Ernest, die geheel onder den invloed van Sörge, lang vóor Sörge's

huwelijk, geraakt was, kwam nu onder den invloed van zijne zuster. Hij

beneed Sörge in wat deze van Francine had kunnen maken, en die nijd,

welken hij nergens kon uitdrukken, verkeerde natuurlijkerwijs in

een somber-woelende, aleens scherp uitschietende minachting voor

zijne eigen vrouw. Hij wilde Vere verwijten dat zij voor hem niet

zijn kon wat Francine voor Rupert was, maar hij voelde te klaar de

wreedheid van zijn eischen om het haar met een moedig woord naar

het hart te slingeren. Hij beproefde, in den beginne, om haar het

licht, de elegantie en de uiterste gevoeligheid van Sörge's huwelijk

te doen inzien. Hij beproefde het zonder krenkende zinspelingen en

deed zijn best om, daartoe, de behendige schranderheid te gebruiken,

welke hij bij Sörge zoo dikwijls bewonderd had en waarvan hij, al

wist hij het klaar, het zekere slachtoffer was geworden. De leugens

die hij aanwendde, waren slecht geleid, hadden, in het geploeter van

zijn nijdige inzichten, geen streelende omgeving en geen passenden

achtergrond. Zij leken niet eens op de leugens van Sörge, die zoo

kunstig waren dat men er het bedrog bij vergat. Men treft zulke

menschen die, zou men zeggen, dagelijks met een paar dauwperels op

een rozeblad, de hersens van een leeuwerik en het sap van een halve

perzik leven kunnen. Zoo was Sörge. Hij kon aan alles wat hij nutte,

het kunstmatig uitzicht van een fijn-proevende nietigheid geven,

en men zou dischgenooten gevonden hebben die beweren konnen dat hij

nooit een aardappel of eene duif op zijn schotel gebruikt had. De

manier waarop hij at, betooverde het voorkomen van zijne spijzen.

Ernest at om te eten. Hij loog om te zijn. Hij meende dat hij zijn

bestaan in de maatschappij met leugens moest ophouden, en dit,

inderdaad, was nagenoeg de waarheid. Zijne leugens hadden geen ander

nut, dan dat zij hem een modus-vivendi in de samenleving gunden. Rupert

daarentegen loog om van een daad te genieten, welke geheel van hem

was en zich buiten de gefopte gemeenschap bewoog. Hij misleidde eene

maatschappij, die hij aldus vernederen wilde, en hij vernederde ze

met het besef van zijne overmacht. Hij proefde keurig de ingewikkelde

lusten van zijne leugens, die hem den gekoesterden nasmaak lieten

van eene meesterlijke minachting voor al wat leefde buiten hem.

Ernest verschalkte niet uit delikaat geneugte. Zijn logen was eene

strijdige zwakheid, zooals dorst en honger onoverkomelijke zwakheden

zijn. Hij leefde niet buiten die logen, ongeveer naar dezelfde

wijze waarop Vere niet buiten de waarheid leven kon. Hij dierf het

haar niet verwijten, maar hij werd er des te boozer om. Hij wilde

haar van hare waarheid afleiden. Hij dacht dat, vermits ze, in die

waarheid, de vrouw niet zijn kon die hij begeerde, ze misschien in een

geveinsd voorkomen deugen zou. Hij trachtte de ontwikkeling van zijn

verlangen geleidelijk naar dat doel te bevorderen. Hij trachtte in

Vere de vrouwelijke behaagzucht te wekken om zich dan met de listen

te vermaken waartoe zij aanleiding zou geven. Hij liet doorschijnen

dat Vere zich te zorgeloos aankleedde en dat het huis er te zwaar

burgerlijk uitzag. Hij wierp verdraaide woorden in de gesprekken,

die hij gedwongen was met pastoor Doening te houden.

--Vindt gij ook niet, pastoor, vroeg hij geniepig, dat wij hier een

eremijtleven lijden? Ons huis is gelijk een woestijn. We zouden iets

moeten doen, dunkt u niet? iets aanwenden, iets breeder en naar eene

andere richting.....

--Iets, ja, dat niet kunstmatig is, zei pastoor Doening stil en

medelijdend.

--Juist .... juist .... Ik wil mijn best doen. We lachen hier niet

dikwijls, dat weet ge ook. Als er dan maar wat lawaai was!

Hij voelde zelf dat zijne schranderheid naar wanhoop overhelde. Het

kalme hoofd van Doening, dat in de luchten vol met de webben van

vijandelijke inzichten gevoelig en voorzichtig opstak, keek hem aan,

en hij had dan werk genoeg om, tegenover hem, zijn houding saam

te stellen. De aandacht van pastoor Doening was hem telkens eene

beleediging, gelijk alleszins een wroeging, die men veruiterlijken

komt, eene beleediging is.

Ernest werd eindelijk moe door de vruchteloosheid van zijne

pogingen. Vere begreep niet wat hij wilde, en gedurig ergerde hij

zich aan wat hij haar "grovelijk instinkt" noemde. Het was wel aan

dat instinkt te wijten dat zij hem niet begreep; toch, ofschoon zij

nooit begrijpen zou dat hij van zijne vrouw eene soort van bijzit

wilde maken, begreep zij dat zij anders moest zijn, wilde zij zijne

vrouw blijven. Zij legde er zich geduldig op toe om ánders te worden.

Ze probeerde "beter" te zijn. Zij werd er meer burgerlijk door. Hare

goedheid, die waarlijk eindeloos was, had geen grenzen meer. Die

goedheid werd vervelend, en Ernest beschouwde haar als de folterende

razernij van iemand die, met eene voorbeeldige deugdelijkheid, wilde

doen uitschijnen dat hijzelf niet deugde. Hij beweerde dat Vere

onbescheiden was.

Op een avond besloot hij zonder omwegen op zijn doel af te gaan. Hij

nam Vere mede naar een Duitsch concert dat, ter gelegenheid van

het bezoek van een uitlandschen prins, in den Muntschouwburg werd

gegeven. Hij gedroeg zich zeer lief met haar, en sedert lang was hij

niet meer zoo innemend en zoo oplettend geweest. Het trof Vere; en

zij dankte God dat Hij hem, al was 't dan maar tijdelijk, tot beter

inkeer had gebracht. Hij was vol zorgen om haar. Hij was wezenlijk

de oude goede jongen van vroeger en er kwam een oogenblik dat hij 't

zelf voelde. Hij bracht haar bloemen in het rijtuig en ze vertrokken

gelijk verliefden.

De schouwburg had het uitzicht der groote gala-avonden. De overdadige

belichting glansde op een overvloed van rijke toiletten en een

rumoer steeg uit de logiën, welke op zeldzame serre-perken geleken,

waarvan de zacht-verkleurende vrouwengezichten, de donzige schouders,

de naakte armen op satijn, zijde, blonde en brokaat, de met diamant

bedauwde bloemen zouden zijn.

In een logie, op den eersten rang, zaten Sörge en Francine. Ernest

richtte langs daar zijn zilveren dubbelkijker.

--Wat een pracht, fluisterde hij; waar haalt Fran toch die vorstelijke

manieren?

Van al die witte bloemen in rood-fluweelen perken was Fran zeker, zoo

niet de schoonste, dan toch de bedwelmendste en de fijnst-bedeelde. Zij

was niet in dezelfde luchten opgeleid en zij had, gelijk alle

uitheemsche vrouwelijke harmonieën, midden de frissche klatering van

tulpen en rozen, de vreemde bekoorlijkheid van eene orchidee.

Vere glimlachte stil en bedwong den zucht, die in haar boezem zwol.

--Hoe gelukkig is Rupert, vervolgde Ernest in verrukking, dat hij

eene vrouw trof die met eene zoo teere en zoo rake gewilligheid zijn

minste begeerten raadt! .... Zie, Vere-lief, ik ken Rupert genoeg om

te weten dat Fran op alle oogenblikken, tot het kleinste kleurtje

van haar linten en tot de haast-onzichtbare mouche die beneden het

tipje van haar mond vlekt, geheel en eeniglijk zijn volle verlangen

is. Daartoe is zeker veel gevoel, veel verscheidenheid en een scherp

aanlegsvermogen noodig!

Hij hield niet op met zijn lof. Hij beschreef éen voor éen, met

een fluisterstem waaraan de luidruchtige onverschilligheid van een

schouwburgvergadering een bijzonder gewicht leende, al de lusten

van een huwelijk, dat het zijne niet was. Hij krenkte, langzaam en

gestadig, Vere met de voorzorgen die hij nam om, onder de geneugten

van zulke ideale betrekking, geen eene van al die te noemen, welke

hem Vere gegeven had. Zooals hij 't haar met prikjes in het harte

stiet, was, voor hem, het beste huwelijk een, dat de ontkenning van

het zijne scheen.

Ze leed genoeg om hem geen antwoord te kunnen geven. De muziek lawaaide

rond haar en toeterde gelijk een muggenzwerm in hare ooren. Van de

heerlijke zevende symfonie, waaromtrent zij dikwijls zei dat zij, in

al die hoogte en wijdte, de vormen van een menschelijken Beethoven

niet meer terugvond, hoorde ze niets. Een nevel van weemoed was om

haar opgetrokken, en daarachter vreesde zij dat niets opklaren kon

dan de vuren der wanhoop. Zij beneed het huwelijk niet, dat Ernest

van jaloerschheid deed huiveren en zoo ver van het hare verwijderd

was. Ernest benauwde haar--Ernest, die haar niet meer eerbiedigde en

die haar, als eene hoer, wilde overgeven aan de zinnelijke leugens van

een bedorven leven, Ernest, die eindelijk, in hare oogen, al zijne

zoekende geilheid, zijne verborgen ontucht, zijne valsche verwende

driften geopenbaard had. Zij kon 't niet anders opvatten dan zoo,

en, eer het haar walgde, maakte het haar bang.

In de vestibule, binst de pooze, kwamen Sörge en zijne vrouw haar

groeten. Vere zou gaan weenen hebben, als zij het kleine handje van

Francine lichtelijk op de hare zag liggen.

--Lieve Vere, babbelde mevrouw Sörge, terwijl ze vol ongedurigheid een

riemken van haar waaier brak, hoe kunnen wij 't hier uithouden? Ik

snak ernaar om uit die akelige orgelkast te zijn. Rupert beweert

dat hij er niet uit mag, zoolang de prins erbinnen blijft. Mooi

vooruitzicht!.... Hebt ge gezien dat die prins een oorring draagt? 't

Heeft voortdurend mijne aandacht van streek gebracht! .... Overmorgen

kom ik u eens wat opknappen, hoor, ge ziet er alweer zoo neerslachtig

uit, en ik heb in mijn lijf een vreugd, om uw heel huis onderstboven

te zetten! ....

--Ja, doe dat, doe dat, lachte Vere.

--Ik zal Geizan meebrengen, als ze maar wil ....

--Wie is dat, Geizan, Francine?

--Onze poes.

Ze vingerde onachtzaam over de vonkende kantjes van den paarsen

amethist, die tenden een rij briljanten aan haren rozigen halsband

hing.

Sörge was dien avond, zooals bij alle ontmoetingen, uitermate

beleefd. Hij sprak Vere aan, drukte in hare oogen zijn vredigen blik,

bewaarde op zijne driftlooze lippen het onmerkbaar glimlachje, dat

het beweeglijk slot was van zijne stille geheimzinnigheid. Hij liet

over zijne effene woorden--alsof 't geen inzicht was en zonder erg

gebeurde--de intonatie drukken van iets dat hij nochtans niet zeide

en duidelijk beteekenen liet:

--Gij zoekt redenen om mij te haten. Haat mij, maar ik zal u nooit

een reden geven. Wat scheelt het mij!

Hij groette, bij het afscheid, en boog fraai over Vere's hand. Men

merkte gauw de fijnheid van zijne laarzen en de onberispelijke

snedigheid van zijn soirée-rok.

Na het concert en toen ze naast Ernest in het rijtuig zat:

--Ernest, sprak langzaam Vere, zeg me eens oprecht wat ge dezen avond

met mij hebt willen doen. Ik hoop altijd dat ik u klaar begrijpen mag;

maar nu toch, Ernest, hoop ik dat ik u niet heb begrepen. Gij hebt

mijzelf zoo dicht bij deze verklaring gebracht, dat ik ze niet meer

ontwijken kan.

De zware ernst van hare woorden trof Ernest meer dan de trage

lijdzaamheid, waarmede zij die uitsprak. Hij had niet gedacht dat hij

op zulke manier een gesprek zou uitlokken, en hij had nu alle moeite

om niet verlegen te worden. Hij boog zich achterover en leunde in een

hoek van de koets, zoodat hij over zijne oogen, buiten de straling

van het lantaarnlicht, de donkere schaduw voelde.

--Ik heb, zei hij aarzelend, geen inzicht, dat ik niet al ganschelijk

heb uitgedrukt. Stel duidelijker vragen, Vere, want, waarlijk, ik

versta u niet goed.

--Ge hebt u in mij gekrenkt. Hebt ge dat op geen enkel oogenblik

gevoeld?

--Zeker niet. Als ik dat deed, was het geheel buiten mijn weten en

vooral buiten mijne bedoeling.

Hij wachtte. Nu, dat men hem de ophelderingen vroeg, waartoe hij zoo

dikwijls de aanleidende gelegenheid had gezocht, dierf hij ze niet

dan gedwongen geven.

--Dat is wenschelijk, hernam Vere. Gij hebt echter zeer klaar en wreed

genoeg laten onderstellen dat ons huwelijk eene dwaling was. Ik ben

Francine niet en gij zijt Rupert niet. Ik heb er geen schuld aan,

als ons huwelijk teenemaal niet op het huwelijk van Fran en Rupert

lijkt. Het kan er niet op lijken en moest het er ooit gaan op lijken,

dan zal het zijn dat ik mijn geweten verloren heb.

Ernest zette zich overeind. Hij was bezig met zich op te winden. Hij

zocht langs booze wegen de gunstige middelen om verontwaardigd te

zijn. Zoo doet de misdadiger als hij verraden is en, zijn misdaad

vergetende, uitvalt tegen het verraad.

--Spreek helder, zei hij heesch.

--Ik sticht geen misverstand, Ernest. Ik wil helder spreken. Het

beste voor ons is dat alles weer helder wordt. Maar ik bid u,

verduister niets met onredelijke gramschap. Ik zeg dat gij alleen

dán, wanneer ik geen geweten meer heb, zult doen met mij wat Rupert

doet met Francine. Francine zelf weet niet voor welke ziekelijke

en duivelsche praktijken zij het werktuig is geworden. Maar zij zál

het weten, Ernest. De hemel geve dat zij het wete, eer in haar alle

frischheid is gesmoord!

--Wat gij daar zegt, siste Ernest tusschen zijn opeengeperste lippen,

is van een ....

--Zeg het niet. Scheld niet. Ik vergeef u.

Er viel eene stilte. De wielen ronkten op in hunne guttabanden

en piepten soms op hunne as. Men hoorde den achtslag van de

paardenhoeven. Vere keerde zich geheel naar Ernest om, legde haar

handen op zijnen arm. De klaarte die, ongelijk, van de straat binnen de

portière stortte, viel in warrelende strepen op haar aangezicht. Eene

roerende glinstering biggelde op hare wimpers. Ze sprak weemoedig,

weifelend, bijna zonder hoorbare woorden maar met eene innigheid,

die gansch den gloed verried, waarachter haar wanhoop vlamde:

--Ik smeek u, Ernest, wees aandachtig. Denk dat ik u waardig

ben. Verneder mij niet. Als ge mij geen andere liefde kunt geven dan

de kunstmatige en bedorven uitbuiting, de zedelooze en huichelachtige

zinnelijkheid, die gij nu de ideale liefde noemt, gun mij ten minste

uwen eerbied, want zulke liefde neem ik niet aan.

Ernest vatte haar bij de mouw en zijne vuist beefde.

--Wat .... wat denkt gij dat mijne zuster is?

--Het spijt mij dat ge onredelijk wordt .... Ik heb Francine zeer lief.

--Ik vraag .... Wat is zij?

--Zij is een meisje zonder ervaring .... een lichte geest en een

hart van goud .... zij is wat ik wil blijven ook en wat ik God bid

dat zij blijven mag .... waarom denkt gij dat ik Francine aanval,

en voelt gij niet dat gij voor u zelf moet antwoorden?

--Ik zal u antwoorden ... voor haar, en voor mij.

Het rijtuig stond stil. Het wachtte bij de trap en werd seffens

doorgezonden. De koude najaarswind zat hen op den rug en ze gingen

vóor het vuur in de eetzaal zitten.

--Vere, zei hij na een tijdje, wat zoudt ge doen als ik u niet meer

liefhad?

--Ik zou daar in berusten, dat ik niets gedaan heb om uwe liefde te

breken ....

--Neen .... zoo niet .... Ik wil zeggen: hebt ge wel iets gedaan

om die liefde te behouden? Ik heb u toch en eeniglijk genomen omdat

ik u liefhad, en gij hebt me om geen andere reden aanvaard. Het is,

ziet ge wel, om dat wat nu gebeurt, zoo gek, zoo onzinnig is! Ik vraag

uwe liefde, maar ik vraag ze onvoorwaardelijk. Gij, reeds van in den

beginne, gaaft ze mij--onder voorbehoud. Wat wil ik? Uw geluk en te

gelijk het mijne. Begrijp toch eindelijk, dat het eene niet zonder het

andere gaat, en dat mijn ikzucht voor uw welzijn bedrijvig is! Dat we,

zonder daartoe door iemand gedreven te zijn, saam zijn gekomen, is wel

het beste bewijs, dat er ergens voor ons beiden een gemeenschappelijk

gebied is .... en wij zijn, allebei, er af getreden! Laten wij het,

in eendrachtig overleg, weer opzoeken.

--Ja .... mijmerde Vere angstig.

--Ja. We kennen malkander. We moeten vooraf goed aannemen, dat we

ons wel tot iets willen "ontwikkelen," maar dat we niets "afnemen"

van wat we zijn. Het is goed dat we bepalen: Zóo ben ik, en zoo zijt

gij .... Dat zijn de onveranderlijke gegevens van het problema. Wat

we willen vinden, is: de liefde van dat ik met de liefde van dat gij

in eenklank brengen. Met andere woorden: we moeten ons met onszelven

vereenzelvigen, de eene van ons met den andere, en ommegekeerd

.... Ge verweet mij daar iets, dat ge kunstmatig noemdet. Nu,

en waarom niet? Waarom niet kunstmatig? Waar begint voor u het

kunstmatige? Ik redeneer toch! Als we nu door onbewuste oorzaken van

malkander verwijderd zijn geraakt, waarom zouden wij niet met bewuste

middelen eene toenadering beramen?

--Ik wist niet, hijgde Vere ontzet, dat we .... verwijderd waren van

.... malkander....

--Neem dat nu weer niet verkeerd op, in Gods naam! Het is,

bij wijze van spreken, dat ik het zóo zeg. Goed. Nu toon ik u

Rupert en Francine. Francine is geheel in Rupert opgegaan. Zij is

veranderd. Er is gebeurd wat ik even vertelde, Vere: Zij heeft zich

ontwikkeld in haar man, in de liefde van haar man. Het is u vreemd,

want nu herkent gij Francine niet meer. Maar hebt ge Rupert vroeger

wel gekend? Misschien zoudt gij hem nu ook niet meer herkennen,

misschien zou het u blijken dat hij zich in de liefde van Francine

ontwikkeld heeft!

Vere brak dat onecht gepeuter. Wat haar het dichtst aan het hart lag,

zag zij in snipperingen uitknippen, bloot leggen, met cijfers teekenen

en in algebrische formulen schikken. En toch kon ze, op zulke wijs

dat het door Ernest begrepen werd, niet uitleggen waar, voor haar,

het kunstmatige begon. 't Was of men eerst haar hart wilde uitdrogen

om dan, zonder bloedvergieten, te gaan zien wat er binnen-in zat.

Ernest nam hare bange aandacht voor eene beginnende goedkeuring aan.

--Ik heb, redeneerde hij al wuivend met zijne handen over de stille

vlammen van den open haard, ik heb u dat voorbeeld van Rupert en

Francine getoond. Wilt gij de oplossing van het problema naar ons

gezamenlijk geluk leiden? Doe dan met mij wat Rupert met Francine

gedaan heeft. Leer mij opgaan in u, daar waar gij dan eenderlijk in

mij opgaan kunt. Ik heb u lief genoeg om u te kunnen volgen.

Hij ging een glans na, die op het gevernist tipje van zijn schoen

blikkerde. Hij knipte met zijn nagel een stofje weg, dat onder het

schuinsche licht schoon zichtbaar werd op zijn knie.

--Maar, vervolgde hij, zijne wenkbrauwen optrekkend, maar weet gij

dat gij den weg niet kent, dat gij in u de geestelijke kracht niet

hebt om uwe liefde te bemeesteren en zeer kalm de mijne te overzien,

dat gij u radeloos met dien dubbelen last naar zwakken willekeur

zult richten, dàn: laat mij probeeren. Gij hebt, mijne beste Vere,

straks uwe woorden niet gemeten, toen gij spraakt van zinnelijke

uitbuiting en huichelende zedeloosheid. Ik wil, laat het mij herhalen,

niets afnemen van wat wij zijn, en ik hoop dat wij beiden gezond en

deugdzaam zijn. Maar, nog eens, waar zal het zedelooze beginnen? ....

Vere stond recht. Ze wierp zijwaarts den sleep van haar muis-grijze

soiree-kleed open, keek lang Ernest aan.

--Gij, sprak ze laag, gij hebt mij niet meer lief, mijn vriend.

--God!! ....

Hij was in een vloek opgesprongen. 't Was wel alles te vergeefs,

zijn mooi zeggen, zijn draaien en wenden en voorzichtig zijn! Niets

te doen met haar, niets te doen tegen dien kop van steen, waarover

zij de vervelende droefheid van een week hart spreidde! Hij zou 't

anders aanleggen, en weer anders, en met een goddelijk geduld een

beetje gewilligheid afwachten--neen! om den duivel niet! 't Kon niet,

ze wilde niet! Ze wilde eenvoudig niet! Hij kromde zich en ging het

onder hare kin schreeuwen, en zijne vuisten balde hij zenuwachtig

achter zijn rug. 't Werd weer een scène. 't Moest, 't moest altijd

een scène worden met haar. Ze sloeg met hare tranerige lijdzaamheid

u het bloed naar het hoofd; maar voel, voel toch, onder dien kop,

die weent, de domme hardheid van een arduinrots waar geen bron kan

borrelen! Ze zweepte u daarmee de gramschap in de oogen, tot ge er

rood zoudt van zien! Gek, die hij was! Hopen dat ze hem toegeven

zou--het redelijke, niets meer dan het redelijke .... hopen dat ze

hare mistroostige, eentonige weemoedigheid afleggen zou, waarmede

ze hem telkens tartte en zich boven hem verhief .... hopen dat ze

naast hem zou meewillen--hij vroeg 't immers niet om zichzelf!--maar

meewillen, niet langer oppermeesteren met een verdriet, waarvan zij

hem natuurlijk, al zwijgend, voor de oorzaak deed doorgaan .... hopen

dat ze zou opgaan in de toekomst, heerlijk op de stem en de wenken

van haar man .... Dwaasheid! Al ijdele dwaasheid! Daar stond ze, daar

smeet ze zijne zorgvuldige stelling met een slag van haar hoogmoedig

leed omver, daar lengde ze zich uit in de ongenaakbaarheid van haren

trots en haar verwaanden rouw!

--Dat ik u niet meer liefheb, schreeuwde hij, 't is waar misschien! Gij

spoelt mij het hart in uwe tranen weg! Gij pauwstaart met uwe

eerbiedwaardigheid.... of denkt ge soms dat ge te goed zijt voor wat

ik van u maken wil? Wat spijt!

Hij spotte hatelijk, zong razend op alle tonen van zijn wild-jagende

stem zijn teleurstelling en zijne woede, klopte met zijne hielen

tegen den vloer.

Vere roerde niet. Ze was zeer bleek geworden. Haar groot lichaam

schaduwde op tegen de eenige klaarte van een vijfarmigen kandelaar,

die Ko op een Boule-meubeltje geplaats had. Ze keek hem aan vol

treurigheid en, naderhand, vol medelijden. Haar blik, hare zwijgende

deernis hitsten hem op. Hij begon eindelijk te schelden.

Zijne gemeenheid deed haar wijken zonder haar te raken. Hoog-hoofdig

wendde zij zich om en ging langzaam naar de deur. Haar breede rug,

dien hij nu zag wegschuiven vóor hem, scheen hem de beleediging te

zijn van eene onverschillige verachting. Hij sprong toe.

--Hier, riep hij, gij zult luisteren, kanalje!

Hij vatte haar bij den arm en rukte haar naar voren. Ze struikelde

in haar kleed. De zijde slag-ruischte. Nog rukte hij. Ze viel op hare

knieën. Ze zei niets. Ze had niet gegild.

--Gij, gij, grinnikte Ernest, gij, met uwe manieren, kunt van mij

een moordenaar maken. Sta op! Blijf daar niet zoo, alsof ge een lam

waart, het slachtoffer van een lafaard .... Ha, ik voel u wel! Ge

zijt geslepen! .... Sta op, zeg ik u! Sta dan òp!

Hij grabbelde naar haar elleboog, wilde haar in een woesten greep

oplichten. Ze boog haar hoofd, huiverde, wachtte. Hij vuistte onder

hare oksels, kneukelde zenuwachtig hare mouwen vast, voelde dat ze

zwaar lag, niet mee opging, en stiet haar dan ver-uit, weg van zich

af. De satijn had gekraakt, scheurde. Vere beukte op het tapijt.

--Hartevreetster! grijnsde hij tusschen zijne tanden. Hij zonk

zelf neer op een stoel, afgemat, en keek haar aan. Langzaam kroop

ze weer overeind, zuchtte, hief haar wit aangezicht op naar hem,

draaide hare ronde oogen traag om, vol afgrijzen. Ze verliet hem,

moeilijk stappend in hare rokken, waarvan ze onhandig den sleep had

opgeschorst. Ze raapte een écaille-kam op die uit heur haartooisel

was gevallen, en den briljanten-diadeem die ernevens lag, bleef even

staan, als om te rusten, op den drempel, en ging de vestibule door,

de trap op, naar boven.

Ernest zat, trillend nog van gramschap, stijf recht-op tegen den pijler

van den schoorsteen. Hij zakte nadien ineen, naarmate hij bedaarde,

plooide voorover thoope, en, leunend met beide ellebogen op zijne

knieën, liet zijn kin rusten in de lauwe palm van zijne handen. Zoo

bleef hij een heelen tijd, nadenkend, wijd-uit mijmerend over alles

wat zijn leven was en zou zijn, dubbend en triestig wordend.

Hij schudde eindelijk zijne schouders, wreef zijne vingeren koortsig

overeen, stond recht als iemand die 't na rijp overleg opgeeft. Nu

naar boven gaan, haar opzoeken, week worden in de zoelte van haar

lichaam, gelijk 't iedermaal gebeurde, weer, op slot van rekening, de

zwakkeling zijn .... hij wilde niet, neen, deesmaal hard, sterk--hij

voelde zich sterk.

Hij trok zijn mantel aan, nam zijn klaphoed, zijn rotting, vertrok.

Op straat, in de late Oktobermisten, die de hooge olmen van de

Regentielaan met grijzen bloesem omhingen, stond hij een oogenblik

aarzelend na te peinzen. De lantaarnlichten deden hunne gele klaarten

uitdoezelen op de melkdampen van den nachtnevel. Een doove stilte

dikte van alle zijden aan.

Ernest liep tot op de Schaarbeeksche plaats en sprong in een huurkoets,

die hem langs de middellanen bracht in de Bisschopstraat.

Het leven van de Curiosity-Shop was, toen hij er vóor Dumdie, den

groenen neger, binnentrad, in zijn vollen gang. Al de tafels waren

bezet en boven elke tafel steeg het dubbel rumoer van brommende

mannenstemmen en het uitklinkend, spelend vrouwengezeur. Een paar

heeren keken om naar Ernest, die korrekt groette.

--Hee! Verlat!

Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven · 第 21 / 35 段