haar nek juist onder de rood-bruine haarstapeling. Ze huiverde. Hare
snikken brokkelden dof in haar armen. Hij vatte haar plots aan tegen
zijne borst, dwong haar op te kijken, zeeg neer er nevens en trok
haar over zich tegen de lage lambrizeering. Hij kuste haar lang. Hare
oogen bleven onder zijne vredige blikken gesloten.
Ze ontwaakte als uit een goeden droom. Ze lispelde:
--Rup, lieve, lieve ....
Ze zag in den nevel van de hare, zijne zwarte vredige blikken. Ze
schrok en stiet hem achteruit. Hij was vóor haar, uit de bedwelming
van tranen en geuren, opgerezen met de bloote werkelijkheid van
zijnen vredigen blik. Ze toetste in zijnen blik den vrede van den
zekeren meester, en gansch haar willen, gansch haar bloed wierp zich
op tegen die rustige dwingelandij. In eene klare gewaarwording van
hare verhouding tot hem, voelde ze ineens dat, als zij deze laatste
maal toegaf aan zijn bekende eischen en zich onderwierp aan zijne
overmacht, hij voor haar eeuwig verloren was. Ze staalde hare geheime
inzichten in die zekerheid en overwon hare zinnelijke zwakheid. Ze
schudde haar hoofd. Ze glimlachte bitsig.
--Ge doet weer laf, zeide ze droevig, ge doet altijd laf.
Hij ging vóór den spiegel zeer onverschillig zijn halsboordje
strikken en hersnoerde zijn das. Hij begreep dat ze te veel van hem
had afgekeken. Hij bekende 't haar, luchtig, oprecht:
--Gij zijt waarlijk sterk geworden.
Nijd stoorde binnenwaarts zijne wonderlijke onverschilligheid. Hij
dacht dat hij 't nu maar kort moest trekken, dat beider stand
onveranderlijk gekozen was. Hij raapte zijnen handschoen op die van
den schoorsteen gevallen was. Dan, aarzelend:
--Kom, zuchtte hij, we hebben alle twee beproefd al wat we doen
konden. We zijn uitgepraat. Ik weerhoud u niet meer, Milly. Ge kunt
mij gerust verlaten ....
Ze reikte hem hare hand. Hij nam ze zonder gretigheid, boog tot even
zijne lippen hare vingeren beademden. Zij zag zijn rug, de blauw-zwarte
glinstering van zijn haar tusschen de roze stippeling van zijne ooren,
gansch Rupert .... Ze sloot vluggelings hare oogen, benauwd dat ze
almeteen dat kostbare hoofd zou gaan drukken op haren boezem, voelde
de toekomst vóor haar opengaan als de gaping van eenen donkeren kelder.
--Adieu!
Het woord viel, gelijk een killig gedrop, op hare hand, welke Rupert
dan langzaam op haren schoot liet neerzijgen. Ze sprak niet. Ze keek
hem aan, toetste een uitersten keer de vredigheid van zijnen blik,
groette zwijgend.
De deurgordijn viel over zijne hielen dicht. Zijn stap weerklonk in
de vestibule en smoorde uit over de tapijten van de trap. Het klopte
in Milly's hart:
--Hij is weg! Hij is weg!
Werktuigelijk nam ze een tweede sigaretje, stak het aan, staarde op het
wispelturig gekrul der dampwiegeling, staarde, staarde hopeloos, tot
het vuur seffens doodvonkte en een laatste rookring, waggeltraag uit
de koude asch gestegen, thans in het luchterlicht blauw, fijn-blauw,
bleek-blauw, blauw-onzichtbaar .... te sterven hing.
Milly d'Orval verliet Brussel 's anderen daags. Drie weken later werden
Francine Verlat en Rupert Sörge verloofd, en zij trouwden den vijfden
van Oogstmaand, op een heerlijken dag. Het was een der voornaamste
huwelijken in 't jaar. De "Eventail" wijdde er eene kroniek aan en
alle dagbladen gaven verslag erover.
In de speling van lachende, minzame en knikkende gezichten bemerkte
Francine, rondom haar, slechts éen wanlicht: het magere en zure gelaat
van Florjan Pacôme, hetwelk boven zijn soirée-rok kwam opvloeken,
als een levend beeld van onbeschofte jaloerschheid.
EINDE VAN HET TWEEDE GEDEELTE.
DERDE GEDEELTE.
I.
WITTEBROODSWEKEN.
Een bleeke najaarszon speelt op de dubbele vensters van de klare
toiletkamer. Mevrouw Sörge staat binnen de plooien van haar wit
nachtjapon, kijkt blij-glimlachend rond, en juist opent Mariëtte
de deur.
--Morgen, mevrouw! Heeft Mevrouw goed gerust?
Mevrouw luistert niet. Ze brengt onder hare kin hare kleine handjes
samen, bewondert de rozenhouten meubileering van dees voortreffelijk
kabinet: de breede marmeren tafel met den drievoudigen spiegel, de twee
psycheeën, de kleine geriefkastjes, de vier ongelijke eigenaardige
stoelen en de mooie schraag, waar nu een rilde vaas zijne wondere
Japansche leeljen laat geel- en okerkleuren. Ze juicht stil:
--Hebt ge ooit zoo'n heerlijke toilette gedroomd?
Een gretige glans schiet over hare groene oogen. Mariëtte heeft het
zeker nooit gedroomd en ze zegt het ook. De benevelde zon valt op
het geschetter van goud-bekurkte geurflesschen en op de ordelijke
reeks klein alaam, dat op het roos-geaderd marmer met zijn zilver,
zijn paarlemoer, zijn ècaille-doorzichtigheid en zijn ivoorwit
doorstippelt veelvormig en verscheidenlijk.
--Wie, vraagt Francine, heeft al zoo vroeg mijn goed daar keurig
geschikt?
--Ikzelf, mevrouw. Maar het is niet zoo vroeg als mevrouw zich wel
inbeeldt. Het sloeg twaalf uren vóor mevrouw schelde.
Ze kijkt verschrikt op, blikt naar haar klein horloge, dat aan een
haak van haar ringenstellinkje vóor den spiegel hangt, en haar mond
wordt rond, binst dat haar wenkbrauwen opwelven.
--En, doet ze aarzelend, is mijnheer Sörge dan nog te bed?
--Mijnheer Sörge reed al te paard uit, dezen morgen. Hij zei dat
mevrouw zeer vermoeid was van de reis en beval dat men mevrouw zou
laten rusten.
Mevrouw Sörge gaat vóor 't raam staan, verschuift de lichte gordijnen
en overziet mijmerend de bruinroode kastanjelaars van de Louizalaan. De
laan heeft haar stil en rijkelijk uitzicht, haar voornaam leven van
wandelaars en kindermeiden en haar rapper bedrijf van rijtuigen en
ruiters. Zonder omwenden:
--Laat mij, vraagt zij teleurgesteld, mijnheer Sörge hier dan alleen
over aan de vreemde dingen van dees onbekend huis? Wij kwamen gisteren
aan, in den avond ....
Maar Mariëtte vertelt algauw, dat hij terug is van zijn rijtoertje en
in den tuin wacht, tot hem mevrouw binnenlaat. Dan is ze weer blij. Ze
praat uitzinnig, en Mariëtte legt heur gouden haar in dikke strengen
als een kroon om haar hoofd. Naderhand hangt ze een breed kamerkleed
over hare schouders, en de blauwe vierkantjes die, van eendere grootte
en verschilligen verftoon, op de witte vouwen tichelen, stichten daar
een stippelspel van licht, hetwelk de malschheid van haar hals en de
teerheid van hare blozende wangen zeer in waarde stelt. Eer Mariëtte
haar verlaat, vraagt ze dat men haar een kopje chocolade brenge,
en nu, niet eenzaam in de weerkaatsing van de vlijtige spiegels,
kijkt ze, al wachtend, zich langs alle kanten aan.
Wanneer Rupert zoetjes de deur opent en onhoorbaar over de tapijten
teent, heeft ze hem in een hoekje van de psychee wel bemerkt,
maar roerloos staat ze, voelt ruggelings de kriebeling van zijn
naderschuiven, voelt dat ze rillen gaat, voelt over een haarlokje,
dat in haar nek krult, de warmte van zijn adem ....
Ze glimlacht, keert haar gelaat om naar zijn vollen, levendigen
glimlach, glimlacht in zijne donkere oogen. Zijne handen liggen,
streelend en behendig, op haar leên. Ze neigt achterover, legt haar
hoofd op zijn schouder en hare gulzige lippen gaan op naar de natte,
onbeweeglijke, kalme roodheid van zijn mond.
Zij waren op hun huwelijksdag vertrokken. Het was een betooverende
reis. Rupert wist alles zoo te regelen dat het wel op een sprookje
geleek, en Francine beleefde 't in een droom. Ze hadden Takker en
Mariëtte medegenomen, en Mariëtte was haast van overbodigen dienst,
want Takker had op alle uren van den dag tien koppen, twintig handen
en eene honderdvoudige dienstvaardigheid. Takker kon natuurlijk
mevrouw niet opknappen in den morgen, maar ik durf niet zeggen dat,
werd het hem toegelaten, hij het niet vingerknap en uitstekend doen
zou. Hij was overal, waar hij, zelfs oogenblikkelijk, verlangd werd,
en hij was niet te vinden daar waar 't niet wenschelijk was dat men
hem trof. Francine begreep de taal niet die hij sprak. Zij kon echter
niets zeggen, dat hij hooren moest en niet dadelijk verstond. Hij was
nooit hinderlijk. Francine kon uren langs de Rijnoevers met Rupert
wandelen--waar was Takker? Waar 't zijn plaats was, niet hier. Draafden
ze te paard door stille dennewouden, wilden ze dan op een mostapijt
ergens gaan neerzitten of te voet een heuvel opklimmen, waar tenden
een schaterende bloementrossel de kinderlijke begeerte van Francine
had opgewekt, laat maar de teugels schieten--daar joept Takker van
achter een struik te voorschijn en zal de paarden houden. Takker was
nooit het storend toeval en altijd de gelukkige voorzienigheid.
Francine merkte het niet, in den beginne. Alles was haar zoo wonderlijk
dat ook dit wonder haar gewoon voorkwam. Zij leefde in eene wellustige
bedwelming; zij had zich niet kunnen voorstellen dat iets gebeuren
kon van wat zij nu met gulzigheid beleefde; ze beleefde eene liefde,
die heerlijker en vollediger vorderde in een ongeraden groei. Zij was
op geen enkel oogenblik bewust van een geluk, dat zij voor een mirakel
aanzag, en ze ging door de dagen gelijk een kind zonder toekomst en
zonder verleden.
Van waar kwam dat en waar moest dat heen?
Het was. Het gebeurde. Daar waren nievers oorzaken en dus was niets
een uitslag. Elke stonde gedijde onverwachts. Ze leefde, ze was een
zalige twijn in de stil-spinnende vingeren van Sörge. Ze dacht aan
niets, alles was werkelijkheid.
Zoo gingen ze, de Rijnoevers langs; dan ineens naar Venetië, waar ze
haast eene volle maand verwijlden; dan Rome door, waarvan ze placht
te zeggen dat die stad afschuwelijk en niet heilig genoeg was; dan
de Alpen over en binnen dat heerlijk Zwitsersch Oberland. Ze wilde
uit Interlaken niet weg. Ze verbleven daar zes weken. Overal was
't voor Francine dezelfde zinnelijke duizeling. De wereld spreidde
zich wijd-uit vóór haar en de zon leek haar een open poort op het
paradijs. Alles was belicht, en de gloed die in haar binnenste joeg,
laaide overal uit buiten haar. Ze kon niets zien wat haar vreemd
was. Niets was haar vreemd en niets was haar een geheim. Wat ze
niet begrijpen zou, ging ze prachtig voorbij. De menschen, welke zij
ontmoette, waren roerende kleuren, opgestoken tot een hulde aan haar
geluk. Sörge was het middelpunt van licht en wezen, en zij leefde in
Sörge, gelijk een adem leeft binnen de lippen en een dood geblaas wordt
in de lucht. Daarrond wemelde al wat door Sörge's licht beschenen en
door zijn wezen bezield werd, en er bestond niets, van wat zij zag
en voelde, dat niet alzoo was beschenen en bezield. Er leefden geen
machten buiten hem. Was er eene macht, die de sterren aanstak in
den fluweelen nacht, als ze samen op een balkon nevenseen droomden
en over de Milaansche landouwen de koperen maan zagen ondergaan? Of
was er eene macht die de rozen deed opentikkelen aan hunne voeten,
terwijl ze langs paadjes van palmgroen in Fransche tuinen arm aan arm
ommekuierden? Zij kende geen macht die niet was een werkzaam inzicht
van Sörge's eenige, alvermogende macht, en van die macht voelde zij
dat zij de trillende, juichende liefde was.
Haar reis had zich tusschen twee knoopen, gelijk een draad van goud,
uitgelengd: Venetië en Interlaken. Van Venetië genoot zij de zinderende
kleurzangerigheid en Sörge, die een meesterlijke inrichter was, maakte
haar, in dat gracelijk oord van wiegende geluiden, tot een zoetgevooisd
popje, dat hij lichtelijk over de kanalen liet bijzen. Ze was begaafd
genoeg om zich seffens met het beeld van zijn fijnbesnaarde lusten te
vereenzelvigen en hij trof in haar de vreemde, uitgezochte toonvormen,
welke hij zocht. Het verwonderde hem dikwijls hoe zij zelf, als buiten
zijn tastbaren wil, op een uitgedrukt gebaar van zijne begeerte plots
een klinkende verwezenlijking werd van zijn zinnelijke wenschen. Haar
instinkt kon soms de eischen van zijn smeulend verlangen raden. Het
waren dan hare behaaglijkste momenten, en ze rilde van een innerlijke
jacht, die haar gevoel scherpte en hare opgezweepte vermogens in
laaie passie blaken deed.
Ze bewoonden in Venetië het erfgoed van den ouden heer del Sarto, een
vriend van Sörge, den vader. Het was een oud en rijkelijk huis op het
groote kanaal, en de halve duisternis die er heerschte, was gelijk de
schaduw van een lang vervlogen tijd. Vier eeuwen hadden hun donkerten
in de bestoven hoeken opgestapeld en de geheimzinnige gewelven met
hun roode nevelen omhangen. Sörge beschikte er over vier groote
vertrekken, beladen met Indische gordijnen, tapijten en Italiaansche
kunst, en waarvan de minst uitgebreide, doch gezelligste, langs een
loggia met gekleurde ruitjes uitzicht gaf op de vaart. Mijnheer del
Sarto had er aan gehouden den zoon van zijn overleden vriend zelf
welkom te heeten. Hij deed het gulhartig en welgemanierd. Hij was een
van die geestige ridders, die in eene majestatische stilzwijgendheid
den trots besloten houden van een uitgeroeiden adel en die, stoïek
en sierlijk over hun blazoen gebogen, geen moeite hebben om al wat,
buiten dat, van de wereld nog overblijft met de minachting van een
arend te aanschouwen. Rupert en Francine zagen hem tweemaal bij
het dîner. Hij voerde er een keurig gesprek zonder gestrengheid en
tevens met grooten ernst. Het Fransch dat hij gebruikte en dat hij
eigenaardig op eene oud-florentijnsche gedachtenwending wist toe te
passen, had meer weg van de taal die men in sommige koningsgezinde
stadjes van Normandië nog even na de Restauratie sprak, dan van die
welke men in het hedendaagsch faubourg St. Germain beproeft voor
Gallische geestigheid te doen doorgaan. Hij zag er een banneling
uit van het slag dat Barbey d'Aurevilly zoo gaarne en met eene zoo
fiere spijtigheid beschreef, doch een banneling, dien men, nadat
hij van alles beroofd werd, niets van wat zijn wezenlijke aard is,
heeft kunnen ontstelen. Zijne beleefdheid was eene gratie Gods.
Den derden dag meldde mijnheer del Sarto dat hij naar het buitenland
werd geroepen. Hij vertrok niet zonder Sörge aan te sporen zijn
verblijf in het oude Venetiaansche huis, om wille van zijn eigen
gedwongen afwezigheid, niet vroeger dan hij wel zinnens was, op
te zeggen. Hij zou zich maar, zeide hij, kunnen troosten over die
hinderlijke afwezigheid, indien hij, op zijn reis, mocht zeker zijn
dat Sörge en mevrouw Sörge er zich niet aan stoorden. Zij gaven hem
gewillig die verzekering, ofschoon zij het vertrek van den ouden heer
betreurden; en zij bleven drie heerlijke weken, in de luisterende
schaduwen van hunne vier kamers, de wondere uren tellen op het zilverig
getinkel van eene oude Nurenbergsche klok.
Zij zaten dikwijls in de loggia te vespertijd, wanneer de zware
daghitte in de natte avonddampen der kanalen ging bekoelen. Daar
begon het zangspel van roerende verven. Linten van blikkerend
licht kronkelden over de violette wateren en strengelden hunne
snoeren saam met de roode en blauwe riemen die binnen de klappende
vlakte wegbrokkelden onder de vaartstaken. Er hing in de stille
lucht eene teere rozigheid en, boven de onregelmatige gevels en de
uitklippende kornissen, blekten de purperen glansen van den stervenden
zomer. Gondels wiegden voorbij.
Francine's stem kwam telkens meeleven in de algemeene
welluidendheid. Ze vroeg dan zoo'n gekke dingen, die gelijk
kleursprongskens waren over de paarse waterscherveling.
--Zoudt ge kunnen raden, deed ze lachend, welken dag van de maand we
morgen zijn? Ik weet het waarlijk niet, Rupert ....
Haar lach kon ook wel een van die zilverlingen zijn die op een golfje
van 't kanaal een ring van licht doen wippelen. Ze deed hem leuteren,
vlak onder Rupert's oogen, en hij deed fraai in den veelvervigen
avond. Sörge nam dan haar klinkend hoofdje in beide handen en rook
de diskrete geuren van haar puur-gouden haar.
Een ander maal wilde ze op zijne knieën zitten. Ze kon niet
rustig blijven en blies over zijn voorhoofd, tot het hem eene
onverdraaglijke kitteling werd, Als ze dan eindelijk moe werd en tegen
zijn borst aanleunde, voelde ze Rupert's zachte hand met eene ongemeene
voorzichtigheid de spoelvormige broosheid van hare vingeren betasten,
elk kneukeltje met eene nauwkeurige aaiing omdoen en even sidderen
op den kouden toets van hare ringbriljanten. Zoo deed hij gemeenlijk,
en ze gewendde zich eraan daarbinst zoetekens weg te sluimeren. Soms
streelde hij op die manier haren arm, teekende onder zijn zoekenden
duim de fijne vormen van hare ronde spieren, peuterde lang en verduldig
om haren elleboog en het scheen haar dat de beenderen bloot kwamen
onder dat bedreven gevlei. Soms ook was hij lichtelijk langs de
randen van haar oor aan het vingeren, vereenzaamde tusschen de vijf
nieuwsgierige tipjes van zijne hand die rozige schelp, die haar dan
ineens niet meer toebehoorde, en haperde schroomvallig, op het lauwe
oorlapje, over den harden smaragd van hare dormeuse. En telkens was 't
alsof ze moe werd--of werd ze werkelijk moe daardoor?--en ze duizelde
langzamerhand te lore in een slaap vol blauwe misten en vèr-orgelende
muziek, waarbinnen ze vergroot en doezelig de vormen en de klanken
van de wereld zonder aandacht naging. Het was binst die rusttijden,
die de albeheerschende werkelijkheid van hare liefde uitlengde in
eene vreemde ekstase, dat Rupert zich meester maakte van haren geest.
Wanneer zij, in den beginne van September, het adellijke huis van
mijnheer del Sarto verlieten, was Francine eene oneigen Francine
geworden, het afhankelijke eigendom van Sörge en eene die het liefelijk
geweten van een getroeteld burgermeisje verloren had.
Rome beviel haar niet. Te Interlaken sleten ze het aanzienlijke
hotelleven van dat beminnelijke stadje en deden onverschillig mee
aan de geblazeerde luiaardij van kosmopolitische aristokraatjes,
welke in een far-niente van rijk allooi de leêgheid van hunne ziel
en de verveling van hunne kapotte zinnen trachten te verbergen. Ze
bezochten de vele salons als in het voorbijgaan en gingen rond de
speeltafel staan. Die menschen daar, met hunne trage manieren en hunne
loome sierlijkheid meegesleept in de warreling van het driftwekkend
kansspel, benauwden Francine; maar ze zocht die benauwdheid iedermaal
te hervoelen, en iedermaal bevond Rupert dat ze naderhand zinnelijk
scherper was. Hij stilde haar dan; beter: hij bedwelmde haar in de
praktijk van zijn berekende liefde en volmaakte de stichting van
zijne opslorpende overmacht.
Ze deden rijtoertjes in de streek. Tegen de lederen kussens
van de kales achteroverleunend voelde Francine de geteemste dag
onder de theekleurige zijde van haar zonnescherm poeieren en zacht
lichten. De noen-warmte dibberde blauw en rozig om de randen van haren
bleek-bebloemden hoed. Ze luierikte goddelijk. Hare gedachten gingen
uitnevelen in mistige vergezichten, over landschappen, waar de felle
zon de teere kleuren omdoezelde en soms zilverflitste op een noesche
klip van opalen ijsglazuur. Sörge beraamde met subtielen overleg
de rijke vruchten van die luiheid, welke haar aderslag vertraagde
en de weeke wimpering van hare oogleden verzwaarde over de gestilde
glansen van haren groenen blik. Zij was, in zijn gedachten, gelijk een
goudblozende perzik, die onder de roerlooze straling van de zonziftende
broeikastruiten, stil en heerlijk te rijpen hangt. Zij vergaarde in
de langzame soepelheid van hare leen, die op de veêrgolven van het
rijtuig wiegde, de wijde kracht van den dag, en tot in de tippen van
hare kraalroze vingeren zamelde ze spaarzaam de levende hitte thoope,
de lucht, het licht, de bezielende zomerzon. Sörge zag dit trage,
zekere werk gebeuren, en hij koesterde, terwijl hij onachtzaam een
zonderlijk aapje van ivoor over zijn knie bestreelde, het vooruitzicht
van een zonneoogst, die uit dit rilde meisjeslichaam moest dijen en
openklaren in al het zongrage spel van eene fijnkundige liefde.
Alzoo omringden Francine, van allerzijds, de duizenden invloeden,
welke de aandachtige bewerking van Sörge deed ontstaan. Voor hem
moest ze het zinnelijk tuig worden, dat in hem eene wereld van nieuwe
gevoelens zoude wekken. Geduldig, hardnekkig, onfeilbaar zette hij
zijn plan door, en Francine, die niet weten kon waarheen hij haar
wilde leiden, was hem dankbaar dat hij, naar het ongeraden doel,
de wegen zoo zacht en zoo tooverachtig maakte.
Het landschap nabij Interlaken heeft boven alle andere landschappen dit
voordeel, dat het van die andere te gare de gezamenlijke schoonheid
bezit. Het is verscheiden in zijn eenheid en weelderig in zijn
sober-zijn. Alle geluiden zijner luchten roeren over een zóo uitgebreid
klankbord, dat, naar het gemeenlijk schijnt, de snaren ervan in het
eindlooze zijn gespannen. Zijne verven en diepten wisselen langs eene
teerheid van schakeeringen zoo sluw, dat men erbij slechts de looze
speling van zijne lichten en schaduwen kan vergelijken. Het aait niet
alleen het schoonheidsgevoel--want welk gevoel zal ooit voor zulke
overdadige schoonheid organisch bewerktuigd zijn?--het verdrukt
den geest door hem te sterk te treffen en eindigt met uitsluitend
lichamelijk in te werken op het bedwelmd gestel.
Was het werkelijk dit physiek vermogen van een veelzijdig landschap,
dat Francine aantrok, of had Sörge zóo hare zinnen voorbereid dat het
eene aantrekkelijkheid móest worden? De geheime roerselen der ziel zijn
niet zoo te bepalen en meer dan eens is men waanzinnig genoeg om voor
een proef van onze wilskracht eene uitkomst te houden, welke dikwijls
en eeniglijk aan het vreemd toeval van gunstige omstandigheden te
danken is. Sörge was overtuigd dat Francine's zinnelijke ingenomenheid
met het Thunsche hoogland door zijn zorgen was gewekt, en zulke
overtuiging kon hij jegens zichzelf verrechtvaardigen door de kunstige
pogingen, welke hij ten opzichte van Francine's onbewuste emancipatie
op geen oogenblik van den dag verzuimde aan te wenden. Hij wilde
niet dat Francine in Brussel terugkeerde, eer ze onherroepelijk zijn
eigendom was geworden, en hij dierf ze niet aan den invloed die eene
mevrouw Verlat of een pastoor Doening niet anders dan uitoefenen zoude,
onderwerpen, of ze moest uit het schadelijk bereik van dien invloed
en gansch in hem, haren meester, zijn vergroeid. Hij merkte dat
zijne behandelingen zeer vruchtbaar waren en dat Francine niet lang
aan de behendige en rake grepen van zijne omzichtige bemeestering
kon weerstaan. Na de eenigszins wanordelijke indrukken langs de
Rijnboorden en de uitspattende impressies in de parvenu-deftigheid
der Duitsche handelssteden opgedaan, had hij haar zonder overgang
in Venetië gebracht. Zij had daar voor het eerst en zeer scherp, het
was hem niet ontsnapt, het nest gevoeld, het nest, dat hij wel wist
nooit te kunnen eerbiedigen en waarvan hij haar dan de tijdelijkheid
had gewezen als de eenige bekoring, die eraan kon verbonden zijn. Zij
had hem vol verwondering geloofd en reeds op haar weg naar Rome had
zij de loggia met de beschilderde ruitjes vergeten, de eikenhouten
alkoof met de Smyrnasche gordijnen en het gezellig uurgeklingel van
de Nurenbergsche klok. Hij gewende haar dus aan de eigenzinnige,
aan de gevoelde ontkenning van al wat hijzelf niet was, hij, de heer
van haar gretig lijf en de leider van hare korte gedachten.
Te Interlaken had hij tot hare algeheele overgave besloten. Hij
besteedde er eene kleine maand aan de voltooiing van zijn zonderling
veroveraarswerk, en hij slaagde des te zekerder, daar hij, in deze
zooals in al zijne andere bezigheden, zonder haast zijne middelen
gebruikte: elk middel voor het genot dat hij eraan had en alsof hij
zich om het einddoel, waarnaar het streefde, niet bekreunde. Het
was nagenoeg stellig dat Francine, na haar verblijf in Interlaken,
met eene heel andere gevoelsintonatie hare vroegere verhoudingen
te Brussel waarnemen zou. Sörge ijverde vlijtig om de schakel, die
Francine's huidigen ontwikkelingsstand aan den vorigen moest verbinden,
te vijlen tot hij brak. In haar hart en in haren geest zou Sörge haar
eenig verleden zijn, en geen verleden zou daar verder reiken dan Sörge.