Dan, plots, was dat ongeluk gekomen--de zoon van tusschen hen

weggerukt! 't Zou een slag zijn zonder genade. Donaat kromde lager

naar den grond en Cordule zonk dieper ineen. Ze begrepen niet de

beteekenis van wat men een politieke misdaad noemde. Vere had het hen

op de gunstigste manier uitgelegd en pastoor Doening, die sindsdien

dagelijks kwam, troostte hen met de verzekering dat Simon gauw weer

vrij zou komen. Ze teerden sukkelig op die verwachting. Mijnheer

Lazare had hun ook een bezoek gebracht, maar nadat hij, met de

beste inzichten, was uitgevaren tegen de maatschappij en Simon had

aangetoond als een werktuig in Gods handen om heel den rotten boel

't onderst boven te zetten, waren zij droeviger dan ooit. Dien avond

hadden ze, naast malkander, over malkanders handen geweend ....

Nu kwamen ze, arm aan arm, op den drempel voor. Francine ging naar

hen toe, klopte zachtekens op hunne schouders, en vond een hoop lieve

woorden om hen op het goede nieuws voor te bereiden. Ze bracht hen

vóor Sörge.

--Dit is mijnheer Sörge, een vriend van Simon en van Ernest. Hij

heeft al veel gedaan voor Simon en hij zal nog meer doen. Hij zegt

dat hij ons in kort Simon zal teruggeven. Hij kan veel. Ik weet niet

hoe dat komt. En nu heeft hij al iets voor u beproefd .... en hij

is geslaagd ook. Zoudt ge hem niet dankbaar zijn als hij u, voor een

klein halfuurtje maar, bij Simon binnenliet? Dat heeft hij verkregen.

Het gebukt hoofd van Donaat schoot levend op, begon dwaas te glimlachen

en de kin die getrild had, viel in een schokje op den knoop van zijn

hoog-zwarte das. Hij blikte zijwaarts naar Cordule, die rood stond

en sprakeloos. Hij blikte naar de rolling van tranen die éen vóor

éen over hare wangen wippelden, en naar de hoop die onder de tranen

scheen. Hij knikte toen, zwijgend, kuchend, hevig bewogen.

--Ik ben zeer gelukkig, zei Francine nauwelijks hoorbaar, zeer gelukkig

.... dat ik u dit geluk brengen kan.

Zij zag Donaat's hand bibberend uit de zwarte mouw van zijn jas

reiken naar een stoel en dezen naderschuiven bij Sörge. Zij zag

de wankelende Cordule hare twee korte, dikke armpjes gebruiken om

een zetel te verschuiven. Naderhand moest Sabine eene flesch madera

opdienen en een schaal met beschuiten. Ze deden gevieren bescheid. De

oudjes zegden niets, knikten wel, hoestten stillekens. 't Was eeniglijk

Francine die den praat aan den gang hield, en ze werd koortsig onder

de begeerte om het goed te doen en overvloedig. Het docht haar dat zij

iets jegens Simon's ouders misdaan had en het met praten vergoeden kon.

Toen op het einde Sörge merkte dat ze uitgeput was en zoude gaan

breken onder de spanning, gaf hij behendiglijk aanleiding tot een

beleefd afscheid. Donaat en Cordule kwamen met Sabine uitgeleide

doen tot op den drempel en sloten de deur niet vóor Francine en

Sörge te paard waren gestegen. Francine lachte hen toe, zag hunne

oogjes in de deurreet wegschaduwen en, eer Takker de teugels losliet,

de dikke gordijnen achter de vensterruiten nederkomen. Wild joeg ze

haar paard vooruit.

Ze reden goed door, zwijgend als in den beginne. De zon zat hooger,

sloeg kortere, blauwere schaduwen over de lanen. De kloeven klonken

hard.

--Die oudjes, sprak Sörge, beklaag ik zeer. Wat met dien armen Peter

gebeurt, is waarlijk ellendig. Ik herinner me dat ik Ernest van dat

alles verwittigd heb.

--Hoe! mijnheer Sörge, riep Francine, wist ge wat er toegaan moest?

--Ik wist niets, niets, maar ik vermoedde het al. Ik heb geraden--het

spijt me dat ik het zoo goed kon--dat Peter een slachtoffer zou worden

van Pezza. Dit blijkt wel zoo uit te vallen, want de verdwijning van

Pezza is een geveinsde vlucht en die moedige priester zal wel ergens

opduiken, wanneer er nergens gevaar meer is. Zoudt ge mijne pogingen

zeer op prijs stellen, als ik er in gelukte Peter vrij te maken?

--Hoe vraagt gij me dat? .... Ik heb u mijne genegenheid voor Simon

niet verborgen.

--Zeker niet .... Maar zou ik er uw vriend om kunnen worden?

--Ik wil u dankbaar zijn.

--Ik zal het, zonder die aalmoes, ook doen, juffrouw, wees gerust.

Ze zwegen. Een bende kinderen die van school kwamen, liepen in de

middagzon. Sommige hadden een rooden doek om den hals, een paar

meisjes droegen een wit schort.

't Was, al voorbijdravend, een verscheiden en aardig gewemel van

kleuren en dan, meteens roerloos, in het vlakke licht, al die ronde

gezichtjes, door de zon bekletst, opgericht naar de stuiving der

twee paarden.

--Nu voel ik, dacht Francine zonderling bekommerd, nu, bij al wat

roert in de lucht .... dat er iets veranderd is, dat iets een anderen

vorm aanneemt ....

Dit bewustzijn kwam ophelderen in haar, in een gespat van klaarte en

op het zicht van een der gele kinderkopjes. Het benevelde stilaan en de

klop van den draf hersloeg in stukjes als die verbrokkelende doening.

Sörge vroeg of ze den terugtocht langs het Bosch dierf ondernemen. Ze

knikte onachtzaam. Ze was ook bang voor wat er na het ritje gebeuren

zou. Ze wilde niet thuis alleen zijn, vooral niet zonder Sörge. Maar

verder, toen de stilte van het woud spookte tusschen de groen-blauwe

tronken en de dag hier onbeweeglijk te laaien hing, verlangde ze om

dadelijk bij Vere te zijn. Ze zei het met korten stemklank. Ze keek

strak vóor zich uit.

--Ik zal, sprak Sörge heimelijk, de wandeling voor u prettiger maken,

als ik u beter kennen zal.

--Ge kent mij genoeg ....

--Maar waarom wilt gij mij zoo weinig kennen?

--Ik vrees .... dat ik u wel ken, mijnheer.

Sörge lachte. Zoo klein-schokkend, zoo ver-vandaan, zoo

kiesch ook klonk die lach, dat Francine verwonderd naar hem

opblikte. Onwillekeurig had ze den breidel gespannen en Joep, terwijl

hij zijn kop opsloeg, bleef palstaan. Te gelijk, drie stappen verder,

stond het paard van Sörge.

In de stilte rinkelde het kettinkje van den toom en ziedde een geblaas

van heete muilen. Rupert legde zijn rechterhand achteraan op den tip

van den zadel, wendde zijne schouders half om, zag, onder het bruin

tokje en de gouden haarstrengen, het blozend gelaat van Francine

kwaad-uitkijken naar eene verklaring. Hij zei:

--Kent ge mij nú beter dan op dien avond, weet ge wel? .... Ge hadt

een doek op uwe groene oogen en ik herinner me dat uw licht-mauve

kleed in plooien heenstraalde als een regen van licht. Ge hadt me

onder uwe handen, en over mijne handen heb ik de zoekende tastjes

van uwe vingeren gevoeld. Toen hebt ge mij gemeten--aan wat? Niet

aan uw geest, want dan haddet gij mij geraden .... Niet aan uw hart

ook .... helaas? Wat was dat eene eigenaardige vergissing, juffrouw!

--We speelden toen .... Het was een spel, mijnheer Sörge.

--En nu?

Het werd haar alsof de lucht aan het beven ging, en ze voelde zich

klein, klein ineendringen, tot ze een nietig dingsken was, vol

schuchtere gehoorzaamheid. Ze ademde rap, onregelmatig, beet op hare

lippen. Ze gaf zich over:

--Ge hebt gelijk, stamelde ze, ik ben niet sterk genoeg, Rupert

.... Wees mij genadig.

Hij dwong zijn paard tot twee sprongen achterwaarts, reikte langzaam

zijne hand en ontving er, gelijk een bloo vogeltje dat zich vangen

laat, de hare.

--Ik dank u.

Het was al wat hij zei, en nadien, tot ze thuis aanreden, zwegen ze.

's Avonds, toen pastoor Doening naar zijne gewoonte zich bij Vere

onder het hooge schouwkleed had neergezet en Ernest met Oomken de

eetzaal verlieten, liep Francine naar Vere toe, knielde vóor haar en

begon in haren schoot te weenen. Hoe ook zachtjes pastoor Doening op

haren schouder klopte en Vere haar vriendelijk en paaiend aansprak,

toch weende ze lang, liet haar ranke lichaam in toenemend gesnik

opschokken en wilde haar gezichtje niet van over hare armen lichten.

De eerste schoone lenteavond zwoelde binnen huis. De deur op de

verandah stond open. Men hoorde het lijze leven van den tuin en de

druppeling van de springfontein. Pastoor Doening schudde bedenkelijk

zijn buigend hoofd.

--Bedaar, bedaar, streelde hij, wat moet dat nu beduiden?

Ze bedaarde eindelijk. Ze richtte zich traagzaam op, keek benauwd

Vere en Doening in de oogen.

--Welnu, liefje? Wat hebt ge toch voor? Ge zijt moe, ge zijt moe ....

Toen vertelde zij 't in een vluggen vloed. Moe? Neen, neen. Valsch en

bedriegelijk was ze. En ze wist wel dat men het haar nooit vergeven

zou. Maar ze had het goed gemeend, dàt moest men toegeven. Ze deed

niets uit kwaadaardigheid. Het was haarzelf overvallen, het had haar

bedwelmd, het had om haar een net gespannen van stalen twijn en ze kon

niet vrij meer, thans zag ze 't zelf goed in. En Simon had ze waarlijk

liefgehad; en inniger had ze Simon lief, want ze had hem verongelijkt.

--Ge hebt dat niet goed begrepen, gij tweeën, praatte ze radeloos,

ik heb Simon lief, lief. Waarom kijkt ge mij zoo vreemd aan? Ik

houd immers niet op Simon lief te hebben. Ho! als ik denk dat hij

nu ginder te peinzen zit, terwijl gij meent dat ik hem niet meer

liefheb! Verstaat mij! Verstaat mij dan toch eindelijk!

Ze was heesch en slikte moeielijk. Tranen liepen voortdurend over

hare wangen. Ze werd klagend:

--Ge wilt mij straffen met mij niet te verstaan. Ge wilt wreed

zijn. Gij beiden, ge waart blijde als ge mijn geheim wist. Het was

geen geheim. Het is geen geheim dat ik Simon liefheb. Het geheim

dat ge weten moest, dat is het andere, dat is hetgene ik niet meer

houden kan. Het is maar een logen, omdat gij 't niet willen begrijpen

hebt. Het is geen logen voor mij. Ik heb niet gelogen. Ik was zwak,

ik heb toegelaten dat gij allemaal uw eigen bedroogt. Dat is mijn

valschheid .... Druk mij dicht tegen u aan, verlaat mij nu niet, want

ik heb u niets verborgen, niets, dat niet .... dat niet ook voor mij

verborgen was.

Pastoor Doening en Vere zaten verslagen. Ze legden in een zelfde

beweging hunne hand op Francine's voorhoofd, deden haar opkijken,

lachten stille en droevig in hare oogen.

Daarbuiten druppelde een watertuiltje binnen den zoeten Meinacht.

--En wat zult ge nu doen? vroeg aarzelend de oude pastoor.

--Trouwen .... met mijnheer Sörge.

VII.

NOG HET BLINDEMANNETJE.

Op het oogenblik dat men bij haar, in dat bedwelmend boudoir,

mijnheer Sörge inleidde, zat Milly d'Orval vóor het lage rooktafeltje

een sigaret op te steken. Hij ging seffens buigen over haar en raakte

even met zijne lippen de losse haarkrul, welke poeierig en welriekend

op haar voorhoofd lag.

Hij zette zich neer. Ze keek hem lang aan.

--Het is nu, sprak ze traag, een blauw dampringetje tusschen haar

roode lippen uitdrijvend op een geluideloozen adem, het is nu de

tiende dag .... Ge komt tòch.

--Ik kom ongevraagd--ik dacht niet: onverlangd ....

--Onverlangd, inderdaad. Wat zoude ik nog verlangen, Rupert? Sinds

zes maanden zag ik u nooit, of ik moest u uitnoodigen. Gij kwaamt

telkens. Nu, tienmaal een langen avond, zit ik hier, op deze plaats

... afwachtend of ge, ook zonder die periodieke uitnoodiging, niet

komen zoudt. Dees tienden avond verlangde ik u niet meer. Toen kwaamt

ge. Ik geloof dat ge ongerust wordt ....

--Ik begrijp u niet, Milly.

--Toch wel. Maar uw begeerte is dat we malkander niet begrijpen. Ge

hebt u immers ingebeeld dat ge mij niet meer liefhadt .... Neen,

lieve, ontken dat niet. Ge hebt mij, in uwe behendige vingeren,

tot iets gemaakt, waaraan dit niet ontsnappen kan. Maak weer van mij

de oude grove Milly van Weenen, of de Milly van Nizza, eene zonder

oogen, want gij hebt u misrekend als ge denkt dat ik mij, uit eigen

teergevoeligheid, tot een lompe, of, uit eigen fijnzichtigheid,

tot eene blinde ontwikkelen kan.

Sörge staarde zonder verwondering haar aan. Ze zat ten halve lang-uit

op de witte sofa. Hare naakte schouders en haar prachtig hoofd kleurden

levendig boven het roomgele fluweel van haar breed-hangend kamerkleed

en tegen de heel-bleeke mahoniehouten lambrizeering. Hij voelde dat

ze gansch zijn eigendom was en hij dacht scherp na, vooraf bepalend

hoe hij het sierlijkst over haar beschikken kon.

--Ge zijt jaloersch, zei hij stil.

Ze glimlachte vreemd en over hare oogen kwam eene trage droefheid

nat-glinsteren.

--Het kan u, ikzuchtige, zoo dunken, Rupert. Jaloersch zegt

gij? Indien gij wel wist dat ik jaloersch was, zoudt gij het mij

niet durven zeggen. En nochtans, ja, misschien ben ik jaloersch

geweest. Misschien heb ik dezen ellendigen winter doorgemaakt in

zulke dwaze vertwijfelingen. Maar hoor thans hoe kalm en gemeten ik

u aanspreek .... Ik beken, mijn vriend, dat ik uitgeput ben--niet

echter vóor ik zegepraalde, wilde ik het u bekennen. Ik ben, tot op

de laatste vezel, uitgeput. Ik bemin u niet meer.

--Waar is dan de zegepraal?

--Dat ik u niet meer bemin, eer gij zelf ophoudt mij te beminnen.

Een vlugge traan trilde op hare wimpers en viel. Ze pinkoogde, blies

een dikken rookpaf over het gulden schermhoedje van een kandelaar. Ze

zweeg.

Eene dienstmeid bracht het theebord, schoof het op een lichte schraag

nevens het rooktafeltje, schonk in en lei op het volle kopje van Sörge

een verdroogd aromatisch bloempje, dat zacht-ommedraaiend in de geurige

dampen zwom. Wanneer ze, weggaande, de deurgordijn had dichtgeschoven:

--Het is nu dan, begon Sörge, het oogenblik om van dichterbij onze

verhoudingen te bepalen. We kunnen dat redelijk doen ....

--We kunnen dat ook ongedaan laten. Wat wilt ge halen uit deze

doode asch?

--Misschien het vuur dat gij er niet onder vermoedt .... misschien

de verzekering, Milly, dat er geen vuur meer verborgen ligt. Eene

minachting, zooals de uwe, is dikwijls een vorm van huichelende

lafheid. Wij kunnen bij een grondig en beredeneerd onderzoek van

onze betrekkingen niets dan winnen--en al wonnen wij er slechts een

wederkeerige toegeeflijkheid bij voor eigen overmoed en eigen zwakheid,

is het dan nog geen baat?

Hij lepelde peinzend in zijn kopje, vervolgde zonder opzien:

--Ik noemde u jaloersch, omdat gij in mij geen vertrouwen meer schijnt

te hebben. Hoor ik nu niet dat ge mij niet meer bemint, en mag ik

niet daaruit besluiten dat gij ook in uzelve meer vertrouwt? Maar,

beste Milly, is iemand die niet meer bemint, bij de verklaring van

zijne onverschilligheid treurig en verslagen, gelijk gij mij op dees

oogenblik voorkomt te zijn? ....

--Ik herinner me dat ik u bemind heb.

--Betreurt gij het oude mes dat versleten is, Milly?

--Neen. Ik kan niet verbergen dat ik het versleten heb door overdadig

en onvoorzichtig gebruik. Ik ben niet zorgzaam geweest. Het verleden

is vol met iets dat ik mis in mijn ijdelheden. Ik zeg niet dat ik

mijne liefde gedood heb--helaas! dat zelf, kan ik tot mijn troost

niet zeggen!--maar zij was reeds stervende, als ik ten volle hare

schoonheid heb beseft. Gij waart mij voor, Rupert. Uwe liefde was,

van in den beginne, het groote gewetensvolle en aandachtige gevoel,

dat de mijne pas dezen winter voor mij geworden is. Ik ben zooals de

blinde die in den avond weer ziende wordt en klaagt dat hij de zon

slechts bij haren ondergang ziet.

--Verzinsels, Milly. Maar gij spreekt zeer aardig. Hoe zult gij nu

uitleggen dat elk van ons beiden overtuigd is dat de andere zich de

ontkenning van zijne liefde opdringt? Want gij hebt gezeid dat ik

mij inbeeldde u niet meer lief te hebben. En zie! dat zeg ik juist

van u. Als het waar is dat wij samen ons dat inbeelden, mijlieve, dan

gebeurt het wellicht dat wij langs een keerpunt van onze ontwikkeling

ons gaan omwenden en dat, den draai voorbij, ons sterker dan ooit de

liefde grijpen zal. Denkt gij niet?

Ze stond recht, rankte keurig uit in de malsche vouwen van haar

fluweelen kleed, en bracht hare handen, als om er een speld te

schikken, over hare in kroon opgestapelde haarvlechten. Ze schudde

zachtjes haar hoofd en sprak:

--Ik denk, Rupert, dat het noodeloos is ons zelf te beliegen. Op dit

oogenblik, en sinds maanden reeds beeldt ge waarlijk u in dat ge voor

eene andere liefde vaardig zijt. Ik weet het beter. Gij bespiedt zoo

nauwkeurig het spoor van uwe indrukken op mij, dat gij hebt verzuimd

in uw eigen ziel te blikken, en wat daar nog leeft, waant ge dood. Ik

herinner me dat ik eens in de koorts van mijn wanhoop tot u ben gekomen

en dat gij toen zeer behendiglijk de gelegenheid waargenomen hebt om

mij te beloven dat ik, eer ge trouwen zoudt, u moest verlaten. Hadde

ik geen aanleiding gegeven tot zulke belofte, zoo waart gij wellicht

minder wreed geweest. Ik besef thans mijn ongelijk: ik heb, helaas! die

belofte aanvaard. Nu wacht gij verduldig. Uw rol is lijdzaam en uwe

inzichten onfeilbaar. Zes maanden wacht ge alzoo. Wekelijks ontbood

ik u een of tweemaal, en gij kwaamt. Op geen stonde hebt gij u

onverschillig getoond. Gij beantwoordt mijne drift met het oprechte

geweld van de uwe. Uwe liefde zonk nooit onder de gretigheid van de

mijne. Maar gij hadt er u op voorbereid dat, als ik zinken zou, gij

tevens zoudt gaan zinken, en ik voelde telkens uw loerend onderzoek,

uw inschikkelijk onderzoek .... of ik niet aan het zinken was. Ik

heb mij daarvan willen overtuigen, ik heb tien dagen lang beproefd

u niet bij me te roepen. Ik verwonder mij over het gemak waarmede ik

dat gekunnen heb, maar ik begeerde u niet meer, Rupert .... Gij, ge

kwaamt niet. Uw rol was immers: wachten. Waarom hebt ge niet langer

door gewacht dan? Ge komt vandaag .... Rupert, lieve, ik begeer u

niet meer. Gij komt te laat voor mij, en wat ondertusschen met mij

is voorgevallen, gebeurt te vroeg voor u.

--Te vroeg voor mij, Milly?

--Gebeurt te vroeg voor u. Want nu gaat over mijne liefde de zon onder,

en ik ben de blinde die, in den avond, pas ziende wordt. Ik verlaat u.

Hare armen waren langzaam neergekomen en hingen nu over hare lenden, in

een dubbele plooi van haar rok. De glans van het roode schermhoedje op

den kandelaar verlichtte, langs onder, hare kin en de zachte welving

van hare wangen. Rupert bleef stil. Hare stem zonk.

--Ik verlaat u, en gij bemint me nog. De nacht is in mij, en gij

bemint me nog. Zoo hebt gij u misrekend. Zoo is, in al deze ellendige

verwikkelingen, welke gij met geduld over ons gesponnen hebt,

zoo, in al de mizerie van uw cerebraal peuterwerk, is eindelijk uw

nederlaag. Ik kijk u aan, en mijn hart is gesloten.

Rupert dronk in éen adem zijn kopje ledig, liet het lepeltje

neertinkelen binnen de randen en, terwijl hij het tasje voorzichtig

neerzette op het groote theebord:

--En gij verlaat mij dus, zei hij.

--Ja.

--Ik had dus goed voorspeld: ik niet, gij verbreekt onze betrekkingen.

--Gij zoudt niet kunnen. Ik verlaat u, terwijl gij me nog verlangt. Gij

zult dikwijls roepen op me, want ik weet dat gij mij tot een onmisbaar

deel van uw eigen wezen hebt gemaakt. Als ik weg ben, zal u iets

ontbreken. En ....

--En gij? Gij, ja, Milly?

--Ik zal zijn wat er van mij overblijft, nadat ik niets was buiten

u. Ik zal misschien herworden wat ik was, vóor ik u kende. Ik weet

het niet. Maar wat ik weet, Rupert: geen van mijne gedachten zal u

toebehooren. Wat ik zal zijn, zal niet door u bestaan.

Rupert was rechtgestaan. Hij kruiste zijne armen over zijn borst,

glimlachte geluideloos.

--Ik heb medelijden met u, sprak hij.

Ze lengde zich uit op hare teenen, fronste hare wenkbrauwen en verhief

hare stem:

--Ge bedriegt u alweer, lieve. Wat ge voelt jegens mij, is geen

medelijden. Gij vraagt de aalmoes van mijn deernis, maar ik zal

edelmoedig genoeg zijn om u die niet te geven.

Hij reikte nu zijne beide handen naar haar toe en knikte wenkend. Ze

deed alsof zij 't niet merkte, keerde zich om, zette langzaam

zich weer in de witte sofa neer. Ze verschoof op het rooktafeltje

den rood-glanzenden kandelaar. Er kwam eene stilte. Rupert ging

insgelijks op het roode poefje zitten gelijk te voren. Hij vingerde

een sigaretje uit den open koker, stak het aan, blies ruchtig den

damp wijd uit. Hij leunde nadien met zijne ellebogen op zijne knieën,

schijnbaar in gepeinzen verzonken.

Er was zoo binnenshuis geen lawaai. Een zacht geruisch wandelde

buiten, waar men, in den grooten tuin, de avondwindjes voelde

ommegaan. Het boudoir scheen dicht en eenzaam in zijne witte en

geel-roze muren omsloten en, met zijn rijke geuren, van de overige

wereld verwijderd. De elektrische kroonluchter, die midden de zoldering

laaide, was gelijk de gloed van een roerloos en luisterend leven.

--Milly, zei Sörge eindelijk, het zou mij spijten, moesten we zoo

scheiden van mekaar. Als wij scheiden, kunnen wij het niet anders dan

onherroepelijk doen, en nu vrees ik dat uw toestand niet langs alle

kanten door u werd onderzocht. Bedenk dat ons nooit iets mag berouwen

over al hetgeen wij in het opzicht van onze scheiding zullen gezegd

en gedaan hebben. Onze scheiding moet de geleidelijke uitkomst zijn

van onze liefde. Zij moet gebeuren in onzen geest, nadat ons hart

voor altijd heeft opgehouden te spreken. Begrijp dan hoe ik jegens u

gehandeld heb. Ik heb alleen u vóor oogen gehad. Ik ben niet eer bij

u gekomen dan als ik zeker was dat gij wachtet op mij. Ik had, eer

gij zelf 't inzaagt, bemerkt dat de oogen van uw verstand opengingen

op het instinktmatig bedrijf van uw liefde, en het genot dat ik aan

u had, zou nu anders gaan worden. Het gebeurde, Milly, een korten

tijd na onze komst in Brussel; en wanneer ik u voor het eerst zag

de roode shop binnengaan, wist ik dat ge de prooi waart geworden

van uw angstig geweten. Ge betrouwdet mij niet meer. Ik deed niets,

niets om dat betrouwen weer te winnen, wijl ik ook niets had gedaan

om het te verliezen. Gij waart alleen aan het handelen. Ik vermoedde

toen niet dat dit geheele proces tegen u zelf moest uitdraaien. Ik

meende dat het, in een koortsigen uitval, tegen mij zich oplossen

zou. Ik duchtte dit niet. Heerlijker dan ooit ware onze liefde uit

zulken strijd opgerezen.

Hij wachtte. Hij joeg met een tikje van zijn nagel de asch van zijn

sigaret boven zijn theekopje uiteen.

--Maar, vervolgde hij spijtig, het is voor mij bezwaarlijker u tegen

uzelve te verdedigen. Ik heb mij ingebeeld dat ik u mocht laten

begaan. Dàt was eene fout. Ik liet u naar beliefte handelen. Ik kwam

als ge mij ontboodt, en verwachtte ook, binst deze laatste tien dagen,

elken morgen uwe uitnoodiging. Indien ik vanavond toch en ongevraagd

gekomen ben, was het om te zien of gij nog in Brussel waart. Ik verberg

u niet dat ik mij aan een dwaasheid verwachtte, en een plotselijke

vlucht zoude mij niet verwonderd hebben. Dat die vlucht dan toch

tijdelijk zou zijn, kon mij in dat geval wel geërgerd hebben. Verlaat

mij, het is goed, doch laat het voor altijd wezen. Wat mij betreft,

Milly, ik ben, wat ik jegens u altijd geweest ben. Ik kan verdragen

en dankbaar zijn dat ge bij mij blijft; maar, moet ge mij verlaten,

ik zal niet verdragen dat ge terugkeert.

--Gij zult mij smeeken om terug te keeren, viel hijgend Milly hem in

de rede.

--Geloof dat niet.

Ze sprong gekwetst overeind. Hare vuist raakte het lichte tafelblad

en de kandelaar, die omknikte, viel zonder vlam op het tapijt in zijn

dooden schermhoed neer. Bleek was ze en onverkennelijk. Een schichtige

gloed schoot onder de schaduw van haar voorhoofd in dubbele bliksems

uit. Ze beefde.

--Wees, riep ze, wees dan toch beleefd genoeg om het mij te

laten gelooven! Hardvochtige! gij hadt nooit mij, maar ú lief,

ú alleen! Daarom zult gij roepen dat ik terug moet komen .... Ik ben

iets van u geworden, iets waar ge uw eigen in weervindt, en ik ben van

u een lid dat, als het wegvalt, u onvolledig maakt. Gij zult de leemte,

welke ik in u achterlaat, met niets, met niemand invullen. Huichel

niet langer! Durf dit aanzien! Verberg niet onder nieuwe leugens

den angst die u beklemt. Ik zie in uw ijzig hart. Het is even gelijk

aan het stuk ivoor, dat ge betast met uwe vingeren en dat levenloos

het warme leven van uwe handen op zijne koude lenden draagt. Maar,

Rupert, al rilt het niet bij uwe bangheid, éens, Rupert, hoor mij,

hoor mij, eens zal ik het zien roeren!

Ze zocht hare woorden, stiet ze tusschen hare tanden met schokken

naar Sörge toe, was als verloren in lange zinnen, welke zij doelloos

opzette. Ze vond niets, dat ze wel wist dat hem treffen zou. Een

wilde razernij joeg op in haar, zwol in hare longen, daverde in haren

adem. Ze krabde over het fluweel van haar kleed. Ze werd heesch,

zakte en viel op de sofa.

--Ge zijt laf, laf, laf, deed ze hakkelend.

De snikken braken hare stem, reutelden in hare keel, en ze ging aan

het huilen. Ze lag voorover op hare armen, tegen de witte leuning. De

krans van hare grauw-glanzende haarvlechten lag los in haren hals.

Sörge naderde haar. Hij lei zijne hand zeer lichtelijk op haren naakten

schouder, neigde langzaam over haar, drukte al meer en meer met zijne

vingeren. Zijn adem kittelde nu op de randen van haar oor.

--Milly! Milly! fluisterde hij.

Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven · 第 18 / 35 段