schrijn.... Wel! het heeft u toch eindelijk geluk bijgebracht.... Zoo
loof ik den Hemel!
Hij sprak dan niet meer, en dàt kon hij gemakkelijk, want mevrouw
Verlat had nog zooveel te vertellen, dat zij hem nergens de plaats
voor een woord open liet.
Het feest, inderdaad, was geheel anders.
Het moest, had Ernest besloten, een waar feest zijn. Het was het eerste
echtfeest, dat hij sinds zijn huwelijk ingericht had. Het kon soberder
geweest zijn; maar hij meende, met het geschater van een geweldige
overdaad, zijn gebrek aan oprechtheid te overschreeuwen. Hij had aan
Vere gevraagd, wie hij al uitnoodigen mocht. Het speet haar dat hij
't niet wist. Hij was voornemens een hoop vrienden te ontbieden en
keek zeer verwonderd op, toen Vere het hem verbood.
--Het is een avondje voor ons, had zij gezeid, alleen en ganschelijk
voor ons. Buiten onze gewone huisvrienden mag daar niemand aan tafel
zitten. Het moet het gezelschap van verleden jaar blijven--met u erbij,
en Rupert zal dien armen Simon vervangen.
Het trof hen beiden hoe ze dat zoo onbedacht zei; en 't klonk nog,
binst eene korte stilte, in hunne ooren, als den nagalm van iets wijds,
van iets pijnlijks:
--Rupert zal dien armen Simon vervangen....
Men trachtte Lieven Lazare te bewegen zijn plaats aan de feesttafel in
te nemen. Hij kon niet, had hij beweerd, maar hij wilde wel mijnheer
Johan Doxa, als een gevolmachtigden gezant, op de plechtigheid
afvaardigen. Hij gaf hem, vóór zijn vertrek en terwijl de gothieker
onmogelijke pogingen deed om, in een kwartje spiegel van drie duim
breed, een stukje van zijn nieuwen hoed te zien blinken--hetgeen
mijnheer Lazare seffens en uitdrukkelijk voor een onfeilbaar teeken van
de aanwezigheid des Duivels nam--hij gaf hem zijn zegen en hoopte dat
mijnheer Doxa, na te hebben weerstaan aan alle helsche tempteeringen,
rein en ongedeerd mocht wederkeeren.... liefst te voet. Hij had er
tot tweemaal en vingerwijzend bijgevoegd:
--Liefst te voet, Johan!
Hij wist dat Johan Doxa, van zijne huwelijkservaringen, een zonderlinge
neiging bewaard had en dat hij, telkens als hij van een toertje
in de stad terugkwam, de houten vlieringkamers met een lucht van
Hasseltsche graanjenever omgeurde. Johan Doxa noemde dat, zonder
verdere uitlegging:
--Een slaapmutseken, Lieven, tegen de nachtmerrie en de beproevingen
van den Antikrist.
Mijnheer Lazare vreesde dat Johan Doxa, bij deze gelegenheid, meer
slaapmutsekens zou aantrekken dan zijn hoofd dragen kon, en dat
was iedermaal tot groot nadeel van dat hoofd, hetwelk des anderen
daags dan op zijne schouders pijnlijk en zwijgend te vierhameren
stond. Mijnheer Johan Doxa vertrok in de kales van mijnheer Verlat,
die hem zelf aan het poortje van den tingel-tangel afhalen kwam, en
hij beloofde te voet naar huis te keeren. Zijne fierheid was niet
weinig gestreeld, toen hij de verbaasde troniën van zijne geburen
naar de kloefende paarden en het mooie rijtuig opkijken zag.
Ernest had, in den voormiddag, herhaaldelijk aangedrongen om Donaat
en Cordule, de ouders van Simon Peter, mede te krijgen. Hij was hierin
niet geslaagd, en het speet hem erg. In geen twee jaren had hij zooveel
aan Vere gedacht als in de twee laatste dagen. Hij wist niet wat uit
te vinden om het feestje aan te dikken. 't Werd eindelijk eene koorts,
waaronder hij de andere wilde smoren. Met Ko richtte hij alles in,
liep de winkels af, stelde de spijskaart op, schikte de tafel, en
mijnheer du Bessy, die aan dergelijke spektakels niet gewoon was,
gaapte hem onrustig na.
Toen hij met Johan Doxa aankwam, wachtte reeds iedereen in de
eetzaal. Hij "loste" Doxa in een hoekje, haast achter de toga van
pastoor Doening, drukte haastig de hand van Rupert en meldde dat hij
Vere binnenleiden zou.
Hij vond Vere op hare kamer. Ze bloosde toen zij hem zag, en hij
voelde haren arm op den zijnen beven. Hij klopte zachtjes in hare
hand en kuste haar op haren slaap.
--Gij zijt geheel koud, lieve! zei hij.
--Ja.... o ja.... maar neem dat niet in acht.... ik bid u....
Zij gingen de hooge spiegelkas voorbij, en zij zagen zichzelven in
de zilveren ruit staan. Hunne blikken kruisten overeen en stieten
verder aan tegen de blikken van hun evenbeeld. Ze schrokken allebei.
--Hemel! riep hij uit, wat hebt ge u mooi gemaakt!
--Denkt ge?
Nooit streelde dieper haar zijn lof. Ze keek werktuigelijk neer op
haar zwaar-brokaten kleed met de zwarte tafstrikken over de violette
bloeming, en zij was gelukkig, dat het hem behaagde haar mooi te
vinden. Op haar voorhoofd droeg ze den kleinen diadeem, dien hij, op
dien leelijken twistavond, al mokkend op den vloer geworpen had. Zij
blikten er allebei te gelijk naar. Het briljanten starretje trilde.
--Doe dat af, bad hij.
Zij had hem opgestoken opdat, gedurende het feestje, het hem nog
heugen zou. Zij deed hem gewillig af, nu zij toch zag dat het hem
heugde. Ze was blij dat het zicht van het vernederd hoofdjuweel
hem hinderde; maar zij sprak niet, terwijl zij het tusschen twee
opgewrongen haarlokken ontspelde.
Ze gingen langzaam, steeds arm aan arm, de trap af. In de vestibule
stond Ko met een zorgvuldig pakje op zijn handen, precies gelijk
verleden jaar, te wachten.
--Wat is dat? zei Verlat kort, gestoord.
De oude Ko wilde uitleggen, dat hem aleens de eer was gegund en dat
hij ze, met verlof van mijnheer du Bessy, een tweede maal had durven
waarnemen.
--Maak u weg, gebood Verlat, kom straks of morgen daarmee.... Open
de deur!
Mevrouw Verlat drukte op zijn arm, wilde toch maar het pakje en den
gelukwensch aanvaarden. Ernest gaf niet toe, vond het potsierlijk en
onbetamelijk, werd bijna kwaad in dat vlaagje zenuwachtigheid. Ko
kreeg van Vere een zoeten blik, kromde zijn hoogen rug, stak zijn
pakje in een hoek en ging, met gedweeën eerbied, de breede deur van
de eetzaal openen.
Het was eene heerlijke intrede.
Vóór de rijk-beladen tafel, waar, tusschen de kristallen en zilveren
blikkering van het eetgerief, kleine en grootere bloemtuilen kleurden,
stonden op een ongelijke halfronde, elk met een vriendelijk lachje
op het aangezicht, de blij-wachtende, aandachtige, niet talrijke
gasten. Er steeg een klein rumoer dat om Vere's hoofd in de zindering
der lichten wegzoefde.
Iedereen kwam naderbij. Francine was uiterst innemend; maar hare
beminnelijkheid, die sierlijker was dan 't jaar te voren, was lang
niet zoo eenvoudig en zoo argeloos. Ze schonk Vere een klein gouden
boekje, overladen met ingezette parelen en robijnen, en dat ze met
een fijn kettinkje op hare borst kon dragen. Binnen-in, op de vier
metalen bladen van dat kostbaar boek waren de portretten van Lieven
Lazare, Ernest, Fran en Oomken gelascht, vier miniaturen van de
hand van Johan Doxa, den welbekenden gothieker. Mijnheer du Bessy,
die er eer droevig dan vroolijk uitzag, bracht een mooie Indische
sjaal. Hij had dien koop aan juffrouw Henriëtte opgedragen, die,
door bemiddeling van een zekeren Boitacloux, hem uit de handen van
den-duivel-weet-welken smous ontvangen had. Het was een sjaal zooals
men er weinig ziet, een pracht van oranje en olijfgroene kleuren,
scherp op een zwart-zijden achtergrond afgeteekend.
--Het is een nababgeschenk, zei Vere.
Dit was ook het gevoelen van mijnheer Johan Doxa, die niet ophield
het langs alle kanten te bewonderen. Hij zelf had, als eigen gift, de
miniatuurreeks volledigd met de afbeelding van mevrouw Verlat. Het werk
was uitzonderlijk gelukt, en hij had het in een eigenhandig uitgesneden
medaljon van geel ivoor ingelijkst. Mijnheer Sörge beweerde dat dit
ivoor van een oud en zeldzaam soort was; maar mijnheer Doxa wilde niet
bekennen dat hij het lijstje vervaardigd had uit een achttiendeeuwschen
knop, welken hij bij een ruilebuiter van de Blaesstraat voor den
prijs van een half dozijn broekgespen had aangekocht.
Mijnheer Sörge was zeer in zijn schik. Hij praatte veel en toen het
zijne beurt was om Vere geluk te wenschen, wees hij naar een bloemtuil,
die op tafel stond.
--Het spijt me dat ik u niets anders geven kan dan een rankje bloemen,
zei hij; mijn geschenk is nog "in bewerking," maar ik wed dat het u
wel aangenaam zal zijn..
--Geen mysteries! riep mijnheer du Bessy, die zijn mislukt
fuifpartijtje met juffrouw Henriëtte begon te vergeten.
Sörge had iedereen zeer nieuwsgierig gemaakt, en pastoor Doening keek
hem zonderling aan.
--Mijn geschenk, hernam hij, luchtig lachend, is van een leerrijken
aard--een boek! een boek, dat nu nog niet klaar is.... een simpel
boek, mijne heeren! Maar een boek van den prozaïst Lieven Lazare,
door den schrijver opgedragen aan zijne dochter!
Mevrouw Verlat was bleek geworden en pastoor Doening's voelend hoofd
had hevig binnen zijne duizend hoorndraadjes getrild. Wat moest dat
beteekenen? En wat was die duivelsche Sörge dan eigenlijk? Vere
kon nauwelijks danken. Ze was uit hare eigen gedachten geworpen,
en het docht haar dat men haar in een tooverwereld had gezet, waar
zij alleen te ademen had. Tranen kittelden over hare oogen.
--En dit nu, sprak Ernest, is mijn cadeau! Ze stond beteuterd en
verslagen onder den wijden kroonluchter, met al die lachende dierbare
wezens om haar. Herbegon nu het leven? Begon nu een ware leven van
liefde, van licht, van vrede? Er was een mirakel aan het worden. Er
was een nieuwe tijd aan het groeien.... Ze wist niet meer waar ze
stond. De poorten van iets dat vol zon was, vol verre, verre, klare
verten, poorten van goud waren opengegaan.
Ernest nam, uit een kistje, een stralenden diadeem en zette hem op
haar hoofd.
Iedereen juichte toe. Mijnheer du Bessy riep:
--Leve de koningin!
En waarlijk, in dat onbekende rijk, in dat rijk van geluk docht
het haar dat ze, op een blauwen troon met dag errond, hoog in het
blauwe duizelend blauw, tot koningin werd verheven. Een droge snik
schokte op in hare keel. Johan Doxa bracht haar een glaasje water,
en ze huiverde als zij er hare heete lippen in doopte. Ze keek dan
lang Ernest in de oogen en zij meende er te zien dat al wat gebeurde,
de goede, blijvende werkelijkheid was.
Men leidde haar aan tafel, en iedereen zat reeds in de ronde, wanneer
het Vere inviel dat pastoor Doening nog niet gesproken had. Ze blikte
vragend op naar hem, en mijnheer du Bessy, die nu geheel blijmoedig
was geworden en alles zag, schreeuwde gelijk een kind, dat een ander
bij den strooppot betrapt:
--Hee! En Doening dan?
Er kwam een stilte, waarbinst alle oogen op den ouden pastoor waren
gericht. Hij stond recht, haalde een papieren pakje te voorschijn,
en terwijl hij het openvouwde:
--Ik heb, zei hij, niets te geven, mevrouw, dan wat ik al gegeven
heb, en dat is een groote trouwe en dankbare genegenheid. Maar ik
zal ook toegeven aan de mode en, vermits ik u verleden jaar een
gouden hartje schonk, (hij liet het ontplooid papier neervallen en
een luttel juweeltje bengelde daar tusschen zijne vingeren), schenk
ik u dees jaar een gouden ankertje--het ankertje van hoop....
--Ei! deed Sörge stil.
Pastoor Doening lei het ankertje in de bevende hand van Vere.
--Breek het niet, lachte hij zoetjes, de hoop is breekbaar; maar
hecht het met zijne twee tanden in het fluweel van het schrijn,
waar reeds het hartje ligt.
Vere had zeer duidelijk zijne schrandere bedoeling begrepen. Dat
ankertje, het was de mooie toevlucht, die hij in de verwarde branding
van hare hevige gevoelens bescheidenlijk liet zinken. Hopen! Hopen! O
ja, pastoor Doening, nu hoopte ze juichend!.... Ze hadde willen
alleen zijn met hem om het hem te zeggen, alleen onder het beschaduwd
schouwkleed, waar sinds zoo langen tijd haar eenzaam plaatsje was;
ze hadde een oogenblikje dáár, in eenigheid, willen zitten, zij die
thans oprees, in de glorie van haar hoop en bekranst met de straling
van den koninklijken diadeem.
--En, vroeg Sörge zacht, nadenkend, wanneer het kruisje?
--Het kruis, antwoordde pastoor Doening, ja dat hoort misschien wel
bij een hart en een anker.... maar nu niet, nu nóg niet.... ik zal
het later, veel later geven!
Mijnheer du Bessy had bij het woord hoop een lieven bussel aardigheden
voor te leggen, en hij vroeg verlof om de geschiedenis van Pandôra
te vertellen, van wie gezegd wordt dat zij--door Hephaistos tot
de schoonste aller vrouwen gemaakt en door Zeus, vader der Goden,
op de aarde gezonden om, in de ziel van alle menschen, Promètheus
te straffen, die het vuur van den hemel gestolen had--een heimelijk
kistje opende, waaruit vervolgens alle kwalen de wereld invlogen,
eene enkelen troost latend op den bodem: de hoop. Zij was de wettige
vrouw van Epimètheus, Promètheus' broeder....
Mijnheer du Bessy vertelde zeer liefelijk van haar en bekwam
grooten bijval. Er werd flink gefeest en de viering liep op
de voortreffelijkste wijze van stapel. Johan Doxa deed, tot op
desserttijd, zijn best om den raad van Lieven Lazare omtrent de
slaapmutsekens indachtig te blijven--daarna echter werd hem Lucifer
te sterk. Hij dronk met kleine slokjes, op min dan een half uur, een
oude flesch bourgogne ledig. Er kwam een oogenblik, dat hij meende
te moeten verklaren dat de champagne "'t bezien niet waard was." Hij
dronk hem met gesloten oogen. De echte fuif begon voor hem na de
koffie, en hij maakte met den fijnen cognac van mijnheer Verlat eene
"kennis," die hem niet meer toeliet te voet naar huis te gaan. Aan
Ko werd opgedragen met hem in een rijtuig te kruipen en hem langs
de steile trap van den tingel-tangel-zolder, desnoods met behulp van
den koetsier, tot in zijn bed te hijschen.
Het was tamelijk laat, als men afscheid nam. Pastoor Doening was de
eenige die vóor middernacht vertrok. Ernest verliet Vere niet. Zij
had dien avond het weeke gevoel van de bruid, die door een fezelenden
bruidegom in hare witte kamer wordt geleid. Alles, tot het laatste
geluid van dat wonderfeest, was haar nieuw en gedijde tot een vreemde,
ongeraden geneugte. Ze ging met hem de trap op, leunend op zijn arm,
zooals zij met hem de trap was afgekomen. Eene zoete duizeling gonsde
in haar hoofd.
Ernest zag, hoe gelukkig ze was. Nu hij weer alleen, in de
zacht-belichte kamer, daar stond nevens haar, vóor de groote lijst van
de spiegelkast, beving hem ineens de bangheid van zijne opgestapelde
leugens. Hij week echter niet, wierp zich geheel in den troebelen
vloed, dien hij had doen aanstormen en waaronder hij nog steeds de
stuipen van zijn opgeruid geweten hoopte te stikken. Hij was echter
zenuwachtig geworden. Hij aarzelde niet om aan zijn laffe onrust
den schijn van koortsige passie te geven. Ze keken malkander in den
spiegel aan. Hij fluisterde:
--Nog mooier zijt ge nu!.... Het is mij of ik, naast u, uit iets
leelijks, iets donkers ontwaak....
--Ja?.... Ja?....
De diadeem vonkte weelderig. Zij lei hare armen om zijn hals, sloot
half hare oogen, en hare lippen beefden van gretige verwachting.... Hij
raakte ze niet.
--Kom, zei hij.
Hij sleepte haar mee, weg uit die helsche, wraakroepende spiegeling,
waaruit de modder van zijn meineed hem naar het voorhoofd spatte. Vóor
het breede bed hielp hij haar uitkleeden. Hij deed het ongemanierd,
angstig. De tafstrikken ruischten onder zijne ongedurige vingeren, en
krakend sloeg het zwart-purperen brokaat. Hij drukte haar pols wild op
zijn borst. Haar hoofd zakte bezwijmend achterover. De schildpadden
haarspelden vielen geluideloos op de sargieomboordsels van witte
blonde. Hij kuste haar lang.
--Hebt ge mij lief, nog lief? vroeg ze uitzinnig.
--Ja.
Ze lag in verrukking op zijn schouder, bracht, als wilde zij
daar schuilen, hare beide handen saam onder zijne kin, huiverde
wellustig. Dan, mijmerend:
--O Ernest,! nu denk ik weer aan ons kindje....
Zijn adem fleerde koel, benauwd, over hare wimpers. Opgetogen,
uitbundig, smeekte ze:
--Niet waar?.... Niet waar?.... ge hebt het niet vergeten?.... ge
denkt wel.... altijd.... aan dat kindje van ons?....
Zijne neusvleugels trilden. Hij beet op zijne tanden; hij beet den
knoop door van eene eerlijke verontwaardiging, die in zijne hersens
tegen zijne eigen laagheid opschoot. Hij aarzelde nog. Hij bedwong
zich ondertusschen. Hij wrong over zijn aangezicht het masker,
waarbuiten hij, zijn gansche leven door, gemeend had dat hij geen
aangezicht bezat. Hij loog:
--Ja.
En Vere lachte stil.
VII.
VERVOLG OP DE ROODE SYMFONIE.
De Vrijdag en de Zaterdag gingen in andere drukte voor Ernest om. Dan
kwam de Maandag, gelijk een bloem van belofte. 't Was scherpe Winter
geworden. De stad was binst den nacht klinkend-hard bevroren,
en de morgen ontlook in bleek-blauwe luchten, waar een lage zon,
als een trossel heldere klokjes, te zilveren hing. De laan luidde
ongemeen. De menschen stapten er anders. Onder de ledige olmen lagen,
in gele stippeling, de laatste flarden van hunne doode loovervacht.
Verlat bleef, tot op den middag, vóór zijn leestafel zitten, de hand
roerloos op een open boek. Hij rookte. Een voor een stak hij de lichte
sigaretjes op, pafte den damp in breede ringen, in kronkellinten of
in onklare dikten naar omhoog. De zure tabaksmaak droogde zijne lippen.
Heel den nanoen sloot hij zich in zijne slaapkamer op, waar hij zich,
zonder voldoening, met de grootste zorg aankleedde. Hij kwam voor
het diner beneden. Hij was bleek. Hij at haast niet, en Vere die zeer
bekommerd was, vroeg hem te vergeefs naar de oorzaak van zijn ongemak.
--Ik heb niets. Ik ben wat opgehitst, zei hij.
Hij voegde er dan los-weg bij:
--Ik zal wat uitloopen in de kilte.
Hij deed inspannen en vertrok vroeger dan hij besloten had. Hij reed
tot bij Sörge, waar hij vernam, dat mijnheer en mevrouw seffens na
etenstijd vertrokken waren. Hij vroeg niet wanneer ze thuis kwamen. Hij
wist ook niet wat hij eigenlijk bij Sörge kwam doen. 't Was een
redelooze inval. Hij reed verder zonder zijn kaartje na te laten.
De avond was niet zoo koud meer. Er woog een dompigheid in de lucht, en
de stad lag gelijk onder een lage van fluweelen nachtwolken wat lauwer
te roezemoezen. De lantaarnlichten schenen oranje uit en de duisternis
was zwaar-purper. Een rood of groen tramsignaal blonk somtijds zeer
voornaam, gelijk een ingelegde smaragd of een rozet robijnen.
Vóór de shop deed Verlat stilstaan en zond de koets naar huis zonder
bericht.
Het shop-leven was niet zoo vroeg aan den gang. Dumdie stond niet bij
de deur, en Anatole, de pompier, spoelde weemoedig de glazen. Twee
kelners praatten met Jujube vóor den toog, waarachter mevrouw Morganès,
versch bepoeierd en nog wat genepen in haar geregen keurslijf,
reeds tronend de klandizie afwachtte. Eén enkele klant zat daar in
een hoekje: Florjan Pacôme, de mondaine kunstschilder.
Pacôme placht, haast dagelijks, in de shop zijn avondmaal te gebruiken,
en hij deed het eenzaam telkens als het hem niet lukte door iemand
uitgenoodigd te worden. Hij zat in een hoekje, vóór een met allerlei
spijzen bedekt ammelaken. Hij drukte, nadat hij smakkend zijn servet
over zijn knevels en zijn bakbaardje gewreven had, de hand van Ernest,
die zwijgend naderkwam.
--Ik ben blij, Verlat, zei hij, dat ik u zie.
Hij was altijd blij, als hij iemand zag. Wanneer hij er niet de eene
of andere vieze historie van vernemen kon, vertelde hij zelf andermans
viezigheden, en het tweede genot was voor hem het eerste waard. Sinds
het huwelijk van Francine, zag men hem minder op de Regentielaan,
hetgeen niet wegnam dat hij zichzelf als een van Verlat's beste
vrienden aanschouwde.
--Zeg eens, begon hij, ik heb verleden week met Sörge over het
oranjeriefeestje bij la Milly gesproken. Hij trok zijne schouders op,
maar 't liep hem maar half-goed af. Er zal nog wat raars met die twee
gebeuren, geloof me.
--Ik geloof u niet.
--Zet u. Maar, om den duivel! kerel, wat zijt gij nog langer bij
dat gemeengoedje blijven hangen? Sörge vond 't aardig van u, zei
hij. Mogelijk....
--Ja, mogelijk.
--Jongen, ge ziet er uit als een lijkbidder! Drink wat.
Mijnheer Pacôme voelde genoeg dat hij van Ernest niets weten zou. Hij
beproefde dan ook niets meer langs dien kant en om het eigen plezier,
dat hij erbij had, begon hij in 't lang en breed alles te verhalen wat
sinds de Daphnis-en-Chloë-vertooning over Milly d'Orval bij Bardain,
den kapper, in de saletjes van de Grill-room, in de Shop en in de
schermzaal van den provoost Piccini in omloop was. Het minste geruchtje
had hij zorgvuldig opgenomen. Sommige menschen vertelden dat Milly de
minnares zou worden van mijnheer d'Ardoye, den bondgenoot van minister
Dissel, hoofd van het liberaal doktrinarisme en groot-meester van
de tweede vrijmetselaars-kamer. Men zou haar leeren spionneeren en
ze kreeg dan daarvoor tachtig duizend pond 's jaars. Mijnheer Pacôme
deed zijne tong klakken en voegde er bij:
--Een gulden baantje!
Er werd ook beweerd dat zij, met kapitalen van het Joodje, dat op het
feest gedurig nevens haar zat te lekkerbekken, een groot sadistische
inrichting, ergens in een badplaats, wilde waarnemen. Men sprak
overigens veel van dat Joodje. Enkelen kenden zijn naam, maar het
meerendeel had hem nooit gezien. Pacôme had zich laten wijsmaken
dat hij een rijkgeworden diamantslijper was, die impresario van
smerigheden speelde. Hem behoorde dat oranjerie-theatertje. Hij
reisde rond daarmee. Hij had een uitgebreid repertorium en voerde
ook Bijbelsche stukken op, die niet van de minst gewaagde waren. Alle
biekorven in de hooge stad ronkten. 't Was de klappertjesweek.
--En over u ook, Verlat, loopen de tongen. Ge kompromitteert u. Sörge
zegt....
--Pro-ost!
--Dankje.... Sörge zegt dat Milly ons te goed is. Zeer vriendelijk,
maar toch niet onpartijdig, als men weet dat hij zich, zoo lange
jaren, met dát barzoodje heeft kunnen ophouden. Sörge is nu een mooi
standbeeld zonder voetstuk. De waarheid is, dat hij ons schandelijk
bedrogen heeft.
--Ja.... en nu nóg! lachte Verlat.
--Gij, vingerde Pacôme waarschuwend, gij wordt ook verdacht; gij
wilt uw zwager in het vaarwater zitten. Ik zie wat ik zei. 't Is
flauw.... maar 't gaat mij niet aan....
--Juist!
Ernest Verlat slokte in een wip zijn madère door zijn keel, stak
eene sigaar op en, nadat hij zijne handschoenen had aangetrokken en
Florjan de lange vingeren had geschud, verliet hij onder den beleefden
glimlach van madame Morganès de shop en haar gasten. Hij sprong in
een huurrijtuig en kwam op een betamelijk uur aanschellen vóor het
hotel van den Kortenbergschen steenweg.
Men bracht hem binnen in Milly's boudoir, waar men hem bad een kort
tijdje te willen wachten.
Hij wachtte er langer dan het hem redelijk scheen. Hij zat zenuwachtig
rond te kijken. Het pronkkamertje was keurig ingericht en sober
versierd, en het droeg, over zijn algemeen uitzicht, een licht-grijze
tint met veranderlijke ondertonen, gelijk soms het licht in water over
de schubben van zekere visschen speelt. Een paar oude zacht-gekleurde
koperplaten hingen in ivoren lijsten aan den wand. Een Venetiaansche
spiegel stond op een kleinen schoorsteen, waarbinnen rood-gloeide een
dicht-trosselig steenvlasvuur. Druivenranken waren op de spiegelranden
in het glas gebeiteld; de levende klaarte van twee stijf-armige
kandelaars kwam erlangs breken en de zilveren vruchten teekenen in
hunne lichtbrokkelingen.
De meubileering, uiterst bescheiden aangewend, was uit dat grijs-mauve
hout, waarvan men zou zweren, dat er een doorzichtig satijn over
glanst. De stoelen en de sofa, die lang waren en zeer smal, waren
overtrokken met een teergrauw bebloemd Louis-XV-tapijt, waarbinnen
enkele gouddraden blonken. Grijze en zwart-gespikkelde pelsen lagen
op den vloer.
Ernest Verlat had zijn hoed en zijne handschoenen nevens zijn rotting
op het blad van een ovaal tafeltje gelegd, en hij keek mijmerend naar
een slanke vaas, die uit zijn groenen toot drie oranje haverbellen
liet druppelen. Hij was stilaan ongeduldig geworden en trommelde met
zijn vingeren op de houten leuningen van het laag zeteltje, waarin
hij zich, half overhangend, had neergezet. Het koortsig getikkel
van zijne nagels streed met den matigen slingerslag, die klaar en
lijdzaam op een porseleinen horloge, vóor den spiegel, den tijd in
stukjes klopte. Er rees hier geen ander gerucht.