boven hare ontzaglijke schouders en de pronkstellage van haren boezem,
het nauwe hoofdje van mevrouw Morganès troonde. Jujube, in zijn
scharlaken livrei, gleed vooraan. Hij ging, vóor Verlat's voeten,
een paar stoelen wegruimen en wees den weg naar Florjan Pacôme, die,
roodlachend onder zijn verwarde haarkrullen, naast Roy-Dour op een
ovale Florentijnsche schabel zat. Hij drukte Ernest de hand en schoof
dwaas-pinkoogend een bankje bij. Jujube bracht een plat kussen van
gebloemde brocatel.
--Ik kom hier, zabberde Pacôme half-dronken, al drie avonden te reke,
om u te zien. Roy-Dour is zot naar u, en ik heb u wat te vertellen.
Roy-Dour, bijgenaamd Marjolene, had binnen het wondere kraal van
hare lippen en, zooals Homeros zegt, achter den barreel van hare
tanden, welke prachtig waren, de stem van een heeschen belleman. Hoe
kon, zonder het te beschadigen, zulke klank ooit zulken barreel
overschrijden! .... Wat Roy-Dour gemeenlijk te zeggen had en dan ook
zonder de minste preutschheid zei, was niet van zulk slag dat het
de lompheid van die stem kon doen vergeven. Hare woorden pasten bij
hare stem, zooals Anatole's lepelooren bij zijn idioot doorpompenden
kemelschedel pasten.
Men dronk. De champagne-kurken sprongen bescheidenlijk, stil
in het servet van een dungelipten kelner uitgesnut. Men telde de
flesschen aan de kurken die op een Delftsch bordje, midden de tafel,
werden neergeleid, en men las de eerlijkheid op het gezicht van
Jujube. De Tjekken-muziek die zachtjes opklonk, spreidde over al die
dooreenspattende geluiden van het shop-leven een wasem van geduldige
welluidendheid, die vlijtig-maar de leêgten aanvulde, de uitschietende
kreten doofde en, in 't gezamenlijke, eene aangename eenheid herbracht.
Juffrouw Bella d'Irsy, dikke vriendin van Marjolene, kwam, in
een zalm-rozig tullen kleed binnen, werd, onder buigingen en
een vriendschappelijk voorstellen, in het gezelschap "van het
hoekje"--Pacôme zei 't al niezend--toegelaten. Terwijl Verlat hare
hand aannam, merkte ze dat zijne manchet geheel verfrommeld was.
--Hebt ge in een vuistkamp gestreden, vroeg ze, of zat Marjolene op
uwe hand?
Het knoopje hing los aan de hemdlob te bengelen en 't had, in de
keurige nauwgezetheid van zijne overige dracht, een potsierlijk
uitzicht. Hij kreeg een kleur, lachte peinzend.
--Het spijt hem, mademoiselle, meesmuilde Pacôme, dat hij, niet wetend
dat ge komen zoudt, naar u niet heeft gewacht. Maar, si le coeur vous
en dit, ga naast hem daar zitten ....
Juffrouw Bella d'Irsy zette zich, legde op de tafel haar
zilveren toilettaschje en bekommerde zich verder niet om Pacôme's
geestigheid. Men bracht nieuwe Cliquot en de gouden toten snoot weer,
alsof ze verkouwen waren, de gladde kelner in zijn doek.
De verrassing van den avond was, op klokslag halftwee, de intrede
van mijnheer du Bessy en Henriëtte. Het was wel de eerste maal dat de
shop met een bezoek van het nette baronetje vereerd werd--eene eer,
die waarlijk Dumdie niet half genoeg op prijs stelde, want de deur
knipte haast, onder Dumdie's hand, het neustipje van mijnheer du
Bessy af. Het was de smeekende stem van Henriëtte te danken dat ze,
traag en wantrouwig, op een grepje weer geopend werd. Mijnheer du
Bessy keek, onder de rozige belichting, eenigszins verlegen rond. Een
pioenblos drong tot in de rechte kamlijn van zijn geverfde haren,
toen hij, tusschen al die ruischende hoofden, het aangezicht van zijn
neef herkende.
Men maakte, in "het hoekje", zoo goed men maar kon, plaats voor hem,
en hij zette zich neer in het zweet van zijne schaamte. Pacôme had,
half-ernstig, iedereen voorgesteld.
--Madame Marjolene, alom Roy-Dour! Juffrouw Bella d'Irsy,
étoile! Mademoiselle Henriëtte .... hoe is de rest alweer?.... pardon
.... Monsieur le Baron!
Hij woog, zat-lomp, op het woord, en mevrouw Morganès verwaardigde
zich even haar hoofd om te draaien, heel eventjes, boven de hespen
van hare schouders.
--Jujube!
Deze sprong overeind, slikte haast den frank in, dien hij zat af te
zuigen om glad schoon te krijgen.
--Passez, beval de aztekkop van mevrouw Morganès met een stem die
uit een bock-buis scheen op te piepen, passez un cendrier à monsieur
le Baron!
Er werd buiten op de ruiten geklopt en Anatole goot drie wijnklakken
in een grooten beker saam en droeg hem, onder een servet, op straat.
--Wel! lachte Verlat, lieve oom, hier meende ik niet dat ik u ooit
zien zou!
--Ja, kuchte Oomken, ik ben wat lang bij de Oreade gebleven. Ze kwam
van het concert, en Sörge was niet in zijn schik, zeide hij. Het is
hier wel prettig ....
Hij geraakte bezwaarlijk op zijn gemak, wreef koortsig in zijne
handen, bloosde weer onder de stilte die, na zijne woorden, over
tafel viel. Pacôme lachte oolijk:
--Ha .... Ha .... zóo! .... Sörge is niet in zijn schik?
--Ik zag 't niet, weerlegde mijnheer du Bessy, ik zie nooit iets
aan hem.
--Mogelijk .... maar ik was ook op dat concert, en ik zag het
wel! kwijlde Pacôme in een grijns; hij was in het geheel niet in
zijn schik .... Hee, Roy-Dour! was Sörge in zijn schik? En waarom,
Roy-Dour, mijn duifje, was Sörge niet in zijn schik? Sörge niet in
zijn schik, de onzichtbare Sörge zichtbaar niet in zijn schik,--dat
is al iets zeer ongemeens, zou ik denken!
--Steek uw snuit in uw eigen vuil, gromde Marjolene.
--Dat zal ik, dat zal ik, grinnikte flauw de andere, op mijn tijd en
als ge mij vuil genoeg hebt gemaakt--née .... Wel, wat vuil is er aan
Sörge? Bij uw deugd! Roy-Dour! Waar is het vuil, daar ik mijn snuit
niet mag insteken? .... Kijk zoo boos niet, om een grapje, kind;
we zijn hier al grapjesmakers ondereen, niet waar, monsieur du Bessy?
--Zeker, beaamde mijnheer du Bessy, die zich allengerhand op vasten
grond voelde; en die booze blik van mevrouw strookt allerminst met het
rein-palladisch profiel, dat, geloof ik, zij Minerva zelve ontstolen
heeft ....
--Wat charme! kreet met een leutig gilletje de lieve Bella in haar
aardbes-rose kleed.
Florjan Pacôme, die zich verslikt had, hoestte en klopte nadien op
Verlat's hand.
--Kerel, hikte hij, Milly d'Orval is in de stad terug en heeft Sörge
uit zijn schik gesmeten. Zij was op het concert. Zij zat in de logie
van een Italiaanschen gezant, en het schijnt dat ze niet eens naar
Sörge heeft omgekeken. Dat is de geheele geschiedenis, Ernest ....
Het werd laat. Verlat die zenuwachtig was geworden, nam den baronet
onder den arm en, nadat hij zooveel flesschen had betaald als er
kurken in het Delftsch kommeken lagen, verliet met Henriëtte en du
Bessy de rood-bedampte shop.
Henriëtte werd in een huurkoets thuis gebracht en te voet liep Ernest
de stad op, nevens het kort-schokkend getrippel van zijn oom. Hij sprak
niet. Tot driemaal probeerde Oomken hem uit zijn zwijgende mijmering te
wekken. Hij sprak maar niet, drilde zonder opkijken langs de gevels,
steeg bezij de Sinter-Goedelekerk, die over zijn rug hare grijze
gewelven ophoopte in den mist, en, langs den Treurenberg en het park,
bereikte de Regentielaan. Vóor de deur bleef hij staan. Mijnheer du
Bessy klopte zachtjes op zijn schouder.
--Zeg-'es, Nessie, vroeg hij stil, scheelt u wat? Ge doet zoo vreemd
.... Breng die d'Orval ook ú uit uw schik, jongen?
--Malligheid!
Hij schokschouderde, draaide den sleutel in 't slot, stiet de hooge
poort open in de vestibule waar de nachtveilleuse, binnen haar
groen-geruit bakje, bibberklaarde, en smeet zijn mantel en zijn hoed
op de tafel van de eetzaal.
Op het kleine Boule-meubeltje stond nog de vijfarmige kandelaar te
lichten. De kaarsen waren tot een halven duim van de zilveren dopjes
afgebrand. De vlammen joepten boven de zwarte pitten.
--Oom! vroeg hij fluisterend, zijt ge boven? .... Vindt ge de
trap? ....
--Ja-a! ....
Een handschoen van Vere lag op het tapijt, onder het verlakt tipje
van zijn laarzen. Hij blies gauw, gichtig, kwaad, de vijf kaarslichten
dood.
III.
AFTOCHT.
Mevrouw Verlat bleef lang te bed en, tot over den middag,
in hare kamer. Zij kwam beneden als men haar pastoor Doening
aanmeldde. Zwijgend drukte zij hem de hand en ging zitten, op hare
eigenste plaats, onder de marmeren kap der schouw. Pastoor Doening
merkte dadelijk hare groote neerslachtigheid en hij bleef vóor haar
rechtstaan en toekijken en schuddebollen.
--Weer wat nieuws! .... zuchtte hij peinzend.
Hij verhief zijne stem en, met eene innigheid die op de uiterste
snaar van zijne gewone bescheidenheid trilde:
--Het zou mij spijten, mevrouw, zei hij, indien, wel wetende dat ik
u troosten kan, gij mij uw leed verzwijgen wildet. Uw vertrouwen ....
--Dat hebt ge, goede vriend, viel Vere hem in de rede. Vandaag juist
wilde ik geen ander zien buiten u .... Ik moet u met woorden zeggen
wat hier omgaat en wat ge zelf toch al gevoeld hebt .... Het is,
ofschoon ik uwe edelmoedigheid ken, eene vernedering voor mij, en het
zal mij eene verzachting worden indien ge mij alles verzwijgen laat,
wat ik u zonder spreken kan zeggen. Zet u.
Zij wachtte een lange poos. Er roerde, gelijk gemeenlijk, geen
gerucht in deze groote, schaduwrijke kamer. De oude Ko kwam,
nauwelijks opgemerkt, over het tapijt schuiven, zette een drievoetig
tafeltje dichtbij en plaatste er twee kopjes met melk en een kom
met oranjewater.
--Moet ik vreezen, zei pastoor Doening, dat de spanning tot een breuk
gekomen is?
--Ik heb uw raad noodig, sprak Vere zacht. Ik moet vermijden wat nog
vermijdelijk is, en redden wat ik redden kan .... Het huwelijk van
Francine heeft hier, mijn vriend, het huis wel ledig gemaakt! Gij hebt
Francine bij haar terugkeer gezien. Zij is ons bijna vreemd geworden,
en ik vraag mij af, wat zij zijn zal, als zij ons geheel onbekend
zal voorkomen. Zij is, nu alreeds, het tweede kind dat ik verloren
heb. Ik ween over haar ....
--Schijn .... misschien enkel schijn, aarzelde Doening; misschien
strijdt zij later tegen wat zij nu, onbewust en met een gretig hart,
aanvaardt. We mogen toch in God berusten, gemoedelijk berusten in God,
wiens inzichten verborgen zijn.
Mevrouw Verlat sloot hare oogen, bleef zoo een tijdje. Een vermoeid
wee lag over haar aangezicht.
--Oomken, mijmerde ze, is jong geworden door wat hij noemt Francine's
geluk. De brave man durft haast niet meer bij me blijven, zoo bang
is hij eene droefheid te krenken, welke hem neerdrukt. Hij vlucht
me. Ik heb, dat weet ik wel, geen troost van hem te verwachten, maar
het verdriet me dat ik hem met mijn leed nu schrik ga aanjagen. Ik
heb toch een leed! Ik heb een leed, en ik kan er niet bij lachen
.... het wordt een masker dat de tijd afschuwelijker maakt, dat ik
draag op mijn voorhoofd en dat, rond mij, de harten van mijn vrienden
benauwt. Men verlaat mij. Ik ben alleen. Ik word koud. Ik word de
dood van dees huis, dat op een graf gelijkt.
--Ik .... durf ....
--Neen, zeg niets. Gij .... ja .... och ja .... Ik heb dezen morgen
het schrijn geopend en het gouden hartje bezien dat, nu bijna een
jaar geleden--heugt het u wel?--ge mij gegeven heb. Het is stom en
glanzend. Het ligt, onveranderlijk, op het donker fluweel. Ik denk
.... zoo .... dat het misschien het laatste hart is, dat mij zal
overblijven .... getrouw ....
Pastoor Doening roerde het rinkelend lepeltje in de witte melk, keek
aandachtig op de randen van zijn kopje, schonk naderhand voorzichtig
het geurige oranjewater. Vere lei hare vingeren lichtelijk op de
knoopjes van zijn mouw, vroeg:
--Is het noodig dat ik u over Ernest spreek?
Hij antwoordde niet, keek niet op, lepelde stille. Haar duim drukte
op zijnen arm.
--Het is mij zoo zwaar, zuchtte ze, zoo zwaar wat ik over hem te zeggen
heb. Het langzame werk, dat in hem sinds maanden aan het groeien
is, o dat werk, pastoor, zijt gij dat nagegaan? Zijn gedachten zijn
omgekeerd, zijn voelen ligt onderst-boven .... Ik kan 't niet zeggen
.... wat ik eens wist dat hij was, hij beliegt het nu, of was zijn
vroeger zijn een leugen? 't Klinkt alles valsch, wat nog klinkt in
hem .... en wat hij wil, wat hij wil met mij en wat niets is dan de
ontkenning van zijn liefde en de bezoedeling van de mijne.. is het
noodig dat ik daarover spreek?
Nog lepelde daar, zonder opzien, pastoor Doening. Hij voelde de hand
niet die verder op zijn arm woog.
--Indien gij 't niet weet, vervolgde Vere, moet gij het weten,
en als het in woorden u te weet komt, moet het zijn dat ik het u
met woorden zeg. Ik schrik wel voor die woorden .... een woord,
dat is zoo tastelijk een lichaam, men kan 't niet ontvluchten
.... Sinds Francine met Sörge verloofd was, heeft Ernest verdraaide,
onrechte, ja .... sluiksche pogingen--begrijpt ge me goed?--aangewend,
gebruikt of laten raden .... ik had toen niet het besef van wat hij
bedoelde .... Ik was, na den dood van ons kindje, zoo treurig dat
ik geen oogen had om 't te zien .... om 't door mijn tranen te zien
.... Pas na Sörge's huwelijk zag ik 't beter. Ge zult eens zien,
zei hij, wat Rupert van Fran zal maken! Hij zei dat met een trots,
die me dikwijls blij maakte over wat ik me toen van Fran's geluk
kon voorstellen. Ondertusschen merkte ik dat hij soms ziek scheen,
koortsig was en dan, telkens, zinnelijk opgehitst .... Fran kwam van
haar reis terug .... arme Fran!
Pastoor Doening hief zijn hoofd op, staarde mevrouw Verlat lang in
de oogen.
--Weet gij, vroeg hij schuchter, weet gij precies wat met Francine
omgaat?
--Ik weet het door wat men, op haar voorbeeld, van mij maken wil. Sinds
Sörge weer in Brussel is, zijn mijne betrekkingen met Ernest pijnlijker
geworden. Ik bood tegenstand, en onderwijl bedwelmde ik mij met de
hoop dat ik mij omtrent Ernest's inzichten bedrogen had. Maar gisteren,
nadat we van dat Duitsche concert kwamen en daar weer Sörge en Francine
zagen, gisteren avond brak de werkelijkheid uit. Ernest is ....
--Zeg nu niets meer, mevrouw, zei Doening.
--Dit nog: voor mij--verloren!
Het kopje melk, dat pastoor Doening had opgenomen en onder zijn mond
hield, was koud geworden, en lauw walmde de opgaande oranjegeur. Hij
doopte zijne lippen erin, dronk niet, begon weer eenvormig en
werktuigelijk te lepelen. Hij fluisterde dan:
--Vroegt ge niet een raad? Spraakt ge niet daarvan .... of is daar
geen raad meer voor? ....
--Ja. Een raad, juist.
Ze bedacht zich, een oogenblik, en glimlachte toen treurig. Ze sprak
nu met gedwongen, pijnlijke luchtigheid:
--Ik moet thans doen zooals een veldheer, wanneer de slag geslagen
en de nederlaag aanvaard is: tellen wat van zijn leger overblijft en
den aftocht steken. Ik sta hier zeer eenzaam: mijn vader, mijn kind,
mijn man, Oomken en Francine .... 't is al weg, 't is al geweken
.. tot zelfs Simon, mijn eerste vriend, dien men heeft opgesloten
.... u alleen, mijn tweede en mijn beste, rest mij, gansch.
--Ik dank u, mevrouw. Maar God, die uw leed met zijne aandachtige
vingeren heeft gemaakt, heeft Hij u ook de hoop ontnomen, en... hoopt
ge niet meer?
--Den aftocht, ja. Ik hoop in God. Uw raad heb ik noodig om mij in
die hoop te sterken. Laat mij, met u, het overschot van mijn dierbaar
leger tellen.
--Mijn raad .... en dat overschot .... wees niet duister, ik begrijp
u niet goed.
--Een van die allen, pastoor Doening, éen is dood ... de anderen, wat
blijft er van de anderen? Wat van mijn vader, wat van mijn man? Ik
durf 't alleen niet nagaan, want als ik ineens weer vóor een lijk
sta .... dan weet ik niet ....
Ze hief radeloos hare schouders op; een zenuwtrek rimpelde in de
hoeken van hare oogen en trok de tippen van hare lippen omlaag. Ze
zwegen nu beiden een langen tijd, en weer kwam de groote stilte van
het leêge huis wegen tot onder de welving van den hoogen haard.
En weer schoof, als het stille spook van die oude stilte, de oude
Ko over het tapijt. Hij schoof er gelijk de schaduw van de doode
mevrouw Chanteraine, die, voort en verder, van al wat leefde na haar
en traagzaam hier werd uitgeroeid, de levende getuige was. Ko kwam
met de boodschap dat mijnheer Verlat mevrouw op zijn kamer ontbood.
Vere wisselde met pastoor Doening een vluggen blik, en terwijl pastoor
Doening in éen geut eindelijk zijn koude melkkopje uitdronk:
--Ik ben koortsig, Ko, zei ze goedig, ik wil straks even uitrijden
met pastoor Doening. Ik kan nu niet naar boven gaan.
--Zal ik aan mijnheer zeggen dat mevrouw niet naar boven gaat? vroeg
nog Ko, die verwonderd toekeek en meende dat hij verkeerd begrepen had.
--Ja, Ko .... en laat dan inspannen.
Hij boog, schoof heen, geluideloos. Pastoor Doening zette zijn kopje
met een korten klap op de tafel, zag vragend op, en zijn hoofd, al
zich oplichtend, had die gewone teergevoelige uitdrukking, welke het
dikwijls had en welke de verwarring der strijdige luchten verried,
waarbinnen het zich weifelend en omzichtig bewoog.
--Wij zullen, zei Vere, vandaag bij mijn vader gaan .... Als ge meent
dat ik slecht doe, moet ge mij telkens ten goede wijzen .... Deed
ik slecht?
Pastoor Doening stond recht. Zijn rug hoogde zich zachtekens tot tegen
zijn grijze haarlokken. Hij knikte lang, sprak fluisterend, knipte een
plooi in zijn rok, die op de gesp van zijne vierkante schoenen vouwde:
--Goed .... mevrouw, ge hebt goed gedaan.
Lieven Lazare was weer verhuisd. Hij woonde nu in de Koolstraat op
een soort vliering, juist boven de zaal van een kleinen, zoogenaamd
"artistieken" tingeltangel. Men had er een paar kamertjes in planken
opgetimmerd, belicht, zooals broeikasten, met twee ruiten dakklokken,
en een open trap leidde er heen.
Hij ontving zijne dochter en zijn vriend Doening met eene gulheid,
die niet strookte bij de bitterheid van zijne woorden.
--Ja, zei hij seffens, terwijl Vere haar bestoven mantel schikte en
te blozen stond in de ellende van deze houten zolderkoten, nu woon
ik hier. Ik schaam mij niet dat ik u niets beters kan aanbieden, en
ik verwonder mij niet te veel over uw bezoek--het eerste, mevrouw,
waarmede gij mij hebt willen vereeren--want misschien heeft God u in
het aanschijn willen brengen van een, dien Hij, gelijk Job, met de
uitverkoren schatten der armoede heeft geladen. Mijne schaamte zoude
eene beleediging zijn voor God en, ofschoon uwe komst vergezeld gaat
met de donkere gloeden van een onnoembaar verleden, ik verheug mij
in de gedachte dat het op Gods wenk is dat gij Gods dienaar komt
aanschouwen.
Pastoor Doening wilde uitleggen dat mevrouw Verlat, op het oogenblik
genoeg beproefd om voor de smading van onbetamelijke toespelingen te
mogen verschoond blijven, zich eindelijk zelve tot een vader richtte,
die herhaalde pogingen tot toenadering van de hand gewezen had, en
dat zij, wegens hare smart en hare kinderlijke liefde, hoopte dat
zij slagen mocht.
Lieven Lazare bad dat ze zouden neerzitten. Hij ging het vuur aanpoken
en roerde den rooster van een grauw kacheltje dat, met een beroeste
buis, in het dakgat zat. Hij antwoordde niet op wat hem Doening gezegd
had. Men hoorde in het nevenkamertje een hamergeklop.
--Iemand timmert hiernaast, sprak hij. Ik ben nog niet in orde met
mijne nieuwe woonst. Ik zal hier, Goddank! langer kunnen blijven
dan in de vorige kabberdoezen, waar mij de Cerberus-ploertigheid van
heidensche huisbazen tot op het diepste vezeltje van mijn ruggegraat
klauwensgereed beloerde .... Het is hier mooi wonen. Als ik mijn
hoofd door het dakvenster steek, heb ik een heerlijk zicht op de
stad en ik heb dat noodig: het is mij het gevoel dat ik boven die
dakenkrioeling zit en dichter den hemel nabij. Hier zie ik het
"achterste" van de stad, een achterste met vuile pannen, viezelijk
mosgroen en bleek-lekkenden duivendrek, want waarlijk, Doening, de
steden der menschen keeren hun achterste naar God. Daaraan herkent
ge hun heiligschennis en hun lafheid: zij duchten Gods waarheid
en zijn toorn. Alleen de kerken lijken mij, met hunne sierlijke
torens en de verborgen schamelheid van onzichtbare schouwen en goten,
gewoon-eerbiediglijk op te gaan in den Hemel. Nu schijnt het, ik geef
het toe, dat zij zeer "onpraktisch" ingericht zijn en gebouwd in dat
verre middeleeuwsche tijdvak, waar men God huldigde om zijn Woord en
voor dat Woord het zwaard ontblootte. Thans .... thans ja, begraaft
men een Zola onder den koepel van den Pantheon, in afwachting dat
men in groote staatsie en begeleid door drie honderd goudgemijterde
en duurbetaalde bisschoppen het krengrot van een Sarcey in het koor
van Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Reims overbrengt.
Zijn machtige kop bolde op zijn breed-hoog lichaam tot in de blauwe
klaarte die, ongeteemst, vlak van de bloote vensterklok neerviel. Hij
grinnikte zachtjes.
Vere, die tegen den houten muur zat en met haar elleboog op een
klein tafeltje leunde, keek hem aan, den eeuwig-verbitterde, die
in God berustte om des te zelfstandiger tegen de menschen op te
rukken. Zij was te fier om medelijden te hebben met hem en hij was
te schoon-in-trots om hare deernis te verdienen. In dien opzichte
had de dochter wel iets van de stugge ontoegeeflijkheid van haar
vader bewaard; maar zij leefde niet, zooals hij, in eene ivoren
verbeelding. Zij was "geheel" in haar denken en in haar voelen,
maar de werkelijkheid van hare vermogens liet niet toe dat zij, in
het lawaai van een fantastisch protest, een troost vond voor hare
teleurstellingen. Zij was thans even vernederd als haar vader, maar
zij hoefde niet hare vernedering te overdrijven om ze, in gelijke
verhouding, te brengen tot de hevigheid van een bovenzinnelijk en
literair verwijt.
Zij voelde de opgehitste spijtigheid van Lieven Lazare en taakte
de verregaande buitensporigheid van zijne woorden. Zij had hem lief
alzoo, gelijk men een kind liefheeft met al zijne gebreken. Zou hij
ooit zijn hoogmoed neerleggen, zou hij ooit de gastvrijheid deelen
van eene dochter, die haar rijkdom zooals hij zeide, "in de zonde"
had opgeraapt en thans ermede hare plichtige ongehoorzaamheid wilde
betalen? Zij had hem zoo gaarne bij haar gehad! .... Alle pogingen
braken, gelijk een zeebaar, tegen de harde klip van zijn opgewonden
trots:
--Ik ben, placht hij stille te zeggen, als om zijne
verantwoordelijkheid buiten zaak te stellen, ik ben het gewillig
alaam van God.
Thans--hij was immers dezelfde gebleven--zou hij al niet meer dan
vroeger toegeven. Hij was telkens blij dat men aandrong; maar hij
beeldde zich in dat toegeven eene verloochening zou zijn van zijn stand
in de wereld en een vlek zou werpen op den roem van zijn letterkundtig
en katholiek fanatisme ....
Vere keek hem aan, bedwong de heete opwellingen van hare aandoening,
rook den kleinen geur dien zij, op haar zakdoekje en om de trilling
van hare lippen te verbergen, onder haar neus bracht.
Pastoor Doening liet druppel-beven in de lauwe lucht zijn
zacht-knikkend en zilver-ringelend hoofd, gelijk een voorzichtige
wolk omtwijnd met gevoelige draden van licht, en hij zei:
--Luister nu eens, mijn goede Lieven .... werp om, tusschen u en mij,
die gewapende wallen van eene zinnebeeldige fierheid, waarbinnen gij
u als een steeds-belegerde en steeds-aanvallende Quixote opsluit
en waartegen de geluiden van mijne woorden breken. Laat ons eens
hartelijk praten, malkander aanzien, als even goede kristenen
en even zwakke menschen. Het helpt niet ten goede, als wij met
vooringenomenheid luisteren en al het antwoord klaar hebben, eer de
vraag is uitgesproken. Wat wij komen doen, is niets anders dan .... och
ja, Lieven, met u eens samen zijn, zonder door u en onder het schild
van algemeenheden gehekeld te worden. Gij komt soms bij me .... nu,
ik kom bij u, met uwe dochter.