--Wat, vroeg Lieven Lazare bitter, wat doet u denken dat ik u niet

met blijdschap ontvang? Zeker, uw voorkomen herinnert mij, mevrouw,

aan een kind, dat ik uitgelezen waande om in vrouwelijke sierlijkheid

eens het koorlied van een herboren Kristendom ten hemel op te dragen

.... Zeker, die herinnering is mij niet zoet, want dat kind is in den

Kwade gestorven--en hoe zoude mij dat zoet zijn? Maar mijn kristelijke

liefde is erdoor niet in zulke mate gestompt, dat ik aan de schaduw van

mijn overleden dochter niet de lauwte van mijn vaderschap kan bieden

.... Wat gij wilt dat ik doe, en gij hebt het mij meermaals duidelijk

gezeid, is niets meer, mijne goede Doening, dan een lijk verwarmen in

koude asch. Gij zijt niet genoeg, in uw leven, ontgoocheld geweest om

dit niet dadelijk en met eene innige geestdrift aan te durven .... Ik,

mijn vriend, ik heb alle beproevingen ondervonden en geen schande heeft

mij de Goddelijke Voorzienigheid gespaard. Mijne ervaring is de vrucht

van alle denkbare ellende en, zoo God mij nog levend houdt, doet Hij 't

wellicht om in den luister van mijne armoede Zijne hemelsche Glorie te

openbaren. Zal ik, zonder hoop, tenzij die welke ik zou kunnen hebben

op eene teleurstelling, mij nu bezighouden met het doode werk, waartoe

gij me, met de loffelijkste bedoelingen, aanspoort? Ik zal het niet,

pastoor Doening, en uwe kleine wenken zullen mij niet afleiden van

den schrikkelijken arbeid dien ik tegen de menschen uitstrijd sinds

jaren en waarbij ik mij herken als een schakel van de gouden keten,

welke God in den nacht der wereld gelijk een licht van passie door de

eeuwen slaat. Ik zal mijne waarheid en mijne liefde uitkrijten, als

een bewijs dat het God zelf is die, naar de uitdrukking der heilige

schrifturen, dees aarde bij hare polen vat en, om er de ketters van

af te slingeren, ze in zijn toornige vuisten schudt ....

--Neen, hernam hij luider, toen hij zag dat Doening hem wilde in de

rede vallen, tracht niet langer mijne belangstelling te wekken voor

de levenlooze afgronden, die ik voel langs beide kanten van mijn

weg. Gij geeft u al te vergeefsche moeite, want zoo wilt gij ingaan

tegen den wil der hemelsche Schiksels, waarvan ik de toorts ben en

het zwaard! .... Indien gij gekomen zijt om te praten, praten wij

dan ondereen--ik doe het gaarne, maar, bid ik u, houdt mij niet lang

op: het Onfeilbaar Oog heeft, op het bord der tijden, vooraf mijn

oogenblikken geteld.

Terwijl hij sprak, bibberde een ongemeene glans tusschen zijne

pinkende wimpers en hij wendde geen enkele maal zijne blikken naar

Vere, die al dieper op het tafeltje leunde en, mijmerend, de muziek

van die forsche stem te beluisteren zat.

Pastoor Doening kuchte zoetjes. Het was hem duidelijk dat Lieven

Lazare een van zijn hevigste luimen had en dat het niet geraadzaam was

hem hierin te storen. Het trof hem nochtans dat de onverdraaglijke

pamflettist niet rechtstreeks uitvoerde tegen het "goddeloos

parvenuïsme" van zijne dochter, en hij was hem in gedachten dankbaar

om deze onverwachtsche bescheidenheid.

Juist binst de korte stilte, die op de laatste woorden van Lazare

gelijk een verlegen ongemak volgde, werd de kleine deur van het

nevenkamertje op een schuchter grepje geopend en het bezweet gelaat

van den timmerman kwam er loeren met groot-blauwe verwonderde oogen.

--Het kistje met nagels, als 't u belieft!

Mevrouw Verlat hief schielijk haar hoofd op, toen ze den rooden

krullebol van den gothieker Johan Doxa herkende. Johan Doxa liet den

grendel los en stond, terwijl de deur op haar eigen gewicht openviel,

over den smallen drempel te lachen. Een stram-oude en stijf-gebeende

poedelhond sprong heesch-bassend vooruit.

--Kom binnen, Johan, sprak mijnheer Lazare tamelijk majestatisch,

gij zult in het gezelschap goed ontvangen worden, ofschoon het waar

is dat ik u bij tijde zou ontboden en uwe komst er niets zoude bij

verloren hebben indien ze zich een stondeke later had voorgedaan. Ik

stel u, mevrouw, een oud-vriend voor van uw vader, mijnheer Doxa,

schilder en miniaturist. Hij was indertijd een zwak schaap, dat

door onkuischheid werd verschrikt. Toen verliet hij me om met een

tuchtlooze vrouw den Duivel in het aangezicht te kijken. Maar het

heeft God behaagt, bij wiens genade hij kunstenaar geboren is,

dees uiterste maal het kind te redden, dat hij met de schranderste

weelde en de goddelijkste teergevoeligheid had bedeeld, te redden

voor de branding der eeuwige duisternissen. Men mag zeggen dat in

Doxa het licht is opgegaan. Zijne handen hebben, onder het toezicht

der waakzame Drievuldigheid, het modderig goud vergaard, dat de

tempteering van den Booze zou worden. De vrouw is met den spaarpot

en met een bordeeltuischer op de vlucht gegaan, zoodat, voor Gods

roem bewaard, Johan Doxa terug bij me is gekomen.

Hij hief zijne armen op, heel groot wordend naast Doxa, die onmogelijke

pogingen deed om Bepje, den hond, tot zwijgen te dwingen en dan

blij, overdadig blij, zijn lokleuterend cherubijnshoofd voor Vere

kwam buigen.

--Ha! riep Lieven Lazare met eene sombere begeestering uit, wij

zullen de Kunst, die nu ploetert in de killige klauwen van het

rationalisme, binnen de vlammen van Gods liefde en heerlijkheid doen

oplaaien! .... Wij zullen de prachtige hemelvaart, door een Hello, een

d'Aurevilly en een Verlaine ondernomen, doorzetten in het aanschijn

van een bedorven kristendom. Wij zullen het geweten ontlossen van

eene Kerk, welke, eertijds tot op den straal der hemelsche gesternten

verheven, nu zoo geplet, verouderd en vervallen is, zoo armzalig

omspinnewebt in de woestijn van hare verlatenheid, dat zij, niet eens

meer, wie haar aanbidt van wie haar besmet, onderscheiden kan! De

moderne katholieken haten het schoone, daar zelfs waar de onbeschoftste

godloochenaar haar eenvoudig voorbijloopt. Zij houden het schoone voor

eene verzoeking der zonde en de heerlijke vermetelheid der genieën

slaat hen met angstige ontsteltenis. Zij gebruiken de onweergalijke

praal van Gods tabernakelen om, alsof 't van den Duivel bezeten was,

het Sublieme te bezweren! Welaan! is God zelf niet schoon? En moest

Hij ons nogmaals de gratie gunnen en in ons midden zijgen--en zagen zij

Hem dan, zij allen die Hem op hun gelijkenis hebben uitgebeeld, die er

van maakten een walgelijken salonnetjes-Adonis en met karamelsuiker de

kalvarietranen op zijn aangezicht schilderden, zagen zij Hem dan, den

waarachtigen Jezus, stralend in verschrikkelijke pracht, ombliksemd

binnen de vuren van Zijne wondere heerlijkheid, en vloeiend in die

geheimzinnige druppeling, welke de oogen verblindt en de robijnen

smelt, en waarvan de kunstenaars door alle tijden de slecht-befaamde en

zeldzame fonteinen waren--in welke kuilen, in welke slooten zouden zij

hunne ijlgedonderde toten schuilen en bergen hun loopende darmenjicht!

Johan Doxa stond in een blauw schort en hield vol bewondering de hand

van Vere in de zijne. Gelijk een stem van ouds, een echo dat in haar

hart het verre goud van hare verleden kinderjaren omgalmde:

--Wat zijt ge schoon geworden! fluisterde hij.

Hij was, onveranderd, de kinderlijke Doxa gebleven; hij had de

watertjes van een bedenkelijk huwelijk doorgevaren; hij had den vloek

van Lazare en de verwijten van zijn inschikkelijk geweten, zoo goed

als de rimpelraspen van den tijd, gedragen zonder vermoeienis. Hij was

de stil-peinzende verfpeuteraar, en hij bewandelde, gelijk 't in goed

humeur zijn vriend Lieven zeide, "als een serafische zonneklopper de

deugdelijke paadjes van den levenstuin, thuis latend de bloedhonden

van den hartstocht."

Mevrouw Verlat zag in zijne blauwe oogen de perelende tranen staan. Ze

drukte stille zijne vingeren, die als beenderlooze vleeschkussentjes,

alle vijf lepelvormig nevenseen, hare hand mollig omsloten. Ze knikte

hem glimlachend toe, en vroeg:

--Zijt ge gelukkig, beste Johan, en zult ge mij eens komen bezoeken?

Hij kon niet spreken. Hij hoorde niet wat ze zei. Hij lispelde weer:

--Wat zijt ge schoon geworden! ....

Hij vereenzelfdigde met dat "schoon" blijkbaar de rijkelijkheid

van haren zwarten mantel, de mooiheid van haar wijnmoeren hoed, de

glansen van hare kostbare pelsen, en de weelde van de gouden beurs,

die zij tusschen hare handschoenen half-geborgen hield.

Mijnheer Lazare voelde ineens den ledigen afstand, waarop hij zichzelf

verwijderd had van den waren geest, die deze uitzonderlijke bijeenkomst

bezielde. Zijn hoogmoed was er door gekrenkt, maar hij bewaarde de

zonderlinge glinstering die op zijne oogen wimperde.

--Ja wel, antwoordde hij rap, haast gebiedend, mijnheer Doxa zal u

weleens bezoeken .... Waarom zoude hij niet? Hij zal echter den plicht

indachtig blijven, dien hij zich zelf vóor God en vóor mij heeft

opgelegd. Hij zal zich ten allen tijde herinneren dat de perken van

zijn leven gemeten zijn en dat hij, binst korte jaren, het grootsche

werk moet afdoen, waarvoor hij, ten bate eener herlevende Kerk,

is aangewezen.

Iedereen keek hem aan met verbazing, en niet het minst Doxa zelf, die,

ofschoon hij zonder morren alle arbeiden, mogelijke en onmogelijke,

wilde aanvaarden, niet de kwadelijkheid van de misdaad inzag, welken

hij gereed was om in liefelijke naïeveteit te bedrijven. De stilte,

die geweldig op de verwondering van die zesdubbele blikken neerstortte,

mat meteens de eenzaamheid, waarbinnen zich, als een gewond krijger

in zijne tent, Lieven Lazare opsloot. Hij ook voelde, rond hem, de

koude luchten en de harde voorwerpen zonder genegenheid. Het werd

hem zwaar te dragen; maar in de wanhoop, welke hem op dat oogenblik

overviel, vond hij nog de bittere gedachte die, in zijn geest, een

goddelijke trouw was en zijn week hart trotseerde. De korte strijd,

de vlugge zegepraal van zijne fierheid krulden even de tipjes van

zijn mond, en hij gebaarde ook, met geveinsde lichtheid van woorden,

zijne wijde verlatenheid niet te merken.

--A propos, Doening, praatte hij luchtig, wij gaan na nieuwjaar

misschien wel naar Nizza, waar ik een groot kritisch werk moet

aanvangen, dat ik al lang in plan heb opgezet en waarvoor ik nu

onverwachts de gewenschte toelage heb gevonden. Ik wil, namelijk

de proletarische verkensliteratuur aan de kaak stellen, waarmede

thans eene afschuwelijke maatschappij haren wansmaak mest .... Uw

aangetrouwde zwager, mevrouw, die een fijnproever is en een snedige

geest, stelt mij achttienduizend frank ter hand voor het voltrekken van

dien arbeid, waarbij--moet ik het zeggen?--nauwelijks den beroemden

kuisch der Augias-stallen door Herkules te vergelijken is. Ik zal

vermoedelijk te Nizza dat ongeurig karweitje tot zijn einde brengen. De

winter is hier zoo koud ....

Vere blikte, even verschrikt, in zijne oogen. Ze hadde hem willen

omarmen; ze wilde hem niet overlaten aan de edelmoedigheid van

Sörge, wiens aalmoezen zij evenzeer vreesde als zijne berekende

zinnelijkheid. Ze wilde 't zeggen, hief hare handen op en hoorde

onderwijl, zachtjes, de rinkeling van het geld dat in haar gouden

beursje zat. Het inzicht brak in hare keel.

--Kan ik zelf dan, stamelde ze, niets .... doen voor u? ....

Hij antwoordde kort, bijna onachtzaam, gelijk men een onbeduidend

beleefd woord zegt:

--Neen .... ik vrees neen .... neem me niet kwalijk ....

Doordien pastoor Doening juist alsdan Johan Doxa aansprak, gelukte

het Vere onder deze vernedering in tranen niet los te barsten. Lieven

Lazare mengde zich zeer lichtelijk en haast onbezonnen in Doening's

gesprek. Hij scheen den indruk van zijn woord onverlet en grillig

voorbij te loopen. 't Beukte daar nochtans, in zijn kampend hart:

't verschroeide van liefde .... Maandelijks kreeg hij geld van

pastoor Doening, en hij wist genoeg dat het Vere's geld was. Nooit

had hij geweigerd. Hij verteerde het telkens zeer royaal, ging weer

ekstatisch opbranden in de weelderige wellusten van zijne armoede en

riep op zolderkamertjes zijn nijd uit, zijn gekwetste fierheid, zijne

onbluschbare razernij--altegare, in zijne overtuiging, de gramschap

van een vervaarlijken God, door zijn uitgekozen menschenmond tot vóor

Gods outers uitgeroepen.

Doch toen eindelijk pastoor Doening, rechtstaande tot voorbereiding

van het afscheid, met zijn mageren vinger naar Bepje wees, en vroeg:

--Kent die hond u, mevrouw?

Dan schoot ineens open zijn lang-bedwongen hart. Iedereen keek naar

Bepje, dat zich aan Vere's voeten had neergevleid. Vere sprak stil:

--Hij heeft mij herkend. Hij was binst mijne jeugd bij mijn vader. Hij

heeft mij nog lief ....

Ze streelde hem, trok hare handschoenen aan, borg beschaamd hare

nuttelooze beurs. Toen ze de hand drukte van haar vader, zag ze de

tranen die op zijne wangen rolden. Ze zweeg, liet Doening vragen:

--Zullen we nog eens praten .... zoo .... Lieven?

Zij hoorde iedereen dan zwijgen, gelijk zij zweeg ....

Het ritje in het rijtuig was al een heelen tijd over de straatsteenen

aan het rammelen, en mevrouw Verlat keek sprakeloos door het eene

portière-ruitje uit, terwijl, eenderlijk in sprakeloos gemijmer,

pastoor Doening uitkeek door het andere. De paarden hielden stil

onder de olmen der Regentielaan.

--Eer gij afstapt, zei Doening, die met dezelfde koets naar zijne

woning zou gevoerd worden, zeg mij, mevrouw .... ge spraakt, in den

middag, van een leger en een strijd .... en van een nederlaag .... Wie

is uw vijand?

--Ik ken hem niet .... Ik voel hem .... tallenkant ....

--Ja, dubde de oude pastoor, haar bij 't afstijgen de hand reikend,

ik geloof dat hij ....

Vere keerde zich op den drempel om.

--Noem hem niet, fluisterde ze triestig, ge doet me pijn, mijn vriend.

Ze had vluggelings een vinger op haar mond geleid en verdween in

de vestibule.

IV.

APHRODITE, GODIN DER LIEFDE, EN HERE, PATRONES VAN HET HUWELIJK.

De kamers die mijnheer du Bessy voor juffrouw Henriëtte in de

Gretrystraat gehuurd had, waren te weelderig voor eene eerlijke vrouw

en te zindelijk voor eene minnares. Maar juffrouw Henriëtte gaf zich

gaarne, in de hoedanigheid van deze laatste, het voorkomen van de

eerste, en zij schikte zich, zoo goed als zij kon, in het tweeslachtig

uitzicht van hare woonst. Zij had overigens, gelijk het meerendeel

der damen van haar soort, een goede, gewoon-burgerlijke inborst,

en zij ware een voortreffelijke huismoeder geworden, indien niet "de

omstandigheden" er anders over hadden beslist. Het is dubbel vallen,

als men zich niet oprapen wil; maar, zoo vraag ik u, waarom zich

oprapen, wanneer het pas dan is dat men te zien komt hoe onherroepelijk

het vallen was?

De gelijkmoedige trottoirs eener stad worden aldus betrippeld door

duizenden mooie voetjes die gestruikeld hebben en eene deugd lieten

omklinken, welke zij veel te licht waren om te dragen. Men redt

iemands eer, men redt iemands geweten; maar hoe eene deugd te redden,

als het zoo zoet is haar prijs te geven en als zij, gered, seffens

een onverdraaglijke dwingeland wordt?

Zoo redeneerde juffrouw Henriëtte. Ze zag er niet gaarne als eene slet

uit, en ze huiverde bij de gedachte aan een bordeel. Er is in alles

schakeering en graduatie, ook in de ontucht. Juffrouw Henriëtte, die

hare gunsten aan mijnheer du Bessy verkocht en ze af en toe, gratis,

ter nagedachtenis van een genoegelijk verleden, aan Florjan Pacôme en

een vagen onderofficier der grenadiers toestond, zoude zich onder de

meer preciese benaming van straathoer zeer gekrenkt hebben gevoeld. En

zij zoude gelijk hebben; want, zoo zeide 't haar dikwijls Pacôme,

men heeft maar de gebreken, die men zijn eigen toekent.

Juffrouw Henriëtte kende haar eigen éen zeer groot gebrek toe,

en Pacôme beweerde dat men haar, om dit éene, alle mogelijke

andere vergeven moest: juffrouw Henriëtte was verliefd. Het was

de zonderlingste liefde, die men kan uitdenken, even eerbaar, even

hartstochtelijk, even àl-beheerschend als de schoonste liefde, welke

ooit bezongen werd. Ze was ontstaan in een oogenblik van "gratie,"

gelijk het gebeurt dat God aan elk zijner kreaturen, tot aan de laagste

onder hen, gunnen kan. Zij was ontstaan zooals eene wondere bloem op

naakte heuvelen, en zij was zuiver, mirakelachtig-zuiver gebleven,

ofschoon de modder spatte rond den voet van haren rilden steel.

Juffrouw Henriëtte bevrijdde hare liefde met de listen van die

geheimzinnige leugens, welke het onbegrepen vermogen zijn van

een goddelijk mysterie of een duivelachtige schijnheiligheid. De

liefde bleef ongeschonden in de praktijk van een losbandig leven,

en de gerantsoende kussen van mijnheer du Bessy, al zoo min als de

moe-verveelde liefkoozingen van Pacôme of de stormbeminnelijkheden

van den grenadier--hij was een Waal en heette Bistaquet--vermochten

ooit haar te krenken. De liefde van juffrouw Henriëtte was het zilveren

lichtbelletje, dat men in den zwartsten afgrond rinkelen hoort. Zij was

het ideaal goed dat men in een gouden schrijn bewaart, het kostbaar

geheim van een kanaljeleven, dat men mededraagt in het graf en, als

een pleit voor alle zonden, ongedeerd op 't laatste oordeel toonen zal.

Juffrouw Henriëtte beminde pastoor Pezza. In den beginne was 't een

wilde passie, die hare oogen ontstak en hare lippen verschroeide. Wat

had zij in dien tijd al niet gedaan om door hem opgemerkt te

worden. Zij zou alle hinderpalen geweerd hebben, tot den priesterlijken

eed, dien hij, met zijn toga, aanvaard had. Op het oogenblik dat Pezza

in de verwikkeling van hare gedurige aanvallen aan het bezwijken was,

rees tusschen beiden de onoverkomelijke Lucia, Pezza's zuster.

Lucia drong hare vriendschap bij Henriëtte op, die, van dien dag af,

alle hoop op zege moest verlaten. Lucia, die zoo goed als Pezza's

geweten was, werd ineens Henriëtte's angst. Henriëtte kon zonder

beven niet zien naderen die vreemde woeste vrouw, tegen wie zij het

innige geheim van haar leven verdedigde. Zoo klapwiekt radeloos het

zorgzaam vogeltje, wanneer men zijn nest te dicht nabij komt.

Juffrouw Henriëtte vermocht haren hartstocht te smoren, en hare liefde

werd een vroom gevoel. Na de spoorlooze verdwijning van Pezza behield

zij het onveranderd, uitgezonderd de stille droefheid waarmede zij

er de rustige glansen van omhing en die er, gelijk een mooie avond

over een watervlakte, de vredige spiegeling scheen te "vereeuwigen."

Juffrouw Henriëtte was de laatste die Pezza gezien had, en dat geluk

streelde haar liefde. Gaarne hadde zij medegeholpen om Pezza terug

te vinden, ofschoon zij niets meer van hem te verwachten had. Zij

steunde, met geduld gewapend, het koortsig onderzoek van Lucia,

welke zij minder vreesde, naarmate zij er lijdender uitzag. Lucia

kwam dikwijls bij haar en telkens moest zij dan herhalen waar juist

de automobiel was voorbijgeschoten, wie erin zat, of Pezza bleek was,

of haar niets speciaals had getroffen .... Telkens tierden luider op

hare onmacht en hare wanhoop.

Tien maanden verliepen .... Geen nieuws, geen spoor, geen teeken

.... Pastoor Pezza bleef weg en onvindbaar. De bevolking onderwijl

was kalmer geworden en het werd duidelijk dat alle revolutionaire

pogingen voor goed en voor lang waren geweerd.

Op een November-vooravond, terwijl, op afwachting van mijnheer du

Bessy, juffrouw Henriëtte vóor een wit-gelakt toilettafeltje de laatste

hand lei aan haar versch-gepoeierd haartooisel (het was inderdaad een

liefelijke gril van den baronet dat zij, ofschoon de mode voorbij was,

heur haar zou poeieren) werd hevig op de deur geklopt. Zij opende en

zag Lucia op den drempel staan, eene bleeke, magere, somber-kijkende,

onherkennelijke Lucia.

Lucia kwam zwijgend binnen, groette niet, blikte verward rond, rechtte

zich, in het midden van het rozige boudoirtapijt, stijf overeind en

kruiste over hare borst hare kneukelige armen.

Zij had geen mantel om. Zij droeg een klein zwart kaphoedje, waarvan

de linten los over hare schouders hingen. Een scheur gaapte in hare

mouw, op haar elleboog.

--Doe de deur dicht op slot, gebood ze.

Ze neep hare lippen overeen, zoodat haar mond een blauw riemken werd,

dat, als een meskap, haar puntige kin en haar scherpen neus naar voren

deed uittoppen. Een roode hitte kleurde de randen van hare oogen,

en een zenuwrimpel, die hare wenkbrauwen optrok, trilde ongedurig op

haar voorhoofd. Ze wachtte, tot ze het slot hoorde klinken.

--Daar zijn er twee, die me iets verborgen hebben, sprak zij heesch,

gij en Dissel!

Ze klapte hare lippen weer dicht. Eene schorre droogte reutelde in hare

stem. Ze ging werktuigelijk, alsof ze niets meer te zeggen of waarlijk

niets gezegd had, vóor het ovaal spiegeltje staan en schikte haar hoed

eens naar links, dan naar rechts, dan even als te voren. Geen vezel

roerde op haar wezen, tenzij de pinkende rimpel die snokte aan hare

beide wenkbrauwen. Ze kwam terug, keek Henriëtte geheimzinnig aan,

zette zich op een sofa.

--Ik vraag het u, sprak ze traag, ik vraag het voor het laatst. Gij

hebt mijn broer gezien. Was hij in een automobiel? Ja, in een

donker automobiel. Wel, wel, een donker automobiel .... Was hij in

de automobiel? Natuurlijk, en wie zat nevens hem? Een man, hoe zou

het anders? .... een donker man. Ja, ook donker. Ik vraag 't niet om

te weten--ik vraag 't voor het laatst, om te hooren .... Ik, ik weet

beter. En waar zaagt gij de automobiel? Zoo, zoo .... zwijg! Ik zeg

wat gij zegt. Op de Noordlaan? .... Inderdaad, van het centrum weg

langs de Noordlaan? Inderdaad. Hm! Inderdaad, en dan?

Ze lei hare magere handen op hare knieën, wachtte. Juffrouw Henriëtte

sprak geen woord.

--En dan? .... En dan? .... En dan?

Ze kreet het uit, sprong plotseling recht, ging 't uit hare keel

rukken onder Henriëtte's aangezicht:

--Prij! Prij! ik zal 't u vertellen!

Henriëtte keek verschrikt, ging leunen tegen den muur, zag ineens

Lucia's woede uitschokken in een akeligen lach. Ze huiverde bij die

ellende, zooals men huivert bij den dood.

--Henriëtte, zei Lucia kalmer terwijl zij zich zeer voorzichtig weer

neerzette op het randje van de sofa, ik kan u vergeven wat ge met

Pezza gedaan hebt. Gij hadt hem lief. Maar, berg hem niet langer--want

ik ook, ik heb, hierbinnen, een vuur, een vuur, duizendmaal het

uwe! .... Berg hem niet langer. Ligt hij ergens in een bed? .... Dat

zal wel, dat zal wel .... Hee! verzorgt gij hem goed? Hij eet gaarne

kreeft en garnalen .... Hoed hem voor Dissel! Geloof Dissel niet,

alhoewel hij u geholpen heeft. Hij zal alles verwoesten .. Maar ik,

hoor mij! ik heb Dissel in mijne klauwen! Ik zal een boek schrijven

.... met alles erin .... met alles erin .... Geef mij een kaars. Waar

is mijn broeder?

Ze lachte weer, knikte Henriëtte toe, wenkte dat ze moest

naderkomen. Ze wandelde dan wiegend het boudoir rond, stil-zingend

op mate van haar stap:

--Met alles erin .... met alles erin .... met alles erin ....

Tot ze moe werd, op een stoel neerviel, en een tijdje hare oogen

sloot. Ze lag achterover tegen de leuning en haar gelaat, dat nu den

gloed miste van hare vorige oogen, droeg het onbeweeglijk masker

van een lijk. Hare vuisten lagen nevenseen in haar schoot. Kleine

kneuzingen bloosden blauwachtig op de puntige gewrichten.

Niet lang bleef ze zoo. Als uit een vreeslijken droom wipte ze

stokkestijf opwaarts, staarde wijd en bang vóor zich uit, beefde

koortsig.

--God! hakkelde ze, waar is hij nu? waar is hij nu? Hij roept! wat

doen ze met hem? Hij spartelt! Hij ziet het water .... hij ziet het

water! ....

Ze slaakte een wilden kreet, draaide woest het slot open en liep

hijgend de deur uit; men hoorde haar over de trappen struikelen ....

Juffrouw Henriëtte stond roerloos en zonder wil. Gelijk het de

eerlijkste vrouw doen zou, knipte ze, van hare mooie wimpers, een

traan, dien er de deernis als een parel had opgehangen, en, seffens

naar het ovaal spiegeltje loopend, ging na of die vlugge aandoening

de kunstige poeierlagen op hare wangen niet hadden gestoord. In de

streeling van een pluimen kuifje en in de lichte walming van een

fijnen geur verborg ze de laatste sporen van hare prijzenswaardige

gevoeligheid.

Mijnheer du Bessy deed, kort daarop, zijne triomfelijke intrede. Hij

was zeer opgeruimd. Terwijl hij zijn mantel op een bankje gooide en

zijn hoed dwars over zijn stok lei, loofde hij de gastvrijheid die het

bekoorlijkste vrouwenlachje van de wereld hem wel wilde gunnen. Hij

was keurig aangekleed, droeg een engelsche jakket met kleinen

kraag, spannend op een rosbruin dasje, dat om een onyxkleurige kamee

gesnoerd was. Zijne manchetten hingen even op zijne hand, zoodat men

de dubbele agaatknoppen zag, welke de tipjes met een gouden kettinkje

overeen sloot.

--Melieve, zei hij, antwoordend op den "chéri" dien ze hem in een

natten zoen had toegefluisterd, gij hebt hier een edelman, die dezen

avond met een onuitsprekelijk verlangen heeft te gemoet gezien. Waar

haalt gij, als eene nieuwe Calypso, de toovermacht om mij, in dit

moderne Ogygia, met de kransen van een ondubbelzinnige liefde in

boeien te slaan? Hoe vaart gij vandaag?

Ze lachte vriendelijk, dook in de blosjes van eene preutsche

beschaamdheid hare onwetendheid omtrent den mythologischen rommel,

waarmede mijnheer du Bessy zijne rede versierde, en zag er alzoo

uiterst behaaglijk uit. Zij kwam naast hem zitten op de sofa, leunde

droomend aan tegen zijn borst en zorgde dat de vioolgeuren van het

Ninon-water, in wiens overvloed zij haar hoofd tot op de schouders had

gebaad, hem bedwelmend in den neus schoten. Dat deden ze voortreffelijk

en mijnheer du Bessy bezong de zoetheid van hare aromaten.

Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven · 第 23 / 35 段