--Gij zijt, aaide hij vervoerd, mooier dan de welbekende Sapphô van

Mytilene, in Lesbos; want, waarlijk, de zeldzaamheid van uwe kostbare

geuren zouden den hardvochtigsten Phaon hebben week-gemaakt. Gij

roept mij die wonderbare nimfen in het geheugen die, opduikend boven

het paarlemoeren water, de rozen van het morgenrood in den dauw der

oeverleeljen baadden en, met de hulp van Zephyros, eruit tusschen het

kraal van hunne vingeren een pure olie versmolten. Zoo streelden zij

daarmede hunne schouders, hun boezem en hunne heupen, zoodat zij de

menschen en de dieren duizelig maakten, inbegrepen Pan Philochoros,

den waren zoon van Zeus zelf, die hen placht ten reidans aan te voeren.

Hij kuste ze in haar nek, onder de twee bellende krullekens, welke zij

er "en accroche-coeur" liet leuteren. Hij kittelde zijne lippen daar,

hoorde in het buigen zijn hoog boordje kraken, en steunde op haar

leên om zonder ongemak zich op te richten. Ze vingerde over zijne

knevels, meesmuilde minzaam onderwijl, kriebelde daarna lichtelijk

achter zijne ooren of liet hare hand loom op de zijne rusten. Ze vroeg:

--Gaan wij dezen avond naar den schouwburg?

Al wat zij wilde, al wat zij wilde! Hoe kon hij iets weigeren, hier,

waar de geheele Olympus tot weigeren te zwak zou zijn? Hij raakte met

zijn mond de tipjes van hare rozige nagels, en zij keek weemoedig op

de witte, nauwkeurige lijn, die onder de glansen van een welriekende

zalf zijne geverfde haren in twee zorgvuldige bouten scheidde.

Ze begonnen los te praten en mijnheer du Bessy werd brieschend als een

jong veulen. Juffrouw Henriëtte bracht hem eindelijk in hare blauwe

kamer waar, op een Sineesch tafeltje, de verkwikkende champagneflesch

te wachten stond. Een bedenkelijk toiletgerief belemmerde het witte

marmerblad van een ontzaglijk lavabo.

--Mag ik binnen? fluisterde de baronet met komische

geheimzinnigheid. Leent gij mij, o Godin, even den wonderen gordel,

het gouden sleuteltje van het paradijs? .... Mij dunkt, ik hoor om

u de tortelduiven kirren .... mij dunkt, daar ranken, als dansende

wingerds, in de sier van hunne zes naakte armen, de drie Charites,

bevallige dochters van Eurynone .... mij dunkt, ze omringen u met de

rozige onschuld van hunne reine heupen .... dewelke wiegen op een

onhoorbaren zang in den waas van hunne doorzichtige tooversluiers

.... mij dunkt, daar zweeft over u de blonde Peithô, goddelijke

dienstmeid der bekoorlijke overreding, die met zoete muziek de

aanlekkende verleiding voorbereidt .... U, hemelsche fakkel van

geneugten, u zijn de mirten en de rozen toegewijd! Appelbloesems rijpen

in uwe haren en de luie papavers droomen aan uwe voeten .... O! laat

mij sterven in deze mirakellucht! Laat mij de wereld vergeten in uwe

armen, de wereld en mijzelven, mij, den sater met de stoppelharen

en 't scheef gehobbeld hoofd .... of geef mij de gratie u altijd te

mogen bewonderen en, nooit zat, uwe heerlijkheid uit te fijfelen op

een riet met zeven buisjes in een eeuwigen liefdegalm!

Zulke woorden oefenden telkens op juffrouw Henriëtte eenen

indruk uit, waarbij men zweren kon dat zij ze tot het laatste had

begrepen. Zij zonk in eene kundige bezwijming en, met een klein,

angstig gilletje te lore op den kant van het weidsche bed. Dit bed

was laag en herinnerde aan de keurigheid van den zeventiendeeuwschen

meubelstijl. Een fijn-gesponnen vool hing erover, die de blauwe zijde

van de gefestoeneerde sargie doorschijnen liet. Geluideloos bogen de

lichte donzen ....

Mijnheer du Bessy snelde naar juffrouw Henriëtte en, daar hij haar

niet oplichten kon, trachtte hij haar met wilde zoenen tot bezinning

terug te roepen. Dit was geen gemakkelijk werk. Juffrouw Henriëtte

was te teergevoelig om niet geheel onder de herhaalde liefkozingen

van haar driftigen minnaar te bezwijken. Ze bezweek dus. Het wijde

kamerkleed, dat zij nochtans oplettend had toegehaakt over hare borst,

sprong open en het toeval wilde dat ze juist een heel licht hemdje

had aangetrokken ....

Een tijdje daarna stond mijnheer du Bessy in zijn kamoes-kleurige

onderbroek, vóor het Sineesch tafeltje en onder 't roode scherm van

't gaslicht, de gulden Mummflesch te ontkurken. Juffrouw Henriëtte,

die blozend en glimlachend in allerbeminnelijkste half-naaktheid op

het bed lag, moest hem iets zeer gewichtigs gevraagd hebben, want

zijn gelaat was ernstig en hij redeneerde statig.

--Neen, sprak hij, nadat het stopsel oppafte en het bruisend schuim

over zijn duim kookte, neen, Henriëtte geloof mij. Als ik u op dat

gebied in uwe onbezonnen grilligheid volg, weet ik dat het uit is

met onze liefde. Zijn er sterker banden om mij aan u te binden,

dan de banden des harten, waaronder ik thans geboeid lig? Wat zult

gij beweren? Het spijt mij te hooren dat gij u onzen toestand zoo

onjuist voorstelt. Gij verkeert in bedriegelijke misten, zoodat gij een

verlangen voedt, dat u en mij in het verderf moet storten. Wat hoopt

gij te verbeteren? Is mijn getrouwheid niet voorbeeldig en verheug ik

mij niet in de stevigheid van de uwe? Wat denkt gij met een huwelijk

te staven, dat niet al reeds overvloedig door onze wederzijdsche

genegenheid gestaafd en gewaarborgd is door de voortreffelijkheid van

ons beider gedrag? Gij zult hierop geen antwoord geven. Ik vertrouw

dat ge, in eigen overdenking, de ijdelheid van uwe begeerte zelf zult

inzien, en dat gij dan verbaasd zult staan tegenover het gevaar dat,

moet ik toegeven, onze liefde zou bedreigen.

Hij had den wijn in twee kristallen schalen geschonken en schoof nu

het verlakt tafeltje dicht bij de lage sponde. Hij zette zich neer op

het hoofdkussen met kantjes, lengde zijne magere beenen uit en wees

de mooie Veronèse-kleur van zijne zijden kousen. Hij bood haar den

drank, wilde naderhand zelf van haar beker drinken en had een groot

plezier in dat liefelijk bedrijf. Zijne hand fleerde wellustig over

het malsche satijn van haren soepelen rug.

--Zie! hernam hij lachend en zwierig, er is geen afschuwelijker

patrones dan Herè, de beroemde en geduchte schutsvrouw van het

huwelijk. Zij is de schoone dochter van Kronos en Rhea en de

onberispelijke gade van Zeus, haar broeder, Koning der Goden. Zij

is hardvochtig en nijdig, en de dood van vele onschuldige kinderen

der liefde--zooals daar zijn Semele en Latone, de heerlijke Dyonysos

en de heldhaftige Heraklès!--is haar te wijten. Als wij ons onder

hare hoede voegen, Henriëtte, gij, in schoonheid Herè gelijk, en

ik, de Panische bochelknul, dan zullen wij harer gestrengheid niet

ontkomen. Die Godin, mijn kind, heeft hart noch ingewanden, en de

liefde, onder welke vormen ook, boezemt haar een onnoemlijke afgunst

in. Wil ik u eens wat vertellen van haar?

Mijnheer du Bessy droeg een prachtig overhemd in grauw tussor bezaaid

met licht-groene erwtjes. Het hing los aan zijn hals en was op zijne

nauwe borst met ivoren knopjes toegemaakt. Hij liet er, al drinkend,

een klein champagnemos op druppelen, en de natte vlek kleurde geel

uit, daar verfrisschend, gelijk dauw op jong loover, de looververf

van de boonvormige stippeling.

--Nu dan, vervolgde mijnheer du Bessy, terwijl hij week Henriëtte's

schouders bestreelde en vingerde tot op de haartipjes van hare lauwe

oksels, er was te Argos, hoofdstad van Argolis......

Hij zette dadelijk eene vreeslijke historie in. Hij liet zijne stem op

en neergaan over de ronkende Grieksche namen; hij rythmeerde zijne

volzinnen en sloeg uit, in kadens, de symbolen en mythologische

beschrijvingen. Zijne oogen fonkelden weldra en het was zichtbaar

dat hij zich aan de behaaglijkheid van eigen fantasie liet beetnemen.

Hij eindigde op een somber tremolo, en er kwam eene indrukwekkende

stilte, welke hij zeer op prijs scheen te stellen......

Mijnheer du Bessy smakte, baadde even in den wijn zijn droog-geworden

mond, en keek op Henriëtte's aangezicht naar den indruk, dien er

zijne woorden uitgeoefend hadden. Hij glimlachte oolijk, zweeg,

genoot van het spel zijner eigen fantazij.

Juffrouw Henriëtte, die heel den tijd naar het roode scherm van het

licht had zitten kijken, keek niet op, mijmerde voort, zonder pinken

en zonder aandacht. Ineens, daar mijnheer du Bessy met zijne wuivende

hand guitachtig hare blikken brak, schrok ze, wimperde snel, bracht

hare bange vuisten op hare bloote borst en:

--Hemel! fluisterde ze angstig, ze is geheel zinneloos. Ik zal van

haar droomen!....

--Ta-ta-ta, troostte de baronet goedgunstig, terwijl hij zich

aan hare bangheid verlustigde en haren schrik toeschreef aan den

tragischen afloop van zijne parabel, wat is dat nu, Jette? Wacht u

voor Here...... ik wil 't wel.... maar ge ziet er al te angstig uit!

Ze bleven tot halfnegen in de zwoele alkoof, vol met de raadselachtige

reuken, die mijnheer du Bessy gewillig voor den geur van goddelijke

mirten hield. Dan kleedden zij zich om naar den schouwburg te gaan. Dat

was geen klein werk. Mijnheer du Bessy, die onderwijl nog Henriëtte's

keurslijf, tot het op de drukte van hare zware heupen barsten zou,

moest vastrijgen, had haast een vol uur noodig om de glimmende

haarbouten op zijn hoofd weer in orde te brengen en om, onder zijn

bleek-jaspiskleurige kamee, zijn okerbruin dasje te snoeren. Juffrouw

Henriëtte was niet vóor klokslag tien geheel vaardig. Toen ze haar

lavabo verliet, zwommen op de grauwe vlakte van een onbepaalbaar

lampetwater, als overschot van een verscheidenlijk toilet, de rozige

stoflagen van eene overvloedige bepoeiering, de slijmen van odol-melk

en de opgerolde klosjes van uitgekamde haren.

Ze wandelden arm aan arm op de Anspachlaan en hadden besloten in

de Scala een paar muzikale clowns en eene fransche divette te gaan

beluisteren. Op de Brouckere-plaats zagen zij eene rumoerige menigte

schouder-stuwend rond de uitstekende kepi's van politie-agenten

wemelen.

--Weer wat! praatte mijnheer du Bessy deftig, een vechtpartijtje dat

men naar den Amigo voert.

Hij had een afschuw voor volksgetier en mengde zich ongaarne in de

drukte van een onbeleefd en dwaas-razend plebs. Of was 't alweer geen

oproer? Hij trok zijn neus op.

Het zwarte pak menschen schoof langzaam over de asphalt en dook onder

de groene laanbelichting weg.

Zij hadden veel pret in de Scala, waar ze, geheel vooraan, in eene

logie zaten. Mijnheer du Bessy voelde gaarne de blikkering van naar

hem opgerichte dubbelkijkers en boog dikwijls over juffrouw Henriëtte

om haar, zeer hoofsch, eene liefelijkheid in het oor te fluisteren.

Hij werd in dat onschuldig bedrijf gestoord door mijnheer Florjan

Pacôme, de boudoirschilder, die met groot beslag en eene potsierlijke

vrijpostigheid de logie binnenkwam. Pacôme verliet hen van den geheelen

avond niet en, daar hij altijd alle nieuwsjes wist, meldde hij tusschen

het gebrul van een Amerikaanschen neger en den cancan-dans van de

zeven nichtjes Cake-up-to-day, dat men Lucia Pezza, de ontroostbare

zuster van pastoor Pezza, den verdwenen volksvertegenwoordiger, uit

de lisschen van de Willebroekvaart nog geen uur geleden en "groen

als haar gal" opgehaald had.

V.

DE ROODE GARVE.

De terugkomst van Milly d'Orval maakte in zekere wereld groot gerucht,

te meer daar ze, vóor haar vertrek, de huur van haar hotel nabij het

park van Tervuren had opgezegd en alzoo had laten vermoeden dat men

haar in lang niet meer zou wederzien. Zij had zich te San-Moritz

gevestigd, waar zij een lui en vervelend leven had gesleten, en

zij keerde in Brussel terug zooals zij was heengegaan--alléen. De

schitterende indruk, dien zij hier had nagelaten (zij ging door

voor de heerlijkste "mondaine" die de hoofdstad ooit met hare

aanwezigheid vereerd had) maakte dat zij er, opnieuw, gretig ontvangen

werd. Gedurende twee weken weerklonken de roode shop-muren van haar

naam en zij was, een heelen tijd, het mikpunt van al de praatjes bij

Bardain, den high-life-kapper van de Muntstraat.

Milly d'Orval ging een mooi huis op den Kortenbergschen steenweg

bewonen. Zij deed het keurig inrichten. Gedurende een volle maand

kreeg niemand haar te zien. Een hoop menschen kwamen hun kaartje bij

haar neerleggen, maar geen van hen werd bij haar binnengeleid. Zij

hield iedereen op afstand, en hare gunst werd, des te kostelijker,

op prijs gesteld. Hoe zag zij er uit? Hoe had zij Sörge's huwelijk

verteerd? Hoe zoude zij zich houden tegenover Sörge, en vooral--want

de ijdelheid is sterker dan de weetlust--hoe zoude haar gedrag zijn

jegens elk van de velen, die hunne verwaandheid streelden met de hoop,

voor een tijdje maar, door haar opgemerkt en lief bejegend te worden?

Ze besloot eindelijk vóor het voetlicht van hare talrijke aanbidders

te verschijnen. Ze gaf, als een teeken harer "blijde inkomst," een

groot onthaalfeest, waarop allen uitgenoodigd werden; en dien dag

was een flink gedeelte van Brussel, en niet het geringste, in rep

en roer. De vijf bloemisten van de Leopoldswijk kregen hunne handen

vol, en men wist niet meer in welke serre de orchideeën, lila's en

tubereuzen te halen die, van in den vooravond, voor Milly d'Orval

werden besteld. Het begon vreeselijk op een wedstrijd te lijken. Al

die mannen voelden dat ze in het perk gingen treden onder de oogen

en het oordeel van die éene vrouw, welke, tegelijk, den prijs zoude

verleenen en de prijs zoude zijn.

Ernest Verlat was niet het minst in de war. Sinds Milly's terugkeer

was hij zeer somber geworden en zijne afgetrokkenheid, die door

mevrouw Verlat en Pastoor Doening als eene gelukkige reaktie op zijne

verwarde handelwijze gehouden werd, was, in den grond, een vorm van de

onrust die hij, bij de benadering van Milly, over zijne ziel voelde

spoken. Hij werd zeer zenuwachtig, veinsde een onverdraaglijke

hoofdpijn, zat uren in zijn werkkabinet vóor een ledige tafel

te kijken in een holle toekomst, waarvan hem de onzekerheid meer

benauwde dan de rampen, die zij brengen kon. Hij besteedde haast een

halven dag aan de keuze van een ruiker. Hij koos eindelijk, in den

zeer kunstigen winkel van Isa Backers, beneden den Treurenberg, eene

wonderlijke garve bloeiende zwaardbloemen, toegebusseld in een tuil

roode anjelieren en vastgesnoerd in een keten van zeldzame klokjes,

purpergetint, welke boven hun vredig violet de schelle kleurlusten

van de wildruikende schoof verheerlijkten. Hij wilde geen aaiende

geuren, geen zangerigheid in de kelkschakeeringen. Hij wilde den

harden looversmaak, de scherpheid der anjelierpetalen gemengd met

de bijtende lischstengels en, alles tegare, overvuurd met het hevige

rood van de roode schatering....

Milly d'Orval stelde zich op haar soiree aan met een lachende gulheid,

eene blijmoedige opgeruimdheid, waarover iedereen ten hoogste

verwonderd was.

--Wacht maar, vezelde Pacôme in het oor van mijnheer Surlet d'Avenits,

beheerder van de bank der hypotheken, wacht! straks krijgen we een

zenuwaanval! Ça me connaît!

Mijnheer Surlet d'Avenits, die op zijn dik, gemakkelijk, rondborstig

en wellevend lichaam het veelbelovend gezicht droeg, dat bij

een hypotheekaanbieder past, liet op dat gezicht een geheimzinnig

glimlachje varen, dat voor eene opinie of voor een gebrek aan opinie

gelden kon. Hij trok even zijn neusvliezen op, snoof zachtjes in de

lucht, zweeg gewichtig.

Maar van een zenuwaanval--de krisis die de beminnelijke

gemoedslichtheid van Milly d'Orval zou begrijpelijk maken en haar

als eene pijnlijke spanning moest uitleggen--was geen spraak. Milly

bleef blijgeestig, hield met eene levendige zwierigheid de spirituëele

genstering van de zes en dertig mannen in bedwang en faalde op geen

enkel oogenblik van den avond.

Het gezelschap was buitengewoon aanzienlijk. Milly d'Orval had, bleek

het, iedereens kansen willen vereffenen. Schatrijke beursmannen--en

er waren er die de enorme schatting van hunne rijkdommen in

goudvuile duimvegen op hun voorhoofd hadden gemerkt--schouderden

in de drie keurige salons aan tegen arme hertogen en een paar

kunstenaars. Mijnheer Dubois, de Antwerpsche reeder, die zooveel

schepen bezat als daar stralen uit zijn diamanten hemdsknoopjes

sprongen; mijnheer Davancourt, van de firma Davancourt-Binard, een

klein ventje zonder pretentie maar met genoeg dochters om het gevallen

blazoen van acht vicomten en markiezen te vergulden; prins Orbany die,

als hij voor niets meer deugen mag, uit wanhoop misschien wel met een

van die dochters trouwen zal; mijnheer Proveniers, senator, bijzichtig,

half-doof en praatziek, een van die hooge staatslieden, waarop de

zware gewelven van mijnheer Dissel's Centrum gerust bogen konnen;

oud-generaal Van Sandt die, als het zijn moest, twaalf bittertjes voor

het soepee kon drinken en vijftien triple-sec's naderhand, een man

gelijk een eik, met eenen haarbos van schavelingen; de romanschrijver

Hoorndonck, van wien Lieven Lazare in zijn boek "Ploerten" zei dat hij,

met ze te schrijven, de hoeren onteerde, ('t was nochtans een schuchter

en schadeloos novellist, die zijn best deed om niet op Catulle Mendès

te lijken en er, zelfs dan, niet in slaagde zijn eigen te zijn);

mijnheer Marbehan, groot liefhebber van waterwild, het strooien popje

van de Jezuïeten, die zijn naam op den grootsten linnenwinkel der

stad hadden gezet en zijn geld in de magazijnen gestoken; mijnheer

Alderman, kunstjuwelier, een zwijgend artiest, zeer beschaafd, zeer

gevoelig, die zich had ingebeeld dat hij smoorlijk op Milly verliefd

was;--dan jongelui van de vierschaar en de diplomatiek, een hoogleeraar

met idealen, die de scheikunde doceerde, een beroemd bouwmeester, de

schitterendste dandys van de gouden nachtjeugd, al wat Brussel in hare

"halve-wereld" voor uitstalbaar telde, was daar aanwezig en rumoerde

stil onder de groote kampanulen van de elektrische kroonluchters.

--Het neusje van den zalm, zei Florjan Pacôme, die nooit eene

gelegenheid liet voorbijgaan om te doen opmerken dat hij steeds onder

het puik der salons werd gerekend.

Mijnheer Sörge was het eenige vliesje dat aan het voornaam neusje

ontbrak.

Milly d'Orval wandelde dan eens met den eene, dan weer met den andere,

en het was waarlijk of zij die bende wilde keuren. Iedereen had het

gevoel dat, wanneer hij, met haar, in een apartje rondkuierde of,

vóor een tafeltje in een hoek, een roemerken port schonk, zij hem van

top tot teen onderzocht en zijne goede eigenschappen opschreef naast

zijne slechte. In alle andere omstandigheden zoude zulks potsierlijk

zijn opgevallen en hadde men eene atmosfeer gestoord die van de

dwingelandsche d'Orval een blij-lachende Circe maakte en van hare

gasten eene onmondige varkenskudde. Nu echter kende men haar een soort

van recht op leven en dood, dat zij misschien veroverd had door het

niet te willen gebruiken.

Het eigenaardige van het feestje was dat men vóor het

middernacht-soepee in de oranjerie een klein gebarenspel zoude

bijwonen, dat Milly d'Orval eigenhandig had ingericht. Deze oranjerie

zag uit op de serre-gangen, en van op de veranda had men met zware

tapijten eene tent behangen die, door den tuin, de serre aan het huis

verbond. Zoo wilde Milly haar uitgenoodigden bevrijden voor den kouden

Novembernacht, die men achter de dikke gordijnen hoorde waaien.

Op klokslag van elf uren opende een zwarte lakei de hooge deur der

veranda en gaf het uitzicht op den met veelkleurige elektriek-tulpen

verlichten gang, die leidde naar de oranjerie. In de tent die wat

donkerder schemerde, lagen overhoop al de bloemtuilen, die Milly

d'Orval ontvangen had. Ze bestapelden er vier sterkgeurige oppers

waartusschen juist het noodige voetpadje lag, dat van de nauwe

ruimte overbleef. Terwijl traag en kuchend de gasten daar éen voor

éen voorbijgingen en met eigen hielen de kostbare leeljen vertrapten,

waarnaar zij met eene zoo zorgzame nauwkeurigheid hadden uitgekeken,

hadden zij eigenliefde genoeg om niet hardop te durven zeggen wat zij

over de vrijpostige behandeling van die vroolijke d'Orval dachten. Zij

liepen de tuilen voorbij met de geveinsde onverschilligheid van

menschen die, gekrenkt in hunne ijdelheid, zich niet verwaardigen

daaromtrent een oordeel uit te spreken, en het gezelschap werd er

niet killiger om, maar banger. De zonderlinge manieren van Milly

d'Orval, hare vreemde, onverwachtsche jubelende luimen, de inrichting

van een avondpartijtje, dat er met de bloemenkatacomben en dat

ongemeen gebarenspel al zeer raar begon uit te zien, de verbazende

verhoudingen van eene gastvrouw, die, op slot van rekening, niets meer

was dan een demi-vierge, voor hare dischgenooten, op wier gezamenlijke

brandkasten zij boemelde, 't ging al die teleurgestelde lichtmissen met

ontsteltenis slaan. Hunne nieuwsgierigheid, welke, naar zij eindelijk

vreesden, niet tot hun baat zoude bevredigd worden, werd haast een

angst en meer dan een ongemak, en het zou hen niet verwonderd hebben

als Milly d'Orval besloten had zich op hun rug over Sörge's ontrouw

te wreken.

Ze wandelden den serregang door, die met de mooiste planten

was versierd en waar walmde een zware, vochtige hitte, en zij

geraakten koutend, licht-pratend, te bekommerd om verrukt te zijn,

in de oranjerie. De langwerpige zaal, ommendom berankt met dubbele

lichtfestoenen, was zeer keurig versierd. De oranjeboomen groenden in

dichte rijen tegen de muren, al de versch-gele kuipen nevenseen. Het

glazen dak was met een zacht-wuivende vool overhangen; groote kransen

chrysanthemen kleurden de vensters, en waren vastgestrikt met witte

linten aan de palen van een met ifteloof beklommen latwerk. Het kleine

theater, dat men aan het verste eind van de zaal met bleek-groene

planken had opgetrokken, was gansch met het lui gebladerte van roode

notelaars overladen. Men zou, had Milly aangekondigd, het spel van

Daphnis en Chloë mimisch opvoeren.

Ernest Verlat had, in het gewoel, een beetje van zijn kalmte

herwonnen. Hij kon zich zoo weinig als al de andere, aan de Milly

verwachten, die hij nu te zien kreeg. Zij had hem nauwelijks en

tusschen twee vrij onbeleefde lachbuien een banaal-vriendelijk

woord gegund. Zij had, als in een korte vlaag van prinselijke

toegeeflijkheid, vluggelings met hare zijige vingers zijne

hand geraakt, en het docht hem dat ze, van zeer hoog op hem had

neergekeken. Milly was, buiten het bereik van Rupert, blijkbaar tot

een gemeene kokette vergroeid. De wijze ook, waarop ze haar feestje had

ingericht, ontstemde hem uitermate en niet zonder tegenzin had hij ze,

in de drie gonzende saletten, van den eenen losbol naar den anderen

zien vlinderen. En dan die voorstelling, wat moest dat beduiden en

wat meende zij met die goedkoope streken te verkrijgen? Hij dacht

droefgeestig aan zijne koorts van gisteren, aan die al te kostbare

aandoening, welke hij haar al te onachtzaam had opgedragen, gelijk een

hulde die haar in haar laag gezwets niet meer raken kon. Hij dacht

aan zijne zorgvuldige inzichten, aan zijne aandachtige keurigheid

.... wanneer hij bij Isa Backers was binnengeloopen en geen kleuren

vond die, ten naaste bij maar, met de hevigheid van zijn gevoelens

overeenstemden! Dat lag nu, als de laatste teleurstelling in den

tas van al die andere bloemen, onder de tapijten van eene tijdelijke

tent ....

--Mooi, hee? hoorde hij de overal-aanwezige Pacôme fluisteren.

--Ja .... mooi .... flauw ....

--Spreek stiller, mensch, fezikte Rop's naijveraar, terwijl hij zijn

magere hand met al de vijf schelpnagels en de veertien knobbelige

vingerkneukels op zijn mond lei, roep 't niet uit! De minste die u

hoort, zal 't u doen boeten, omdat het de waarheid is!

Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven · 第 24 / 35 段