Ernest Verlat zat met mijnheer Delcommune, een rentenierende barlooper

en oud-vriend van du Bessy, in een van de sofa's, die op ongelijken

afstand vóor lage tafeltjes, banken en schabellen, in de oranjerie

waren geplaatst. Van daar zag hij, dichter bij de scène, Milly d'Orval

tusschen prins Orbany en een klein Joodje, dat hij ontmoette voor

de eerste maal. Ze zat op eene bloote poef. Haar schoone rug rankte

rijkelijk boven de ronde heupen op, in een wonder-gekrept kleed van

oud cachemire. Een paarse lampiongloed viel op haar rood-ros haar en

blauwde het teere waas van hare naakte schouders. Ze gichelde in den

kraag van d'Orbany en klopte soms, heel plezierig, op de mouw van

het ineengefrommeld Joodje.

De theatergordijn werd opgetrokken en het spel van Daphnis en Chloë

begon. Het was een dubbelzinnig, gewaagd en tamelijk smaakloos

spel. Men zag er een Watteau-herderinnetje al blozend de bloode

liefdeverklaring van een bepoeierd en bestrikt herdertje ontvangen,

terwijl achter de schermen een zachte muziek van hobo, fijfels en

schalmeien de rythmen teekende en de minnedansen begeleidde. Dit

gebeurde in eene groene wei, aan den voet van een met vruchten

beladen appelboom en onder de helderheid van een zoo puur azuur, dat

er het hart van opwalgde. Daphnis en Chloë waren, daarentegen, twee

zeer bekoorlijke meisjes die hun rol speelden met de liefelijkste

zorgeloosheid en de molligheid van hunne dijen toonden met een

ongekunstelden eenvoud. Ze zwaaiden hunne omsnoerde stafjes, toonden

zich ten opzichte van denkbeeldige lammeren kinderlijk bezorgd,

wisselden over een geluideloos joepje een onschuldigen zoen en vielen

eindelijk in de zuchten van het bescheiden orkest, schoon nevens een

onder de twijgen van den vaderlijken appelaar.

Het zoutlooze van een dergelijk spektakel ontsnapte aan geen enkelen

toeschouwer. Maar het tweede bedrijf was suggestiever en veranderde,

door zijne verregaande stoutheid, de verveling van het publiek in

eene pijnlijke verwondering.

Het doek ging op over dezelfde tooneelschikking; enkel het

doodend blauw van den Cythera-hemel was nu met een avondlijk purper

verwisseld, alwaar, gelijk een schijf van oud koper, de stervende zon

nevel-spinnend te zijgen begon. Daphnis lag steeds nog op het deinend

weitapijt en sluimerde, maar Chloë had zich halvelings opgelicht en

wilde het lieve herdertje voor onbekende liefkoozingen wekken. Zij

streelde over hem, vleide zich in zijne armen, ontknoopte gretig

de linten, die zijn zijden jakje toefronsten, kuste hem op zijn

mond onder den adem van een onhoorbare muziek. Middelerwijl hoorde

men het gefluit van een merel en, weldra, den tegenzang van nog een

merel. De twee beminnelijke wijzen zweefden harmonisch overeen, om,

op een einde, in luie akkoorden, geheel door mekaar geweven, op te

klinken, traag wegstillend en moe uitstervend in een zoet gekir.

Dit alles ging gepaard met een werkelijker spel op scène. Terwijl Chloë

den onnoozelen Daphnis tot de bewerking van begeerde geneugten trachtte

te overhalen, donkerde stilaan de mooie zomeravond. Een hobo bootste

het eenzame gebleet van een verloren schaap na. De roode zonneschijf

zonk lager, lager, mistte achter een rozig heuveltje te lore,

vervaagde op het tooneel de mauve schaduw van den appelboom. Wanneer,

om te sluiten, de moedige Chloë haren langzamen Daphnis en zichzelf

in rythmisch bedrijf zoo goed als geheel-naakt had gekregen, was de

nacht dik-blauw en maanloos aanwezig, en kon men van hunne zachte

lijven alleen de roos-witte glanzing zien.

Het voordoek viel.

De oranjerie klaarde plots in schaterende verlichting op, en de

zes en dertig lichtmissen zaten malkander nuchter aan te kijken,

bijna hijgend, gelijk jongens die men, onvoorbereid, in koude baden

doopt. Milly d'Orval moest rechtstaan en stil in hare handen klappen

om hen weer tot bezinning te brengen. Florjan Pacôme zette de eerste

aan, en een luidruchtig applaus weerklonk. Men beeldt zich bezwaarlijk

in hoe laf een kudde van zes en dertig moedige mannen zijn kan. Daar

zaten ze beteuterd toe te juichen, liepen dan in groepjes, overhand,

bij Milly d'Orval de inrichting van een zoo fijngeestig spel loven.

Ernest Verlat ook kwam hulde brengen, spijts den weerzin, die in

zijne keel die bleeke gelukwenschen deed kroppen.

--Wel! mijnheer Verlat, riep Milly verrast, wat zijt gij een

onverbeterlijke alleenlooper! Ik heb u nog niet gezien, waarlijk! Ik

dacht dat ik vergeten had u uit te noodigen en dit ware onvergeeflijk

geweest. Gij stelt mij gerust; ik ben zeer verheugd dat gij gekomen

zijt.

Die onzin verdubbelde zijn afkeer. Het mimespel was op zich zelf al

een overdadig bewijs van Milly's zeer gemeenen smaak. Hij had zich

ellendig aan die deerne vergrepen en hij kon niet wijs worden uit

den aard van de liefde, die een man als Sörge, dan toch feitelijk,

voor een zoo armoedig schepsel had kunnen voeden. Hij schaamde zich

over eene dwaling, welke haast een geheel jaar van zijn leven in

beslag genomen had; maar, beweerde hij in zijn eigen, daaraan had

Rupert de grootste schuld. Hij had op Rupert vertrouwd, en dat viel

nu deerlijk mis uit. Roy-Dour leek hem fijner besnaard dan d'Orval.

Waarom liep hij niet dadelijk weg?

Waarom liepen zij daar allemaal niet weg? 't Was een potsierlijke

doening.... Iedereen bleef. Met Milly hadde elk van hen kort spel

gemaakt. Geen enkele echter, die 't aandierf om de vijf en dertig

anderen hun groven misslag onder den neus te wrijven. Ze schilderden

op hun aangezicht een hoofsch lachje, verschoven de bankjes, haast

bij manier van tijdverdrijf, gingen vóor de oranjeboomen staan of

keken dwaas op naar de nette chrysanthemenkronen. Men kon generaal

Van Sandt hooren zeggen tot mijnheer Proveniers, senator:

--Hebt ge ooit zulke mooie oranjekuipjes gezien? Hetgeen voor gevolg

had dat de schier blinde mijnheer Proveniers zijn stijf lichaam als

een tang in tweeën plooide en, aanbotsend met zijn voorhoofd tegen

de randen van de houten bakken, zoo waardig antwoordde alsof 't eene

staatskwestie gold:

--Ze zijn geel, generaal!

Men kon mijnheer Davancourt, van de firma Davancourt-Binard, zien

trommelen met zijn tien vette vingeren op het zweetend goud van

zijn horlogeketen, zonder te durven kijken hoe laat het was. De

romanschrijver Hoorndonck overdacht, eenzaam dubbend in een hoekje,

dat hij, om wille van dees verdomd bordeelfeestje, een bezoek aan

Sarah Bernhardt had afgedankt.

Weer langs de serre-gangen, weer struikelend over de verwaarloosde

bloemenstapeling, weer voorbij den zwarten lakei, die op hunne ruggen

de hooge portière der veranda liet dicht vallen, weer kwamen ze in het

drievoudige salon. Van Sandt dronk er in twee teugen vier glazen madera

en mijnheer Marbehan, die nochtans gaarne waterwild at, stelde, uit

nijd, zijn maag tevreden met het amandelkoekje dat op een bordje lag.

't Sloeg middernacht. Twintig heeren trokken te gelijk hun zakuurwerk

te voorschijn, en keken dwaas op de twee wijzers die--hoe gebeurde

dat toch--overeen waren gekropen. Juist op dat oogenblik opende de

zwarte lakei de eetzaal, en Milly d'Orval leidde er den sleep van

ontgoochelde aanbidders even alsof ze, in een wemeling van hovelingen,

eene koningin ware geweest.

Ernest Verlat zag ze opgaan, pronkend in valsche majesteit, aan

den te korten arm van het thoopegerimpeld Joodje, het Joodje dat,

naar allen schijn, haar uitverkoren melkkoetje zou worden. Nu,

't was hem gegund! In het heele gezelschap kon men niemand vinden,

zelfs niet Florjan Pacôme, die hem benijden wou.

Milly d'Orval zette zich, juist in het midden, aan de tafel. Het Joodje

zat, innig in de handen wrijvend, aan hare rechterhand, en mijnheer

Dubois, de bediamante reeder, aan hare linker. Ernest haastte zich

niet. Hij kwam niet de laatste aan tafel, want in alles moest de

schuchtere mijnheer Alderman de laatste wezen; maar het docht hem

dat iedereen reeds had plaats genomen, toen hij een overblijvenden

schotel trof en ervóor, op een hoekje, een stoel ging schuiven.

Hij keek traagzaam rond. De tafel rumoerde bescheidenlijk. Men bracht

oesters en schonk den wijn.....

Plots, als hadde men hem een schicht door het hart geschoten, schrok

hij, snikte naar zijn adem en voelde het bloed koud wegzinken in

zijne aderen. Niets versierde het ammelaken, geen vaasje, geen

bloem.... alleen het gewoon geschitter van roemers en glimmend

zilverwerk. Doch, juist vóor Milly, los daar gelegd in heerlijke

eenigheid, bloedde de garve van roode zwaardbloemen en anjelieren.

Hij geloofde het niet seffens, bedaarde, keek weer toe ... Nu begon

het te roezemoezen in zijn hoofd en 't was of alles weer goed terecht

kwam. Ze werd opnieuw, onveranderd, de vreemde Milly, die zij nooit

opgehouden had te zijn, de Milly van Rupert, het zeldzaam alaam van

dien zeldzaam-zinnelijke. Hoe meesterlijk had zij dit nu aan boord

gelegd, en hoe kon zich ooit iemand aan een zoo sluwe voorbereiding

en een zoo geweldige verrassing verwachten!.... En dan, die wondere

geheimzinnigheid, die teederheid van een uitgelezen soort.... en,

ineens--hij zag 't ineens--mirakelachtige parel vóor den blazenden

snuiter van een hoop bedrogen saters!

Zijne aandoening werd eene koortsige hitte die, op slag van zijn pols,

omsloeg door zijne slapen. Hij hoorde niet naar wat men nevens hem

vertelde; hij merkte niet, naarmate het soepee vorderde, de toenemende

ongedwongenheid der gasten, die in de mildheid van den wijn eenen

troost vonden voor hunne teleurstelling. Hij zag de hooge kleur niet

die, boven de witte hemdborsten en de krakende dasjes, de schedels

omglansde met een geilen gloed. Hij voelde zijn eigen niet zitten,

at niet, dacht niet....

Hij keek naar Milly. Ze zat naast mijnheer Dubois, lachte gul met

hem, wendde zich nadien om en boog vóor het gelukkig Joodje. Geen

enkelen blik wierp ze op Verlat. Het dessert werd rondgedragen en

de vruchten in mooie mandjes neergezet. Een zilveren jardinière,

beladen met druiven, peren en bananen, stond op de tafel links,

en, aan den anderen kant, rees een pronkkoek in driekleurig ijs,

berijmd met lichte suikerdraden;--tusschen beide in lag de garve,

rood, schelrood, rood als een wilde lust en rustig als een zekere

zegepraal. Prins d'Orbany sprak:

--Madame, mijne heeren, uitzonderlijke avonden als deze staan zoo

geheel buiten den regel van wat wij tot hiertoe een "geslaagd feestje"

hebben genoemd, dat het gewaagd is het charme ervan, bij gelegenheid

van een toast, te breken. Onze bijeenkomst in dit behaaglijk oord

heeft echter eene beteekenis, die wij niet onverklaard mogen laten

voorbijgaan, en als ik vermetel genoeg ben om die verklaring aan te

durven, is 't dat mijne geringe welsprekendheid vertrouwt in de pracht

van haar onderwerp! Het is ons, mijne heeren, gegund geweest vandaag

de blijde intrede te vieren van de bekoorlijkste aller vrouwen, en

dit feit--hetwelk op zichzelf al voldoende is om in blijdschap op te

jagen een wereld, waarvan de vrouw het leven is en de vreugd--werd

opgeluisterd met al de kunstige listen van een vreemd-kostbaar, een

eigenaardig-schrander, een habiel-weelderig gemoed. Wij verbazen ons

over het oorspronkelijke, over het ongeziene van dit feestje, en wij,

die reeds de gracelijkste tresoren kenden van haar die, in een adem

met Venus la Milly werd genoemd, werden thans toegelaten tot het genot

der schatten van eene zinrijke, fijngeestige, ongeraden d'Orval. Het

is, voor mannen als wij, eene onwaardeerbare eer, te worden opgemerkt

door vrouwen als u, madame! Maar de wijze, waarop gij ons hebt willen

begunstigen, overtreft, terwijl zij die eer verrijkt, tevens de

wijze waarop wij haar zouden verdiend hebben. Laat het u ten minste

welgevallen dat wij ons uwer onwaardig achten en dat wij u ootmoedig

bekennen nooit te kunnen vergoeden wat u zoo sierlijk-licht viel ons,

als in het voorbijgaan en met een gemakkelijk gebaar van uw overvloed,

te geven. Mijne heeren! ....

Hij lengde zich geheel uit, verbreedde zijne borst, hief den roemer op,

waar parelend zood een topaasgele wijn. Hij was een fraai man, niet

zeer oud. Zijn mooie hoofd stak boven alle andere hoofden uit. Hij

had een oogenblikje gewacht, zag nu iedereen den beker lichten,

stak hooger nog den zijnen.

--Mijne heeren! zei hij, laat onze heildronk een hulde wezen tot lof

van eene schoone, die te vorstelijk is om de hulde niet goedjonstig

te bejegenen en te mild om aan dien lof een respijt te weigeren,

waarop mijne onhandigheid aanspraak maken durft. Madame, wij drinken

op uwe bevalligheden!

Het was eene lijkrede. Na een dergelijken toast, uitgesproken door een

der aanzienlijkste rechters van het dandysme, bleef aan Milly niets

meer over dan hare matten te rollen en elders eene kans te wagen,

welke zij hier zoo onvoorzichtig had prijsgegeven. Het was zoo goed

als zeker dat, Alderman inbegrepen, het geheele gezelschap voortaan

Milly d'Orval voor niets meer houden kon dan het mademoiselle Titine,

Bella d'Issy en Marjolene hield. Wie ooit zou het vonnis van deze

zes en dertig hooge lui trotseeren, wie ooit zou ievers te vinden

zijn, die, spijts het eenstemmig oordeel van dezen hof raad der

"halve-wereld," Milly nog onder zijne bescherming nemen kon?

De speech van mijnheer d'Orbany was een onherleidbaar requiem en het

daaropvolgend geklingel van bijeen-vonkende roemers gold een amen

zonder beroep.

Het was tamelijk laat, eer afscheid werd genomen. De gasten verlieten

de zaal in groepjes, en de minst-voorname bleven, uit zedelijke

schaamte, de laatste. Mijnheer Alderman wist niet hoe het aan boord

te leggen om toch ook heen te gaan, nu hij in de manieren van Verlat

niet de minste bespeuren kon, die een nakend vertrek scheen aan te

duiden. Zou mijnheer Alderman--hij huiverde bij dit vooruitzicht--zou

hij ditmaal de "voorlaatste" zijn? Ernest Verlat, die hem goed kende,

zei stil tot Pacôme:

--Neem hem mee! .... Ik blijf.

Florjan Pacôme meende dat hij aan het droomen was. Blijven? Dit

was wel, na al het akelig-verwonderlijke van dezen avond, het

verwonderlijkste! Hij wist een dergelijk besluit aan niets toe te

schrijven--zelfs niet aan den drank. Hij stond in zijn mac-ferlan

dwaas vóor zich uit te staren, drukte sprakeloos de hand, die hem

Verlat toegereikt had en, met het gebaar van iemand die het raden

opgeeft, nam hij Alderman onder den arm mee naar de kleine kleerkamer

van het voorportaal.

Milly d'Orval zat nog op hare zelfde plaats aan tafel. Ze had even haar

hoofd neergebukt en deed onachtzaam een zilveren lepeltje tikkelen

op de randen van een ledigen koffiekop. De eetzaal was nu stil--eene

nare stilte omwalmd met champagnegeuren en sigarenrook. Gekrenkte

vruchten lagen hier en daar, nevens de verwaarloosde kristalschalen,

op het ammelaken dat verfrommeld was.

Ernest Verlat kwam vóor haar staan, keek haar lang aan, nam op, in een

gretigen blik, den rijkdom van haar rood-beglansd haar, de doezelige

roosheid van hare schouders, lichtblauw omschaduwd, en de teere handen,

als vijfspoelige juweelen onder de flikkering van onrustige ringen,

teer bezijden een gladde koffiekopje geleid. Wist zij dat hij daar

stond? Tusschen hen in, door de warmte bezeerd, lag het raadsel van

eene roode garve. Hij wees er naar.

--Milly, sprak hij zacht, hoe moet ik dat uitleggen? Zij blikte niet

op, sprak niet, bleef in hare luie gepeinzen verzonken. Zij zuchtte.

--Milly, hernam hij, gij weet met welke zorgen ik, van den eersten

dag, de kreten van mijn wanhopig hart heb willen verbergen. Gij weet

wat omgaat in mij. Ik wil u niet dwingen aan wat hier dezen avond

gebeurd is, eene beteekenis te geven, die misschien meer naar het

toeval dan naar uwe inzichten te meten is. Maar ik mag van u geen

afscheid nemen zonder ingelicht te zijn. Ik heb deze bloemen aandachtig

uitgelezen. Hoe moet ik verklaren dat gij ze daar hebt neergeleid?

Toen Milly eindelijk haar gelaat naar hem ophief, zag hij de

zonderlinge droefheid die erover hing. Ze antwoordde achteloos:

--Zooals ge verkiest!

--Deedt ge 't met opzet?

--Ja.

Hij leunde over de tafel, wilde hare vingeren raken. Ze schudde

weemoedig het hoofd.

--Ik wilde, sprak zij bitter, dat gij zaagt hoe ik mij van al die

lichtmissen zou bevrijden. Ik heb hun, zeer beleefd, mijne verachting

in het aangezicht gespuwd. Zij hebben het goed genoeg begrepen, maar

het, even beleefd, in hunne huichelaarsziel bewaard. Morgen zal 't in

lafheid uitmodderen en zullen zij met laster de vernedering straffen,

die ik lachend hen deed ondergaan. Iemand moest het zien.

--Ik juist?....

--Zwijg, mijn vriend, zuchtte ze neerblikkend, gij weet niet hoe

ellendig ik ben!

Hij ging rap de tafel rond, kwam buigen over haar, drukte innig

hare hand.

--Milly, zei hij traag, kijk op naar mij. Misschien smeult er nog wat

in al die asch, in al die teleurstellingen. Laat ons niet eenzaam zijn,

wijd van malkander af. Gij weet niet hoe ellendig ik ben!....

Hare eigen woorden met dien anderen klank, troffen haar ongemeen. Ze

rilde, neep vluggelings hare oogen dicht, dan, mijmerend, snokte

de anjelieren los uit hunnen band van purperen klokjes. Ze bad

fluisterend:

--Ik ben moe. Ga heen....

Tot op den rand van de tafel trok ze de lauwe kelken uit, vingerde

wellustig in dat harde rood, wondde met hare onrustige nagels de

weerlooze petalen. Hij voelde den ongeschikten nacht, de mizerie van de

scherpe tabakslucht, den nasmaak van 't overspelig feestgepraat gemengd

met de zuurheid van bedorven wijnmoer en bedervende vruchten. Heel

stil vroeg hij:

--Zal ik wederkomen?

Toen keek zij hem aan. Tranen vloeiden over hare wangen.

--Maandag.... ja.... zei ze.

Ze zei 't haast onhoorbaar. Ze reikte hem hare hand en, binst dat

hij ze met zijne lippen raakte, rook hij den wilden loovergeur,

dien hij bij Isa Backers voor haar had uitgekozen en dien zij hem,

op de tipjes harer vingeren, wedergaf.

VI.

HET ANKERTJE VAN HOOP

Daags na het bezoek van Vere, had Lieven Lazare aan pastoor Doening

geschreven dat het hem genoeg aangedaan had om hem te laten hopen

dat het nooit weer zou worden vernieuwd. Het was een lange verwarde

brief vol van bijbelsche aanhalingen en goddelijke vloeken, waaronder

hij echter te vergeefs had willen bergen de hevige schokken van zijn

dwingend gevoel. "Vlucht, riep hij uit, vlucht dezen Jeremias; tracht

hem niet van zijn verleden af te leiden met onbetamelijken troost,

want het staat geschreven: gij zult met brood niet dengenen opbeuren,

die over den dood van zijne moeder, of van zijne gade, of van zijne

dochter weent!"

Pastoor Doening toonde, oolijk-glimlachend, dezen brief aan mevrouw

Verlat, en zij lazen er, dwars door het woordengeweld waarmede hij was

omklaterd, de nakende overgave van Lieven's hart. Zij besloten daarom,

in gemeenschappelijk overleg, dat zij hem zouden laten begaan, om

hem de schaamte te sparen tot overgave gedwongen te zijn. Zij hadden

overigens nu een bescheiden toezicht over hem: mijnheer Johan Doxa

was al zoo dikwijls in het hooge huis van de Regentielaan als op den

tingel-tangel-zolder van de Koolstraat, en zij kregen van dezen goeden

gothieker meer te weten dan zij zelf bij Lazare zouden kunnen vernemen.

Mevrouw Verlat begon, onder de gedurige vertroosting van Pastoor

Doening, moed te scheppen. De verraden stemming van haar vader

hielp veel mee daartoe en niet het minst de kinderlijk-serafische

aanwezigheid van Johan Doxa. Wat echter ineens hare hoop volop levendig

maakte, was de plotselinge inkeer van Ernest.

Dit gebeurde na het feestje bij Milly d'Orval. Verlat was tot rond

den middag in zijn kamer gebleven en kwam zeer opgeruimd beneden. Hij

dejeûneerde met du Bessy en vervulde de eetzaal met zijne vroolijkheid.

--Hoor eens, Oomken, zei hij, meteen ernstig, ik wed dat ge uw avond,

morgen, al besproken hebt!

Mijnheer du Bessy, die onder zulken aanhef eene onkiesche toespeling

op zijne betrekkingen met Juffrouw Henriëtte snoof, kreeg een kleur

en begon over zijn sandwich te niezen.

--Hewel! kerel! vervolgde zijn neef, ge kunt het schikken volgens uw

best oordeel, maar morgen avond--er mag zijn wat wil--morgen blijft

Oomken thuis.

--Da's kras genoeg, knikte Mijnheer du Bessy, de krabbing van zijne

droge keel in een geutje thee neerzwelgend.

--Ja.... en ik vind kras ook, dat Oomken daarom zoo verwonderd

kijkt. Oomkens geheugen wordt in de luchten van de Scala en de Shop

niet opgefrischt, en dat is jammer, want hij heeft geen lucht te

koop. We moeten Oomkens geheugen in groot water duiken, ver van de

sodaspoeling, waarmede hij zich in de hokjes van de Gril-room en

de priëelen van den Trianon tevreden stelt. Dat moeten wij, en zoo

rap mogelijk; anders wordt dat vergeetachtig Oomken bovendien nog

onbeschoft erbij!

Mijnheer du Bessy voelde iets over zijn rug kriebelen, en de kleur,

die op zijn geschoren kinnebakken was uitgeschoten, nam vreeselijk

toe. Hij zette zich te mummelen.

--Niet flauw zijn, sprak hij; als er wat op touw was, kon men mij

wat vroeger verwittigd hebben. 't Zal mij nu heel lastig worden

om.... waarlijk....

--Niks van! Ge blijft thuis.

De oude Ko schoof voorbij, bracht versche thee, schaduwde geluideloos

rond de tafel.

--Ko, zei mijnheer Verlat, ge zult me straks eens komen opzoeken

in mijn werkkabinet. We zullen saam het feestje van morgenavond

regelen. Waar is mevrouw?

--Op hare kamer, mijnheer.

--Dankje.

Ernest keek op zijn horloge. Dan, zeer gewichtig, tot mijnheer

du Bessy:

--Ge hebt nu nog vier en twintig uren. Binst dien tijd kunt ge uw

rendez-vous van morgenavond afdanken, een geschenk koopen voor Vere

en u bereiden tot de viering van haar naamdag.

--Nu dan!....

Mijnheer du Bessy deed het onbehendig gebaar van iemand, die zich aan

heel wat anders had verwacht en dien men met een oud nieuws vergeefs

trachtte te verrassen. Hij vond het echter geraadzaam het gesprek

met dat "nu dan" en dat gebaar te sluiten, en ging zich onverwijld

vóor zijn secretaire zetten, waar hij een mauve briefje schreef aan

Henriëtte om haar "gerust te stellen" en een gearmoriëerd kaartje

aan pastoor Doening om te beletten dat hij hem, net als bij het vorig

feest, het vernederende bericht ervan mocht sturen.

Verlat ging onderwijl bij Vere, waar hij tot vespertijd verbleef. Nooit

was hij zoo lief met haar als hij dien dag was. Hij sprak niet over

de laatste scène en Vere had het gevoel dat hij er niet over wilde

spreken om niet eene wonde te heropenen, die hij met alle mogelijke

blijken van achting en genegenheid wilde balsemen en genezen. Het was

haar zoet, en zij ontving hem gretig, zooals men een kind ontvangt

dat men voor goed verloren waande. Hij omarmde haar zacht.

--Wat kan ik doen, vezelde hij, om u gelukkig te maken?

Zij schudde dan droefglimlachend haar hoofd. Hij moest niets doen

daarvoor. Zij wist dat hij haar liefhad--en wat kon hij dan nog meer?

--Maar let erop, voegde zij zonder argwaan erbij, als gij soms iets

doen mocht dat mij ongelukkig maken kan. Waarom wilt gij uw eigen

bedriegen? Gij zijt immers de goedheid zelf!

Zij meende het zoo en hij sloot haar mond met een klinkenden zoen. Hij

had medelijden met haar, het medelijden dat men voor zijn slachtoffer

voelt, het nutteloos medelijden van den zwakkeling. Hij dacht dat,

met nu teer en toegeeflijk te worden, hij het verraad verminderde dat

hij pleegde jegens haar. Hij vertrouwde in de kussen, die hij haar

overvloedig gaf, om tegenover zijn geweten de verwaarloozing te koopen,

waaraan hij feitelijk haar wilde overlaten. Hij stelde zijn eigen in

de meening dat zijn bedrog niet zoo groot was, indien het haar niet

belette gelukkig te leven, en dat zijne logens geen schuld hadden,

zoolang zij geen hinderpaal werden voor de huiselijke rustigheid. Meer

nog: hij loog om wille van die rustigheid.

's Avonds van dien dag sprak Vere met pastoor Doening over de

kentering, die zich in het gedrag van Ernest had voorgedaan. Seffens

begon het hoofd van den goeden pastoor te zoeken in de fijnbetwijnde

spanning van onzichtbare luchtwebben. Het was of zijn haren de duizend

voelhoorntjes waren van een ongekend vlindersoort, en dat zij nu al te

gare werkzaam werden in de trilling van wiegende lichtdraden. Hij liet

Vere vertellen, luisterde naar de wijde jubeling van dat uitmuntend

hart, dat zich, in zijn nacht, met een nieuw leven overgaf aan de

minste beving van een vermoedelijke dagklaarte. En de geluiden van

dat verlangend hart vielen als een wilde stormdruppeling op de stille,

roerlooze, blauw-duistere vijvervlakte van het zijne.

Toen keek hij haar goedig aan.

--Weet gij nog, mevrouw, vroeg hij, hoe wij verleden jaar uw

naamfeestje gevierd hebben? Ik hoop dat het dees jaar heel wat anders

zal zijn.

--O ja! juichte Vere met, in hare oogen, den glans van een trots,

dien pastoor Doening er nooit gezien had, o ja! dat weet ik zeker:

het zal heel wat anders zijn!

Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven · 第 25 / 35 段