Ernest blikte naar het vaasje en dan weer naar de uurplaat, welke

met kleine paarse roosjes beschilderd was en den dubbelen schicht

van hare blinkende wijzers traag over hare gouden cijfers voer. Hij

dacht aan zooveel dingen te gelijk, dat hij in zijn hoofd geen een,

meer dan een paar seconden, bijhouden kon, en telkens sloeg hij dan

die verwarde gepeinzen uiteen met een wrevelig:

--Waar blijft ze toch!

Seffens herkwam het leitmotief van zijne kommernis: hoe hij zich

houden moest. Hij kon nergens zich houden zooals hij was. Hij dichtte

het voorkomen dat hij aannemen zou; hij voegde in zijn geest de

ingewikkelde stelling saam, waarnaar hij zich op zijn gunstigst

zou gedragen. Het gevoel dat hem hier had aangedreven was oprecht,

en hij meende dat hij Milly liefhad. Hij wilde echter den uitschijn

van die liefde aankleeden, alsof hij vreesde dat zij op zichzelf

niet mooi genoeg was om zich op eene eenvoudige en natuurlijke wijze

voor te doen. Zoo was hij gedurig de speelbal van onvruchtbare zorgen

en sloot hij, in nuttelooze leugens, de minste zijner aandoeningen,

ofschoon die, kon hij ze buiten zijne onrustige zwakheden vrijwaren,

misschien zeer eerbaar mochten zijn.

Milly d'Orval, welke hij daar ongeduldig zat af te wachten, kwam--het

deed hem vreemd aan!--juist binnen op het oogenblik dat hij, aldus

wachtend, niet meer dacht aan haar. Hij stond gauw recht en groette.

De verschijning van Milly was een wonder. Ze droeg een van die

nauw-spannende kleedingen uit éen stuk, die men, om hare soepele

sierlijkheid en haren vorstelijken eenvoud een "prinses-robe"

noemt. Het kleed teekende met betooverende zuiverheid de

mooi-uitlengende en rijk-afgeronde lijnen van haar rijzig lichaam;

de mouwen, smal en effen over hare armen getrokken, vielen met

een drielobbig lepje op hare handen, en haar kraag reikte alonder

hare kin en tot tegen hare ooren een dubbel tipje van uitgerokken

fluweel. Alleen het hoofd en de handen waren naakt. Dit kleed was

geheel Milly, en het was Milly zoo weinig, dat haar lichaam er haast

bloot en triomfelijk doorstraalde.

Wat echter het meest trof, was de kleur ervan. Milly's kleed

was als uit een blad van kokend vermiljoen vervaardigd en men

had het met duizenden metallische scherveltjes bespikkeld, rond

en veel-blikkerend en kardinaal-rood, zoodat het nog in ziedende

droppels te spatten scheen. Het leefde, gelijk de schelphuid leeft

van een natte parelhagedis.

Milly reikte aan Verlat hare hand, waar, eenzaam en voornaam, een

achthoekige topaas binnen een snoer van violette amethysten glansde;

en, terwijl hij ze gretig nam en zijn hoofd erover bukte, beantwoordde

zij met een ernstig knikje zijn groet.

--Ik dank u, Ernest, zeide ze stil.

Ze zette zich in de sofa en het was verwonderlijk hoe daar het

gepailleteerd vermiljoen tegen het grijs-mauve satijn van het hout

en het gebloemd tapijtgrauw beweeglijk opvonkte. Verwonderlijk was,

daarboven, het bleek gezichtovaal dat, blond-rozig, onder de zachte

schaduw van de weelderig in kroonvorm opgeleide haarstapeling, met

het vuur van twee groote oogen speelde. Ze droeg, buiten den zwaren

topaasring, geen juweelen; een onzichtbare kraalkorrel verborg de

gaatjes van hare oorlappen, en een breede ebbenhouten kam, bestoken

met drie robijnen, hield hare roode vlechten op.

Gedurende eene stilte die den vlijt van het porseleinen klokje kwam

verraden, mat Ernest opnieuw de afstanden en zijne houding. Toen vroeg

hij haar hoe zij zich na het feestje bevonden had, en vertelde haar de

praatjes die hij op den klappieklepper van Florjan was te weet gekomen,

al dat gewauwel van nijdige menschjes, welke hun spijt uitzabberden

in vuilen achterklap.

Ze viel hem in de rede. Het docht hem dat ze niet eens geluisterd had.

--Ernest, sprak ze, hebt ge goed nagedacht over wat gij zijt .... en

wat ik ben? Ik gaf u haast een week tijd om rustig daarover na te

denken. Weet gij nu zeker wat gij zijt?

Ze sprak met zoo diepen, kalmen ernst, dat Ernest er klein bij

werd. Hij voelde het verschil van peil waarop zij beiden zich

bewogen, maar kon de toestanden niet oriënteeren. Zij moest eerst

doorspreken. Hij wilde niet dat zij hem zag kleiner worden onder

haar overhand.

--Ik geloof ja, antwoordde hij in een lachje. Wat bedoelt ge eigenlijk?

--Niets kwalijks. Maar gijzelf moet goed weten wat gij bedoelt met

hier te komen. Ik vrees dat uw begrip daaromtrent niet geheel klaar

is. Gij verlaat uwe vrouw, en dat mag men niet zoo losjes doen. Dat

is zeer belangrijk, jongen, niet omdat ge getrouwd zijt, maar omdat

die vrouw u bemint. Ik was niet getrouwd--en ik heb "verlaten." Ik

heb naderhand geweten wat dat beteekenen wil. De hemel is mij getuige

dat ik u niet verleid. Ik heb u immers niet lief.

Ze sprak op een gelijken langzamen toon. Zij had eene fulpen

kontraltstem, die zij scheen in eene halve donkerte te leiden, waar ze

mild en ingetogen klonk. Ernest bloosde, pikte haar laatste woord op.

--Gij zijt oprecht, zei hij, ik zeg niet dat het mij aangenaam is.

--Niet flauwklappen, nu, Ernest, zegde ze, iets heviger, zoodat,

breeder bijgevolg, het malsche geluid rijp uitklokte; ik lach niet,

ik maak geen mooie zinnen. Ik wil weten wat ik heb, als ik u later

mocht lief krijgen. Wij bewaren niets van een geurig gekir, dat wij

alle twee te verstandig zijn om rond malkanders lippen te zeemen. Wat

ik u geven wil, is meer dan een geil spelletje; maar gij moet het ook

voor meer houden, en, als ik van u iets aanneem, moet gij ten minste

bewust zijn van wat gij aan te bieden hebt.

En, daar hij zweeg en op zijn duimnagel de graantjes van de haverbel

deed wippen:

--Ik wil weten, vervolgde zij langzaam, of ge mij begeert, mij geheel

en al, en niet slechts wat in mij van Sörge overblijft.

Hij schrok op. Ze had zeer raak de zwakheid getaakt, die hij zichzelf

niet bekennen dierf. Las ze in zijn ziel, spijts alle leugens, of

loog zij behendiger dan hij?

--Want, sprak ze verder, neerblikkend op het korenkorreltje dat over

zijn hand gesprongen was en nu in twee haren van de vloervacht hing,

want, Ernest, wat van Sörge in mij overblijft, behoort mij niet en

kan u nooit toebehooren. Wat zegt gij?

Hij bedacht zich een oogenblik. Zij was zoo dicht bij hem en hij

voelde dat ze hem ontsnappen kon. Hij werd bang voor de liefde

die hij met trage zorgen in zijn hart gevoed had, bang vooral dat

al zijne hoop mocht verschroeien eer ze, in hare eenzaamheid, van

uitputting stierf. Met die bangheid sloeg zij al hare vuren door

zijne aderen. Hij stond recht in de vlammen en zijn begeerte reikte,

als een reusachtige poliep, hare honderd armen.

--Milly, zei hij, ik heb niet over dat alles nagedacht. Ik heb nu zoo

langen tijd, en in deze laatste dagen het hevigst, aan u gedacht. Wat

is hierin nadenken? Van op den eersten dag ben ik vol van u, maar

toen was mij zelfs de hoop verboden. Ik deed niets om eenig recht

op hopen te hebben. Dezen avond hebt ge mij ontboden. Ik kom, Milly,

ik kom zonder iets tot u, omdat ik dacht dat mijne liefde voldoende

was. Ik kan dat met u niet beredeneeren. We staan, vrees ik, te ver

van malkander af, en we zouden malkander niet begrijpen. Gij vraagt

wie ik ben, en ik ben uw eigendom. Gij spreekt van mijn vrouw, en

gij weet dat ik ze, om u, al lang verlaten heb. Gij veronderstelt

dat gij uwe hand maar te openen hebt om mij aan mijn eigen terug

te geven, en gij wilt mij doen gelooven dat ik dan waarlijk in

mijn toegeknoopte jas zit en gerust naar huis kan keeren! Neen,

Milly, er zijn bezittingen die willen bezeten worden. Gij hebt mij

genomen, en ik wil dat gij me houdt, omdat ik leven wil. Zoo is de

zaak. Laat ons daarover niet twisten .... Maar gij zegt dat ge mij

niet liefhebt. Dit verandert niets in mij. Alleen betreur ik dat ge

niet nog een tijdje gewacht hebt, eer ge die roode garve meendet op

uw tafel te moeten leggen. Of dacht ge misschien dat mijn liefde mij

niet dierbaar genoeg was om te eischen dat men haar zou eerbiedigen?

Milly viel hem zenuwachtig in de rede. Ze brak het nagelpokertje dat

ze in hare vingeren probeerde om te plooien.

--Maar mijn goeie vriend, deed ze ongeduldig, ge kent mij niet

eens! Wie hebt ge lief? Ik ken u. Als ik u liefkrijg, weet ik dat ik

u niet om u verlaten zal. Mijn waarborg moet zijn dat gij hetzelfde

van mij kunt zeggen. Eerlijk, Ernest: ik vermoed dat ge in mij het

spoor van Rupert Sörge zoekt.

--Ik weet het niet! Ik weet het niet! En wat scheelt het mij? Indien

er nog iets van Sörge voortleeft in u ....

--Ja.

--.... wel, gij zijt toch ook dat iets ....

--Ja. Ja.

--.... en ik neem u geheel!

Ze schudde langzaam haar zacht-gebogen hoofd en hij bleef haar

zwijgend aanstaren. Toen zeeg ze geheel achterover in de sofa,

lei hare armen op de leuning tegen den muur en lengde hare beenen

uit in de ruisching van hare rokken. Ze was alzoo, tegen de grijze

hoofdkleur van de kamer, een rood-glinsterend kruis, bekranst boven

zijn hart met de kroon van hare roode haren.

--Ge vergeet juist Sörge, sprak ze, vreemd-lachend. Het is dan ook

beter dat ik u mijne schaamte beken. Ja, er is in mij nog iets

van Sörge, dat ik niet heb kunnen uitroeien. Dat iets kunt gij

niet nemen. Het behoort hèm. Als de vijlen van den tijd het niet

breken kunnen, moet ik het terug aan Sörge geven. Hoe raar toch is

dat! .... Ik heb Sörge nog lief.

Hij zakte stil neer op zijn stoel, en een heele poos kon men het

porseleinen klokje, gelijk een teer gedrop, de sekonden zacht-spattend

tegen den Venetiaanschen spiegel hooren slaan. Ernest keek de eerste

op. Hij zag Milly, steeds als een kruis, daar uitliggen en blikken

zonder roeren naar het glimmend tipje van haar schoen. Hij zag haar

adem matelijk onder de kardinaalroode scherveling zwellen--en dat

ze heerlijk-schoon was, schooner dan hij haar droomen kon, dat hij

haar liefhad, nu ineens zoo lief dat hij een oogenblik het masker van

zijn aangezicht liet vallen en oprecht-laf, eerlijk-laf werd.... 't

Zweepte hem weer overeind.

--Nu dan--zei hij aarzelend.

Dit was het éenig oogenblikje, waarop hij zich overgaf gelijk hij

was van binnen. Met dat "nu dan" waarbij hij toestemde haar slaaf te

willen zijn en met Sörge de gunsten van haar geest te deelen, spreidde

hij zijne lafheid open .... Hij had daarna een snik, als om het woord

weer in te slikken. Hij scharrelde het gevallen masker op, kuchte

even, herzette zich, waar hij thuis hoorde, in zijn zwakpeuterend

bedrog. Hij hernam dat woord met andere intonatie en verdraaide den

eersten gedweeën indruk in de valsche waardigheid van een tweeden:

--Nu dan .... deed hij droef, ik zal dus gaan en wachten.

Hij stond inderdaad weer recht, ofschoon hij pas op zijn stoel was

neergezonken.

--Wilt ge weg? vroeg ze lui, zonder roeren.

--Ik ben immers te vroeg gekomen!

Even liet ze hare armen neerzijgen, plooide hare beenen en ging recht

overeind zitten. Ze schelde en aan den knecht, die in zwarte livrei

in de groenbelichte deurholte kwam staan, vroeg ze of de paarden

ingespannen waren. Dat waren ze.

--Ernest, zei, ze terwijl ze zich ongedwongen in een trage ontwikkeling

van hare leden rank oplichtte, ik deed het coupé klaarzetten in de

verwachting dat ik met u ergens kon gaan avondmalen. Het zoude mij

zeer aangenaam geweest zijn. Ik voel me zoo eenzaam .... me dubbel

eenzaam, ik verzeker u.--Josse! doe uitspannen ....

--Pardon, het zou jammer zijn. We zijn toch vrienden? Ik neem u mee,

mevrouw.

Ze dankte hem met een vriendelijk lachje en Josse bracht haar mantel

en hare pelsen palatine. Ernest zelf wierp haar den mantel om, die

van een donker, zoogenaamd aubergine-kleurig laken was, en de heete

gloeiing van haar kleed verdween eronder gansch. Ze zette, al zich

verontschuldigend, een toque met wijd-uitvlerkenden en groen-blikkenden

wouduil op de voorste vlechten van het rood-blondig haar, en stak in

de hermelijnen voering van haar platbreede mof hare bloote handen.

Ze spraken weinig. Op den Treurenberg stapte hij af en kocht haar

bij een bloemist een tuiltje Parmezaansche violen. Ze aten bij Riche,

in een apart-salon. Het soepee liep losjes, stil, onlustig af. Milly

d'Orval vertelde van haar verblijf in San-Moritz, waar zij een rijk

Joodje had ontmoet, dat haar sindsdien niet meer kon verlaten.

--O! dat Joodje met zijn wrijvende vingeren? deed Verlat.

Ja. Hij deed haar prachtige voorstellen en legde een aandoenlijk

geduld aan den dag.

--Zie! zei Milly lichtjes, dezen avond juist moest hij me komen

vinden. Ik zou hem een bepaald antwoord geven. Wat zal ik doen?

Ernest vroeg of dat mannetje groote vooruitzichten had, en hij vernam

dat hij Milly wilde meenemen naar New-York waar hij haar een keizerlijk

bestaan verzekerde. Hij lachte bescheidenlijk mee met haar, terwijl

ze over hem aan het praten was. Het Joodje heette Dean-Diggle. Het

was een oud-diamantslijper.

--Kijk maar, wees Milly, hare hand boven de roemers uitreikend, dezen

topaas zond hij me, op een avond, met een zijden touwtje rond de

stengels van een bundel leeljen gebonden. Hij is achtkantig geslepen

en hij heeft, naar men zegt, eene groote waarde.

De topaas was groot en diep. Het kaarsenlicht brak er in en spitterde

uit in honderd gouden stralen. Ernest beweerde dat topazen over het

algemeen niet zoo zeldzaam waren. Hij verkoos de roosvormige robijnen,

die er rond waren gelegd.

--'t Zijn, vertelde Milly, robijnen uit een zilveren hartje dat Sörge

mij in Nizza gaf.

--Zoo! ....

Ze dronk een slokje mineraalwater en proestte 't uit in haar servet.

--God! lachte ze met natte lippen, wat een potsierlijk zicht is

dat hartje nu, met zijn geblutste randen en al die gaatjes zonder

licht! Ik heb het ergens in een lucifersdoosje gestopt, geloof ik ....

--Maar ge draagt het licht op uwe vingeren.

--Ge zegt het aardig. Inderdaad.

Zoo taterden ze. Daar kwamen soms lange stilten, waarbinst ze alles

rondom hen zaten te beluisteren en te bezien. Het kon verveling

heeten, maar het was eigenlijk de stille aandacht voor alles wat,

binnen de toekomst, in aantocht was.

Ze bleven niet zeer lang bij Riche. Milly d'Orval vroeg dat hij

haar naar de Savoy zou leiden, waar ze konnen koffiedrinken. Ze had

gaarne de Bohemersmuziek, die men daar hoorde en die haar aan zoovele

beelden uit het verleden herinnerde. Ze was 't echter seffens moe

en de samovar was nog niet bezonken, als ze reeds verlangde gauw weg

te zijn. Ze wilde naderhand te voet de Anspachlaan doorloopen, maar

't begon dan te sneeuwen.

Ze had een kinderlijke vreugde bij deze eerste sneeuw van 't jaar,

en ze stapte langzaam het rijtuig in om de koude vlokjes op haar

gelaat en hare uitgestoken hand te voelen. Ze keek, wanneer ze reeds

neerzat, langs het kleine raam naar de trage floddering van waggelende

veêrkens en ging na hoe er soms een tegen de ruit aanstiet, verkleurde

en in schokkende dropjes over 't glas neerbiggelde. Ze zag, op straat,

de menschen gauw doorstappen, tegen de vlage in, zoodat hunne borst,

schouders en knieën met het licht ijs waren beladen. Ze zag de witte

lage op de bogen van regenschermen, onder de geelvervende klaarte

van de gaslantaarns. Arme sukkels blikten, onder grauwe sjaals of

kleppen van beermutsen, droef mijmerend op naar de voorbijvarende

rolling van het rappe coupé.

Milly begeerde nu het gewoel van een der groote koffiehuizen van

de Brouckereplaats. Ze zat sprakeloos in de zure rookdampen toe te

kijken, bleef in de vouwen van haar mantel rond de marmeren bladen

van tafels en bij de vergulde pijlers, dik behangen met jassen,

pelissen en hoeden. 't Verveelde haar gauw.

--Ernest, zei ze, ik word onverdraaglijk. Het beste is nog dat ge

mij naar huis brengt.

Hij glimlachte geduldig en hielp haar weer in de koets. Zij reden

door tot op den Kortenbergschen steenweg, die eenzaam lag onder zijn

effen-blank sneeuwgewaad.

--Het is nog zeer vroeg, fluisterde Milly, neemt ge een grogje bij me?

Hij sprong uit het rijtuig en bood haar zijn arm. Wanneer ze in

de vestibule stonden en Ernest het mofje en de palatine overnam,

kwam Josse melden dat mijnheer Dean-Diggle, in de voorkamer,

al meer dan anderhalf uur op mevrouw zat te wachten. Ze fronste

wrevelig hare wenkbrauwen, klapte kwaad in hare handen, gebood dat

men hem om de liefde Gods eens en voorgoed doorzenden zou. Ze ging,

hard hieltrappend, met Verlat in het grijze boudoir en liet onder de

vijfarmige kandelaars, vóor 't kleine haardvuur, haren blauwpurperen

mantel neervallen. Binstdat ze haar hoed ontspelde en alles tegare

op de armen van den knecht lei:

--Ernest, zuchtte ze, zoo is meteens het reisje naar New-York opgezegd!

--'t Was toch gekheid ook, Milly. Daar dacht ge immers niet aan?

--Wie weet!

Ze bereidde zelf zijn grogje, verschoof het groene vaasje met de

oranje haverbellen en, hare armen uitlengende over het dampende

waterstel, raakte met haar gebogen schouder even zijn borst. Ze

praatte weer lustig ondertusschen en het begon gezellig te worden

bij het onhoorbaar steenvlasvuur.

--Drink, zei ze.

Hij dronk niet; hij staarde willoos naar de wiegende dampringen,

ging dan roeren in zijn glas en, met een lepeltje, de citroenschil

storen, die rustig op de vlakte lag. Milly zweeg. Ze zweeg een langen

tijd, had zich in de sofa, half-achterover, neergevleid en blikte

lui, loom-vingerend over de gouden draden van de grauw-bebloemde

stoffeering--en ze zweeg. Men hoorde het lepeltje klinken. Ze keek

hem na.

--Drink, deed ze nog op diepen, orgelenden stemtoon.

--'t Is wat warm, lachte hij, dwaas-verlegen.

En terug, gevaarlijk, vol met de aantiegende dreigementen van een

zonderling-bange toekomst, heerschte de stilte. Ernest voelde de

oogenblikken naderen en gebeuren, verwonderd dat er niets barstte

ievers, niets brak, niets instortte. De oogenblikken waren om de

randen van zijn grogje geschaard.

Wat wilde hij eigenlijk? Wat bleef hij hier doen? Het was maar al

te duidelijk dat ze malkander niets meer te zeggen hadden, dat zij

waren uitgepraat. Zij konnen toch niet gezelligjes rond een haard

gaan zitten en sprookjes vertellen in den avond! Ze konnen zelf niet

gewoon spreken over zaken die hen niet aangingen, want hoe zouden zij

de onverschillige woorden vinden om hunne belangloosheid te zeggen? Het

was een ellendig samenzijn, de toenadering van twee afgronden die elk

een tegenovereen aandruischend geluid hebben gegeven. Hoelang moest

dat duren en hoe zou het einde zijn?

Ernest Verlat zocht, al lepelend, een beleefd middel om 't maar

kort te trekken. Zijne liefde zou er haar deel hebben, als hij haar

in eenzaamheid wat liet bekomen. Hij bezeerde haar in een gehakt

onderhoud, waarvan de vormlooze heimelijkheid eene foltering werd.

Milly d'Orval die speelsgewijs hare vingeren door mekaar aan het

spoelen zat, liet onbedacht den topaasring vallen. Hij joepte langs

hare knieën en sprong tweemaal over de zwart-witte vloervacht, haast

tot op Verlat's voeten. Hij boog zich om hem op te rapen.

--Laat! riep ze rechtwippend.

Haar kleed sloeg aan tegen zijne ellebogen. Hij hief zich op en

stond plots in hare armen. Hij schrok geweldig, had geen tijd tot

bezinning, werd in een klingelend gekraak van roode blikkertjes

binnen de knellende roode mouwen geprangd. De lauwte van haar lijf

zoelde er door. Hij voelde de zwaarte van hare bewegende heupen,

de hijgende zwelling van haar boezem. Hij zag hare oogen, verging in

dien dobbelen gloed.

--Milly! bad hij.

De roode vlammen, die opwapperden om haar, besloten hem. Hij wankte,

werd geheel weerloos, rilde alsof hij den dood taakte ....

Toen, in een ongenadige omhelzing die zijne wimpers sloot en zijne

vuisten ontspierden, drukte hij wild, bloedlustig, op zijn moeden

mond hare heete, bijtende lippen. Ze zoog traag, gierig, woest-zat,

het lillend leven uit zijn hart.

EINDE VAN HET DERDE GEDEELTE.

VIERDE GEDEELTE.

I.

DONAAT EN CORDULE.

Januari verviel in grauwnatte sneeuwdagen. Leelijke tempeesten hadden

over de stad gehuild. De tijd was bang.

De oude heer Peter en zijn oud vrouwtje zaten van weerskanten den open

haard, in de kleine achterkamer. Ze zaten er dagelijks te zwijgen en

keken onderwijl naar de oude voorwerpen of, langs het venster, naar de

schaduwen van den dooden tuin. Het noenlicht doezelde violet-achtig

op de ruiten, bracht in huis eene aarzelende klaarte, waarbinnen

de meubels schenen te roeren van een lui en zonderling leven. Eene

mahoniehouten schapraai stond tegen den blauw-rooden muur en hare

donkere lenden droegen een traag-asemend mysterie, dat daar peinsde,

vol verleden, en zonder verlangen de uren mat. Antieke potjes waren

op het marmeren blad geschikt en een stervend goud kwam nog over hunne

gesleten randjes bewegen. Midden-in, onder een glazen bokaal, rees een

zilveren Kristbeeld en, aan beide kanten, verkleurden twee porseleinen

bloemtuilen, overladen met een stof van ouderdom en verslensd door

geheimzinnige mizerie. In ronde lijsten hingen daarboven de bleeke

portretten van een jongen man en eene jonge vrouw, even onder het

frisscher portret van een twaalfjarig kindje.

Donaat had reeds langen tijd de levende schapraai bekeken en zijne

gedachten erover laten gaan. Hij beet zachtjes, al lippelend, op eene

sigaar die hij pas had aangestoken en die seffens was uitgedoofd,

een klein dampkrulletje opjagend in de ruimte. Nu overbeet hij ze

zachtjes, zoog soms werktuigelijk, schudde ze met een tikje van zijne

levende vingeren over den aschbak. Hij bezag de roerende kleuren op

de paneelen van de donkere schapraai. Hij bezag de delikate potjes. En

hij had een groote gedachte, die woelde in zijn hoofd, dat alle kleine

gedachtjes wegdrong, gelijk een dwingeland.

Cordule, niet verre van hem, borduurde. Hare korte handjes betastten en

overstreelden het luie borduurwerk. De naald was zonder draad. Alsof,

bij stonden, waarlijk de arbeid haar vermoeide, zuchtte ze eens diep,

blikte dan op, ter verpoozing, naar de porseleinen tuilen, naar het

Kristbeeld, naar de portretten--lang, lang, naar het portret van het

twaalfjarig kind. Iedermaal huiverde ze na een tijdje, keek, als iemand

die men op kwade inzichten betrapt, schielijk om naar den ouden Peter,

zag, in een groote liefde, hoe de oude Peter zelf daar bezig zat.

--Vader, zei ze stil, zou-je geen kopje koffie .... ?

Hij glimlachte dwaas, sprak niet, schudde zijn hoofd. Dan stond Cordule

recht en nam een fosfoordoosje. Ze ging zelf zijne sigaar aansteken, en

hij dampte ineens lustig en overvloedig. Ze klopte op zijne schouders

heel zoet en sukkelde weer naar haren stoel, met een vol hart.

Maar nu, na eene nieuwe stilte, kwam van uit den sombersten hoek

der kamer een heesch gerucht aanroeren. Het hooge kasthorloge deed

hare hersens reutelen en sloeg daarna elfmaal hare zilveren tong in

de lucht. Eigenlijk rilden Donaat en Cordule. Eigenlijk voelden ze

eene pijnlijke benauwdheid, en hunne vingeren begonnen koortsig te

scharrelen over hunnen schoot. Ze keken malkander aan.

--Elf? ....

Ze knikten. Ze bogen saam hun hoofd. Deze oogen verdroegen 't gewicht

niet van die twee andere en alle vier blikten ze saam omlage, onder

een grooten last, zoodat, op een nieuw, de gewone stilte herkwam,

't gewoon gedoe van dingen en kleuren.

Het begon te sneeuwen. De haard gloeide warm en geluideloos. Het

borduurwerk blikkerde in Cordule's handen. Weer vroeg ze flauw:

--Zou-je toch geen slokje koffie ....?

--Koffie? .... Neen .... neen .... dankje zeer.. Ze blikte droevig

naar 't venster, waar de witte vlokjes door malkander heenwiegelden,

op windjes.

--Wat een triestig weer, zei ze nog.

Hij keek ook op. De zacht-klare ruit viel blauwig in zijne oogen. Zijn

voorhoofd werd klein, angstig.

--Zeker, zeker, antwoordde hij, het is een triestig weer.

En binstwijl brokkelde zijne sigaar eene lichte asch op den tip van

zijne sloffen en, met een uiterst damprondeken, stak ze dood tusschen

zijne onrustige vingeren.

Beiden voelden dat ze met woorden hunne bange gedachte zouden

benaderen, en dan, vol schrik, zwegen ze, niets vindend waarover

ze spreken konnen. Ze doken weg in de stilte en alweer, zoetjes,

zette zich de rood-houten schapraai in den schemerdag aan het

leven. Sabine, de meid, die kort daarop binnenkwam, bracht in de

kamer de geweldige gezondheid van haar blozend gelaat. Ze maakte zich

seffens vriendelijk-toornig, gelijk dat, sinds maanden, om bestwil

haar gewoonte was geworden.

Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven · 第 27 / 35 段