hebben u eenzaam gemaakt en dan werd gij
een gemakkelijke prooi. Zij hebben mij thans eenzaam gemaakt. Mijn
wezen zal moeten droog worden in die eenzaamheid, en ze zullen dat
alzoo bereiden. Ze bereiden dat alzoo: wees dankbaar, zeggen ze. En
uw mond, hij zal het zeggen voor hen.
Hij herpakte elke gedachte, bepaalde ze met pijnlijke nauwkeurigheid,
legde in vervaarlijke naaktheid zijn toestand bloot. De schaduw van de
bedtopjes op de venstergordijn roerde onrustiger en de kaars, klein
geworden, deed wanhopige sprongen op den gebloemden kandelaar. Het
docht Simon dat een geheimzinnige tocht door de kamer voer.
Hij stond recht, lengde zich uit. Hij stapte rap over het tapijt,
trok de lade van eene lage kas open, vatte daar iets en, besloten,
ging staan bij het bed. Hij bekeek het donkere tuig, het stalen kolf
je, den korten loop, de zes tipjes der kogels ....
De kaarsvlam, na een uiterst wipje, viel. De kamer was stil en duister.
Toen, heel zacht, draaide de klink en werd geluideloos de deur
opengeschoven.
--Simon, sprak eene zoete stem, Simon, slaapt ge?
Hij boog zich schielijk, liet het wapen wegzijgen op het bed, baadde
plots in eene groote liefde. Hij beet op zijne lippen om niet los te
barsten in luid gesnik, zei dan, al zijne krachten inspannend:
--Bijna, moedertje .... ik dank u ....
Hij hoorde nog:
--Da's wel .... da's wel .... ik had zoo'n redelooze bangheid alweer
.... Dek u goed dicht, beste jongen.
En de deur schoof stillekens toe.
II.
HET IVOREN AAPJE.
Op een middag van Maart, na een ritje in het Terkamerbosch, stond
Rupert Sörge in zijne toiletkamer, alleen. Hij had zich met groote
zorgzaamheid aangekleed en schikte thans nog een roségouden dasje, dat
heerlijk boven zijn groengestikt vest kleurde. Hij was lui werkzaam,
ging traag naar de hooge spiegelkas, spande nauwkeurig de vesten van
zijne broek. Hij stak eene sigaret aan, die hij, dadelijk daarop,
in een bronzen aschschelpje liet doodsmeulen.
Takker trad binnen. Sörge sprak hem seffens aan in die kortklappende
taal, die hij placht met hem te gebruiken. Hij sprak rap, met
eenklanken, zonder van den spiegel op te zien.
--Hoe was Verlat?
--Onzeker, dierf niet, las tweemaal uw briefje .... maar--
--Nu?
--Hij zal komen.
Sörge keek om, blikte Takker scherp in de oogen.
--Denkt gij dat zoo?
--Neen, ik heb gewacht tot hij zei: ik kom. Hij zei eindelijk heel
vast: ik kom.
--Goed.
Takker draaide even tweemaal rond zijn meester, overzag met vlugge
oogen de geheele toilet, vingerde een draadje over den rug weg en
sloeg ergens, zacht en handig, eene valsche broekplooi in orde. Dan
bracht hij hem zijn hoed, zijne handschoenen, zijn rieten stokje en,
al de deur openend, hield, schoon op zijn arm gevouwen, de overjas
met pelsen kraag.
Sörge ging hem voor, aarzelde bij de trap, verzond Takker naar de
vestibule. Hij zelf ging Francine in hare kamer opzoeken. Hij had
éen handschoen aangetrokken.
Mariëtte stond reeds op den drempel, beladen met den zibelienen
mantel. Francine, achter haar, herstak, onder de bruinroode pluimen
van haar wijden grijs-vilten hoed, eene zware saffierspeld. Niet zoo
gauw merkte ze Sörge, of ze liep hem blij te gemoet.
--Ben ik te laat, Rup?
Hij schudde vriendelijk zijn hoofd, bood haar zijn arm. Ze stapten
zwierig, lichtelijk nevenseen, de trappen af. Ofschoon Takker reeds
de voorpoort geopend had en men daar de paarden hoorde kloeven, leidde
Sörge zijne vrouw in het klein salon en, verrukt achteruitwijkend:
--Wat zijt ge schoon! sprak hij.
Ze wendde zich langzaam om, glimlachend, gestreeld, en zijne oogen
waren vol bewondering. Hij kwam haar dan aanraken met gevoelige
vingeren, omarmde haar en, toen hij wel wist dat ze in zachte duizeling
ging wegzinken, kuste haar op haar mond. Ze bezag hem door hare tranen,
bloosde lang en, binstdat ze rilde, slierden over hare schouders
zijne ervaren vingeren weg. Seffens lachte hij luid.
--Ik word waarlijk zot!
En lispelend achter haar, in 't uitgaan:
--Je t'adore, vezelde hij.
Ze waren gauw in het rijtuig en de frissche Maartlucht (de dag was
klaar en zonnig) woei deugdelijk om hun hoofd. Ze bleven een tijd
lang zonder praten. De groene laan voorbij vroeg Francine over zijn
schouder:
--Zeg 'es, ik wou u wat vragen .... ik wilde het sinds gisteren
reeds ....
Hij leunde tegen de kussens, sprak gewoon, zonder gebaar:
--Ja, dat weet ik wel.
Ze boog voorover en staarde hem in zijne oogen aan. Ze had er zich
aan gewend dat hij vooruit hare begeerten en hare zorgen kende,
maar ditmaal was ze zeker dat hij niet alles wist wat zij vragen
moest. Ze ergerde zich eenigszins aan zijne kalmte en nu vooral aan
zijne falende meesterschap. Een oogenblik was 't, alsof ze met een
ruk hare boeien zou afsmijten.
Dat alles zag hij in haar groenen blik. Hij liet haar niet rechtzitten,
vatte hare handen.
--Ja, hernam hij, dat weet ik inderdaad.
--Mevrouw d'Orval.
--Juist, over mevrouw d'Orval. Gij wilt weten of ik haar gisteren
voor het eerst ontmoette. Vraag maar. Wat hindert u, liefje?
Ze sloeg hare oogen neer. Ze was ineens weer een nederig diertje
vol schuchterheid. Maar dadelijk herzag zij, door haar rap gepeins,
de vreemde vrouw van gisteren, in de logie van haar eigen broeder,
eene onbekende, die geen enkelen blik naar de scène wierp en bij elke
gelegenheid Rupert had bespied. En ze vroeg, met vastheid:
--Was het de eerste maal?
--Ja .... Ik denk wel: ja ....
Hij veinsde eene lichtzinnige onzekerheid, die Francine zeer deed. Hij
voegde erbij:
--Het is eene vriendin van Ernest.
In haar hart rees niet eens het lijdelijk beeld van Vere, en Rupert,
die 't merkte, glimlachte heimelijk. Ze dacht niet aan Ernest;
in de nabijheid van Rupert nam ze dezen toestand aan, die Vere zòo
vernederde. Ze dacht aan Rupert en aan de vrouw, die hem beloerd had.
--Ze keek wel zonderling, zei ze nog.