inzicht dan het lichte toeristeninzicht dat men op het gelaat van
al die Oberlandwandelaars leest. Het is opvallend hoe de reizigers
in Zwitserland de oppervlakkigheid van hun levensvoeling gemeen
hebben. Men kan van die menschen niet zeggen dat ze iets hebben
verlaten, een vaderland of een huisgezin. Daar is niets achter hen,
daar ligt niets onder hun uitzicht. Wat hier de werkelijkheid is,
schijnt hun gemeenschappelijk ideaal te wezen, en zoo toonen zij,
in hun gezamenlijk voorkomen, de oppervlakkigheid van iemand,
die niet lijdend is, niet teleurgesteld is, niet verlangend is,
van iemand, kortom, die, zonder een verleden als een kerkhof en
zonder een toekomst als een paradijs, burgerlijk-gezapig zijn ideaal
beleeft. Dit was niet met Rupert en Francine het geval, maar het leek
wel alsof het ook met hen het geval was. Zoo overweldigend, inderdaad,
zoo algemeen-opslorpend is die oppervlakkigheid dat zij haar loom
kenteeken op het voorhoofd van een paar uitzonderlijke strijders merkt,
welke in het aanschijn van het mooi en vreemd-aandoenlijk bergland
hun strijd vermogen door te strijden. Het geluk van Francine kon
niet vergeleken worden bij de akademische wonne, die het almachtig
gemeengoed geworden was van de dikke kortgeneusde en bolgewangde
Duitschers, de Montmartersche kampioenen van den alpenstok, de
Schotsche staalbraaien en de Engelsche missen, die platborstige
amazonen van het preutsche Albion. In Francine echter was het besef
van wat blijft, van wat opsteekt in het verleden, gelijk kruisen op
een doodenakker, haast ganschelijk verloren, en hierdoor kon zij,
net als de genietende toeristen en in eene bewondering-van-éen-stuk,
van op den Abendberg, vóor den Eiger, den Mönch en de Jungfrau staan.
Het was hare en Sörge's geliefkoosde wandeling. Zij stegen langs
verschillende wegen op den Abendberg en gingen zich ergens neerzetten,
zoo ver mogelijk, op afstand van een schilderachtig hutje, dat
nochtans niet door Baedeker is opgegeven en niettemin den toeloop
der meeste wandelaars aantrekt, misschien omdat daar een bruine
St. Bernardshond met zijn goeden zwaren kop schuddebollend om en
rond luibeent. Zij liepen tamelijk ook. De wijde gonzende ruimte
gaapte overal en ze zagen de dalen, als door eene holte van licht,
tusschen hun pakjes dennegroen, hun wiegende weiden spreiden. De
ruimte suisde. Te midden zaten zij en ginder brokkelden, tegen het
diepe blauw van zonnehemels, de klippen van den groenen Eiger, den
paars-bleeken Mönch en de wit-rozige Jungfrau. De hooge ijsranden
diggelden in het harde licht, dat op die eeuwige schervels kaatste
en brak. Wolken voeren vooraan, hingen over de laagte, waar, gelijk
eene heerlijke turkoois, het meer stil spiegelde. Witte wolken, mauve
bezoomd, met een beweeglijke klaarte binnen hunne trage lenden van
dons, schoven op bogenhoogte door de lucht, borgen in hun misten de
kleurdingen van den overkant, den ontzaglijken horizon van roerlooze
reuzen. Lager, afzakkend noesch neerwaarts, schaduwden de donkergroene
sparrebosschen gelijk tapijten, die het warme leven, dat daar begon,
vóor het nederzinken zouden beschutten tegen den sneeuwkouden dood,
dewelke, ginder boven, in zijne almacht en zijne majesteit troonde.
Krassende kraaien waggelden in het groote licht. Het licht zong.
--O, mijn Rupert, kwam dan Francine huiverend aanvleien tegen Sörge's
borst, voelt gij die ruimte! .... Ze maakt mij bang, en ik wil altijd
maar voort zoo bang zijn ....
--Ze maakt u klein. We zijn heel klein--twee stippelingskens in deze
kracht van vormen, in dezen vloed van gonzende luchten en verven,
ongezien ....
--Ik zou willen hier blijven, altijd .... altijd ....
Hij kuste haar, vingerde zoetjes over hare handen, teekende met zijn
streelenden nagel de plaats van hare ringen en van elken steen op
elken ring.
--Niet altijd hier, fluisterde hij, altijd bij mij! Ge wilt toch
zeggen: altijd bij mij, liefje?
Hij zag, als hij zoo hare gevoelens omdraaide, telkens hare groene
oogen rond opengaan onder de schaduw van hare gouden haren, en
wijd-kijken in de vredige diepte van zijn eigen blik. Ze ging geheel
in verbazing open vóor hem, en hij wierp dan in die weerloos ontsloten
ziel de kristallizeerende dropjes van zijne eigenaardige leering.
Hij sprak zoetjes met een effen geluid van zijne stem, die iedermaal
zeer overtuigend was.
--Wat rond ons bestaat, zei hij, is alleen zóo behaaglijk omdat het
voorbijgaand is. Wij zijn blijvend, wij zijn "altijd." Het overige is
voorloopig. Wij moeten aan al die voorloopige dingen onze heerlijke
standvastigheid toetsen. Maar, Fran-mijne-zoete, vergeet het niet:
onze eeuwigheid houdt op, als wij zwak genoeg zijn om haar met de
buitenwereld te deelen.
--Ik zal u eeuwig liefhebben, meende ze naderhand, schuchter en
verlegen.
--Dat kunt ge, indien, voor u, al de rest tijdelijk wordt.
Eene wolk kwam aantiegen, blauwde dik op tegen de bergflanken en mistte
om hen. De lucht was warm-vochtig, eene klein-druppelende klampigheid
met eene onzichtbare zon daar te midden. Francine liet haar hoofd
neerzakken op Rupert's schouder. Haar onregelmatig adempje dampte
in de nevelen en zij voelde op haar voorhoofd de rustige nadering
van Sörge's mond. Ze sloot hare oogen, trok zich geheel terug in de
mooie fluweelen van een violetten nacht, ging er droomend de purperen
beelden na, die onder de vleiing van Sörge's licht-roerende lippen
opwiegden gelijk een sombere gloed.
Wanneer de natte wolk verstreken was, raakte hij, met zijn eenen
vinger, de tipjes van hare wimpers. Ze ontwaakte. Ze blikte rond. De
prachtige zomer laaide vlekkeloos op het verre kleurgedoe van de
blanke ijstoppen, de paarse lenden, de groene laagte en het stille
meer, dat in een kom van sierlijke pijnranken rustte gelijk, binnen
zijn kostbaar schrijn, een uitgelezen turkoois.
Langzaam gingen ze huiswaarts, al luisterend, onderwege, naar het
kleine geklingel dat over de weiden belde en de zoete luiheid verried
van een in lommer gedoken vee ....
Op een avond--kort vóor hun vertrek uit Interlaken--zaten ze in
een dubbelen rieten zetel onder een laag tuinpriëelken van het
hotel. Vóor hen, boven de rillende vlakte van een zilveren vijver,
sprong een ruischende fontein, als een tuil van lichtjes, open in
de zwoele lucht. Francine zweeg, vermoeid van een ritje, dat ze met
Rupert na den middag ondernomen had. Het was, binst die stonden van
stilte, dat hare hersens, opgejaagd door wat er Sörge overdag met
gezochte woorden had laten invallen, steeds in naarstige koorts te
werke gingen. Nu hijgden, in haar, de drift van de zoevende ruimte
en het verlangen om hoog in die bedwelmende gonzing op te gaan. Het
docht haar dat ze iets wilde vragen dat verboden was.
--Rupert! fluisterde ze in zijn hals.
Hij mijmerde, telde het lichte gedrop van de springfontein. Hij had
het ivoren aapje op haren schoot neergeleid en rondde het kopje in den
vouw van zijn duim. De tuin lag vredig; maar verder, over de terras,
rumoerde het ongezellig hotelleven.
--Rupert, vroeg ze, ik moet, eer we weggaan, hier nog iets doen. Het
spookt in me, Rupert, het maakt me angstig, het zal me, vóór ik het
voldaan heb, niet loslaten ....
Hij wendde, op haar gelaat, zijne oogen, die nog vol waren van de
moede mijmering. Hij glimlachte minzaam. Rustig, vreemd geklemtoond
in loom lippenspel:
--Wat? vroeg hij.
Hij zag zonder verbazing de gichtigheid van hare blikken.
--Laat mij, fleerde ze onder zijn mond, de Jungfrau bestijgen ....
Ze voelde in eene huivering, terwijl ze 't zei, de grootschheid van de
koude stilte ginder boven, de ontzaglijke duizeling van die besneeuwde
eeuwigheid. En de adem van hare wilde begeerte klopte daarin, gelijk
sporen op het harde ijs.
Sörge had in zijne volle hand plots het aapje vastgeklemd, en de
hevigheid van dien schielijken, woesten toets schokte door gansch
zijn lichaam. Eene ongewone siddering beefde in zijne stem.
--Ik begrijp u niet goed. Hoe komt ge daaraan?
Nooit wachtte hij zoo ongeduldig op haar antwoord. Nooit voelde hij zoo
scherp de vrees dat zij hem ontsnappen zou. Ze richtte zich op. Haar
elleboog raakte hem niet meer.
--Ho! bad ze hartstochtelijk, op de tipjes van mijn teenen, daar hóoge,
op het hoogste tipje van de klip! ... En het ijs om mij, puur, wit,
wit, wit! .... En dan, de koepel van den hemel! ....
Ze kruiste in ziekelijke begeestering hare armen over hare borst
en lengde hare tien vingeren, binnen de vouwen van haar shawl, op
haren blooten hals. Toen vertelde ze van haar rusteloos verlangen,
van den eenzamen Jungfrau-trots, van 't vernederende zoo altijd die
hoogte te zien en ze niet te benaderen, van de lauwte in de laagte
en de frischheid van gindschen uitersten dood. Zonder orde smeet ze
de flitsen van eene vlammende passie in het luie fulp van den avond
.... En Sörge luisterde, sprak niet, klemde het ivoren aapje in zijne
gebalde vuist.
Er viel eene stilte, een ongemak, een verlegen herkomen van de
peiselijke hotelgeruchten.
--Wilt ge niet? vroeg Francine.
Ze keek onthutst, werd, over den gloed van haren hartstocht, de
onverschilligheid van den tuin gewaar en de koelte van Rupert's
aandacht. Het krenkte haar en hare beschaamdheid wierp zich roekeloos
om. Ze boog langzaam en vezelde, voor het eerst en voor het laatst,
haar eigen meesterschap tegenover de meesterschap van haar man:
--Hebt ge schrik?
Ja. Hij had schrik. Hij wist dat ginder zijn stap onzeker zou zijn, dat
hij boven de afgronden wanken moest, dat hij in de diepte van een kolk
niet kon blikken en aan een koord, tusschen zijn leiders, gelijk een
vod in de leêgte zou hangen. Hij sprak niet. Zijn neusvleugels trilden.
Francine boog meer en meer voorover. Haar voorhoofd taakte zijne
kin, en zijne knevels bibberden in den geur van hare haarvlechten. Ze
vatte, in hare koortsige handen, de hand die om het ivoren beeldje was
dichtgevuist. Ze voelde dat ze klein werd onder zijne vervaarlijke
stilte, en een korte snik die hare schouders ophief, kreet de
radeloosheid uit, waarmede ze voor hare vermetelheid boette. Ze was
haar zelve niet genoeg meer om zich het leelijk woord te verwijten,
dat haar in een oogenblik en in een vlaag van onbewuste overmacht was
ontvallen. Maar ze was wanhopig geworden, gelijk een drenkeling die
onder zijne schartende nagels den uitersten barmstruik, met gras en
al, voelt loswortelen. Rupert sprak:
--Als ik schrik heb, Fran, dan zou 't voor u zijn. Indien ge mij
waarlijk liefhebt, kunt ge immers geen schrik hebben voor uw eigen!
--Neen, vezelde ze, ik meende: een schrik .... dat ge ginder hooger
misschien niet zoo groot mocht zijn, als hier beneden. Het is zoo
zot ook .... Ik wilde gaarne een edelweiss plukken.
Hij lachte ineens luid, te luid. Iets brak in den mooien avond. Het
aapje viel weer op Francine's schoot.
--Nu dan, zei hij kortaf midden de schokken van zijn lach en terwijl
hij hare leên omarmde, we zullen tot boven de Jungfrau gaan.
Ze juichte niet. Ze beweerde, na een tijdje, dat de tuin vochtig was
geworden, en, inderdaad, het docht haar dat het fonteindruppeling
zich fijn-spattend tot onder het lage priëel had uitgezet. Hij stak
eene sigaret aan en stond recht. Ze gingen, traag en zwijgend, naar
het hotelterras en de te felle belichting klaterde op hun aangezicht
en kittelde in hunne oogen.
's Anderen daags was Francine zeer droef. Ze kon, zei ze, Interlaken
niet meer verdragen en Rupert moest, wilde ze van haar reis een
plezierig beeld bewaren, dadelijk alles voor het vertrek inrichten. Van
een waaghalstocht op de Jungfrau was geen sprake meer, en ze verlieten
het Thunermeer vier en twintig uren later, in een trein-coupé, die
hen te Bern bracht. Onderweg, en juist als ze een laatsten blik op
den rozigen sneeuwtop wierpen, tikte Rupert op hare vingeren en,
een taschje openend:
--Ziehier, zei hij, die edelweiss die ge plukken woudt ....
Ze glimlachte, nam de broze bloem aan en de wit-fluweelen kroon
bladerde vijfvoudig op hare hand.
--Ik wilde ze .... plukken juist, stamelde ze blozend.
--Ja, hernam Rupert, maar laat deze u herinneren dat het u vrij stond
haar met mij op de klip te halen.
Ze dankte hem en blikte mijmerend door de ruit van den wagen die
glansde in de sterke zon.
Van Bern af namen ze hun reisticket voor Brussel, waar ze laat in
den avond aankwamen, en Francine werd, in dat onbekende huis van de
Louizalaan, naar hare kamer geleid. Ze sliep er zwaar en in éen trek
tot twaalf ure op den noene.
Mariëtte brengt de chocolade, verschuift de vaas met de mooie Japansche
leeljen en zet de kopjes op de schraag.
--Rupert, jubelt Francine, hoe heerlijk hebt ge deze toilette
geschikt! Ik ben waarlijk verlegen. Ge zijt te goed voor me!
Hij lacht. Hij schuift een stoel bij en zet zich.
--Heb ik dat voor u gedaan? Denkt ge dat ik het niet .... voor mij
deed? Wie houdt eraan zijn vrouwtje te zien aankleeden, terwijl ze
praat en leutert?
Het was een van zijn liefste plezieren. Sinds ze getrouwd waren,
had hij elken morgen, zoodra Mariëtte de haarstrengen had opgekamd
en gevlochten, het keurslijfje had vastgeregen en de kamerjapon had
dichtgesnoerd, de lange, kunstige doening van tien kraalvingeren om
een sierlijk hoofdje bijgewoond. Hij was 't nooit moe. Hij had haar
raad gegeven, koos den geur van het poeier en den toon der blosjes,
die eronder moesten gloeien als de teere mouterheid van een abrikoos.
Zoo zit hij hier weer.
Vóór den driedubbelen spiegel gaat Francine staan. Ze staat in het
licht, driemaal weergekaatst. Ze kiest, op het marmeren tafelblad,
het gedienstig gerief tusschen al wat te reke en ordelijk daar
wacht. Ze giet uit een der kristallen flacons een lichte geut van
een Russisch eau-de-cologne op het tipje van een wollen servet en
traagzaam baadt ermee haar voorhoofd, hare oogleden, hare wangen en
haar buigenden hals.
--Waar zullen we vandaag het eerst gaan? vraagt ze.
--Vermoei u maar niet. Wilt ge meer menschen dan Ernest bezoeken? We
kunnen bij Ernest dineeren, en daar komen de andere vrienden dan wel.
Ze wrijft over hare armen en tot op hare vingeren een tikje open
van wat men in het Fransch "la pâte des prélats" pleegt te noemen,
waarschijnlijk omdat de prelaten de mooiste handen hebben van de
wereld. Het is een verduldig werk. Ze duimt dien geurigen zoom tot
hij plat en glanzend ligt gelijk een glimmende aromaatolie. Over haar
aangezicht en op hare schouders strijkt zij een malsche amandelmelk
voorzichtig effen.
--Wien tracht gij het graagst te zien, Francine?
--Ik? .... Kijk, daar heb ik nog niet aan gedacht.
--Denk er eens aan ....
--Rupert, ik kan niet. Ik moet mijn lippen teekenen. Ze doet het
zeer nauwkeurig. Ze lijkt wel op een Japansch popje, lonkt aandachtig
in den spiegel, teekent met een welriekend krijt een dubbel lint op
haren mond, zoo dat hij rood-lacht als een kers.
--Ge zet te dik aan, liefje, merkt Rupert, ge moet kleuren met de
gevoeligste bescheidenheid.
Ze lacht en de kers schijnt te bersten, spat open en toont binnen
zijn frissche wonde een snoer van blanke parelen. Nu is ze weer
oplettend bezig. Ze lengt haren hals uit naar voren, raakt haast met
het toetertje van hare lippen het ander eender toetertje dat uit de
spiegelluiken op drie plaatsen naderkomt en voert het roode krijt.
--Hoor eens, man, zingt ze naderhand, als ik nu ernstig nadenk over
wat ge me vraagt, dan vind ik, hoe raar hee? op het eind twee vragen
in stede van éen antwoord!
--Ga uw gang maar!
Ze keert zich om. Boven haar mond, die te hard gloeit, blinken
uitzonderlijk hare groene oogen.
--Dan is 't: waarom vraagt hij me dat?--en waarom denk ik na?
--Ik moest, inderdaad, het u niet vragen .... maar gij hoefdet niet
na te denken.
--Dat is raak. Gij doet het mea culpa, en ik heb de schuld! .... Breng,
alsjeblieft, mijn hoofd, van in de vroegte, niet op hol, Rupert. Moet
ik mijne wimpers stompeeren?
--Eventjes .... Een greintje. Uwe oogen zijn bijzonder schoon
vandaag. Doe maar die smaragden weg, die op uwe ooren slapen. Ze
worden dof naast uw blik.
--Dankje.
Ze trekt een kleine schaduw boogvormig over hare wenkbrauwen. Haar
lenige rug plooit achterover, en om het goud van heur haar, waar
zij een schildpadden speld wil steken, ranken van weerskanten hare
rozige armen. Nu begint ze zich te poeieren. Ze doet éen voor éen de
zilveren poeierdoozen open, weet niet waar het zwaanveêrkuif je te
doopen. Ze vraagt, terwijl ze, wachtend, hem in de psychee beziet:
--Amber of verveine?
--Allebei, Francine.... maar, dan, van dat Roger-Gallet's goed.
--Och ja .... ik had uw les reeds vergeten. Hoe is de verhouding weer?
Ze lacht.
Ze poeiert kunstig, vervaagt over haar mooie huid de glansen en de
kleuren. Donzig vleit zich eindelijk haar hoofd boven haren schouder
in de poeierige zon te voorschijn, die tusschen de spiegelvlakten
speelt. Ze keert zich geheel om.
--Is 't fraai?
--Laat zien.
Hij staat recht en gaat van dichterbij dat vrouwelijk meesterstuk
bewonderen. Hij knikt. Hij toetst rijzekens het matte satijn der
armen en sluit vluggelings zijne oogen in een walm van den frisschen
schouderreuk. Hij legt zijne hand op haar leên, vezelt:
--Gij zijt een porseleintje van uitgelezen kostbaarheid.
--En zeldzaam als uwe goedheid? Ik min u.
--Ik min u, o ja!
Hij zet zich naast haar vóor de schraag, verschuift de chocoladekopjes,
en gaat zwijgend na hoe ze nu, met een luttel alaam, hare nagels
vijlt en rondt en glazuurt en polijst ....
--Wel! zegt Rupert plots, voor wien denkt ge dat ik dezen ochtend
ben uitgereden?
--Ik wil 't niet weten.
--Lach niet. Ik deed het voor Peter .... uw vriend Simon ....
--Simon .... Simon ....
Ze houdt het gouden schaarken open, onbeweeglijk, met de twee
lemmerpuntjes omhoog, in hare hand. Een droom, iets wijds, dat als
een droom uit de verte opwolkt en een vorm wordt, ligt in de diepe
wateren van hare oogen. Ze fluistert:
--Ik herinner mij.
--Ik schreef dikwijls voor deze zaak, praat Sörge onachtzaam; ik wil
dien jongen uit de gevangenis krijgen.
Hij neemt een sigaretje uit zijn koker, lacht dan, terwijl hij het
boven een onyxschaal breekt:
--Hier mag ik niet rooken, hee?
Hij ziet het gouden schaarken met de opalen hand lager zinken. Hij
ziet de kers-zoete lippen hergaan:
--Ik herinner mij, stamelt Francine.
Zij had, in geen tijd meer, aan Simon gedacht.
II.
IEMAND UIT ZIJN SCHIK.
Mevrouw Sörge maakte, in haar nieuw en onherkenbaar voorkomen,
een zonderling-verwarden indruk. Pastoor Doening en mevrouw Verlat
waren zeer bekommerd. Het docht hun dat Francine zich zoo ver van hen
verwijderd had, dat ze haar nu nooit meer nader zouden komen. Zij was
wel het zingend vogeltje gebleven; maar het zong vreemde wijzen,
wijzen van een ongeraden land waar 't een ongeziene zonne had
geleerd. Pastoor Doening meende dat het versch geluk, in haar, nog
slapende tonen had gewekt en dat zij naderhand met een rijker hart
van al dat uitheemsch wijde zou terugkeeren. Hij zei 't zoo aan Vere,
die 't met een droevig lachje ontving. Hij voelde de groote beteekenis
van dat lachje en het sloeg op zijne borst in verstaanbare klanken:
--Het wordt de eenzaamheid .... de algeheele eenzaamheid.
Met Francine verloor ze weer wat, en daardoor kwam het scherper op,
dat ze reeds zoo heel veel, haast alles .... alles verloren had.
Mijnheer du Bessy verheugde zich in Francine. Hij zag er alleen
het uitzicht van, en het uitzicht was heerlijk. Al wat in hem het
adellijk aristokraatje was gebleven, joepte in bewondering en juichte
die bewondering uit. De olympische bekoorlijkheden waren, in zijne
oogen, niet langer waard dat men ze met Francine mocht vergelijken,
en Aphroditè zelve, die nochtans uit het druppelend paarlemoer en
de groene schuimbellen van Okeanos' rijk was opgerezen gelijk een
agaatkleurig morgenrood, Aphroditè, de wellustige, zou naast deze
Oreade het oordeel van Paris niet durven toetsen.
Mijnheer du Bessy, die met de komst van zijn nichtje zeer in zijn schik
was, hetgeen misschien ook aan de toegestane gunsten van juffrouw
Henriëtte kon geweten worden, noemde Francine, sinds haar verblijf
te Interlaken, de Oreade of de Bergnimf. Hij verzon eigenaardige
maatregelen om, met fijne trekjes, de behaaglijkheid van een zulk
soort feeën te loven, en hij gelukte erin, door eigen lichtzinnigheid,
niet eens op te merken dat de Oreade een vreemd wezentje was geworden,
waartegenover hij zelf eene "tijdelijke" verschijning was. Ze kon hem
soms aankijken rechtover hem, kijken, door zijn hoofd dwars heen,
naar iets dat ver vandaan was gelegen. 't Was niet een toevallige
mijmering, zooals het wel eens gebeurt dat men onachtzaam doet;
't was haar gewoon doen, haar zijn van altijd, haar bestaan buiten
haar verleden en buiten hare vrienden.
Mijnheer du Bessy zou het ontkend hebben, indien hem dat iemand had
durven zeggen. Zijne oogen bedelden om met haar te mogen uitgaan,
om in een open rijtuig naast hare "goddelijke" toilet te zitten of,
in soiree, onder de zonneklatering van haar goudstralend haar te
verschijnen. Hij werd, meer dan ooit, de baron. De mooie glans die
van dat wondere meisje uitging, verguldde zijn blazoen en 't zou nu
schitteren met al zijn kleuren, met al het verglaassel der nieuwe
jeugd over al den roem van het oud-adellijke. Hij gedroeg zich gelijk
men ongeveer zich gedragen moet, als men toegelaten is tot het "petit
lever" van den koning of als men, op de wandeling, bij het te paard
klimmen den stijgbeugel voor de koningin vasthoudt. Hij sprak nu zeer
veel van de uitroeiing der nobelen en altijd in die klein-fantastische
taal, welke zijn lichte gedachten een bijzondere liefelijkheid bijzette
iedermaal dat zijn verhaal niet op een zeurend gezaag uitliep.
--Ik word het gewaar, placht hij dan te beweren, er is een tijd
in aantocht en weer zal de adel bloeien, maar misschien wel een
adel zonder voorzetsel. De demokratie voedt op dees oogenblik de
uitzonderlijke eenlingen die de geestelijke meesterschap zullen
handhaven en de kampioenen zullen zijn van eene uitverkoren
beleefdheid. De Revolutie heeft den dood verhaast van een
zinnelijk-bedorven adel en de mogelijkheid bereid van een nieuw
adellijk geslacht, hetwelk in andere omstandigheden, doch met geen
andere keurigheid dan die onzer hoffelijke vaderen, een Versailles
zal stichten, waar wij den geur van gefestoeneerde hemdkragen en de
zilvering van een uitmuntende konversatie mogen genieten.
Hij dacht middelerwijl aan zijn nichtje en de toekomst, die hij
voorspiegelde, was hem dichtbij.
Mijnheer Sörge vergat nooit hem uit te noodigen, en telkens ontving
hij mijnheer du Bessy met eene minzame gulheid waaraan men genoeg
herkennen kon dat, in de vordering zijner inzichten, de oude baronet
geheel schadeloos was. Du Bessy was op alle feestjes en de zorg, die
hij gewoon was aan zijne kleeding te besteden, nam toe. Hij voelde
zich in machte van een zeer voornaam geluk, dat hij onder de mooie
belichting van de Oreade aankweekte, en hij vermocht weldra er de teere
salon-bedwelming van te verplaatsen in de kamers van de Gretrystraat,
onder de grovere gaspitten van Henriëtte's boudoir.
Hij sprak daar weinig over in het groot-stille huis op de
Regentielaan. De zwijgende ernst van de sombere eetzaal begon
op hem te wegen en hij was soms bang voor Vere, die in de eenzame
gangen wandelde, gelijk een gevangen spook. Was 't dat hij zich iets
tegenover haar te verwijten had of wilde hij slechts de kalme droefheid
eerbiedigen, die om haar voorhoofd lag? Hij was gelijk een studentje,
dat bij brave burgerlui inwoont en, aan tafel, binnen de dampen van
zijn soepbord, met drollig-blozende schijnheiligheid het plan van
een boemelpartijtje in den avond tracht te verbergen.
Hij verborg echter niets. Vere, nadat zij het pijnlijk afscheid met
Francine had beleden, zag wel dat ze, in gedachten, ook door Oomken
verlaten werd. Die toestand verergerde door het toedoen van Ernest.