vinden om een van ons bij Simon binnen te leiden. Daar mag anders
niemand bij. De politieke belangen van de Regeering laten niet toe
dat een van de zeven gevangenen bezoek ontvangt .... Er zijn zeven
gevangenen en Simon is het minst van allen beladen. Mijnheer Sörge
heeft aanzienlijke betrekkingen in de diplomatische wereld, en beweert
dat hij het wachtwoord wel breken zal. Hij is zeer invloedrijk .... Ge
kunt ook eens bij Simon gaan, dan.
--Ja.
Ze sprak zeer flauw en mijmerde voort, onachtzaam luisterend. Toen
richtte ze zich half overeind, leunde met haren elleboog op het
hoofdkussen en streek langzaam de zware vlechten weg, die over
hare slapen vielen en op hare wenkbrauwen wogen. Ze blikte lui naar
het tafeltje dat niet ver van haar bed stond, en waar een heerlijke
rozentuil zijn broze kronen in een frisch gedoezel van wit en geel-wit
en roos-wit liet kleuren. Even schoot een luchtig leven over hare
groene oogen.
--Weer bloemen? vroeg ze.
Hare lippen bleven zacht-open op het woord. Ze waren nat en
kraalvervig, en eene glimmende pereling van tanden glimlachte
ertusschen. Ze bewonderde kinderlijk den tuil.
--Ja, knikte Vere, verheugd dat Francine haar ongeluk bij een trossel
rozen vergat; en weer heel mooie bloemen .... en weer van mijnheer
Sörge ook.
--Ik dank hem zeer.
Ze vroeg om er een te houden in hare handen. Ze raakte de killige
blaadjes en liet den geur lang opgaan in haar hoofd. Dan stak ze de
roos op Vere's borst, werd zeer bedrijvig, koos het beste plekje om
ze er vast op te spelden, en deed zoo opgeruimd, als zij ooit eenig
spel in haar leventje gespeeld had. Ze kuste Vere. Ze vingerde over
een knoopje van Vere's mouw.
--Hoor eens, fluisterde ze naderhand, neerblikkend en blozend,
weet ge nog wat ik u gezeid heb .... van Simon ....? Ik wil niet,
dat ge er met iemand over praat, ook niet met Ernest .... met niemand
.... Wilt ge? Ik zal 't zelf zeggen. Beloof mij dat ....
Vere lachte en schudde haar hoofd. Ze tikte over Francine's kin,
noemde haar een oolijk lieverdje en gaf haar meer andere namen,
waarbij moest verstaan worden dat Francine een behaagziek, ondeugend
en beminnelijk meisje was.
--Ik beloof het u, sprak ze, en ze wisselde tweevoudig den kus,
dien ze om te beloven, gekregen had.
Francine lag vier weken te bed en moest dan nog drie weken in hare
kamer blijven. Ze werd stilaan het spelend, wispelturig en minzaam
kind van vroeger. Alle dagen liet Sörge bloemen brengen voor haar en
vragen hoe zij 't stelde. Einde April kwam zij voor de eerste maal
in het salon. Zij was niet veranderd.
Het gebeurde omtrent dien tijd dat Sörge de toelating verkreeg
om, gedurende tien minuten en in het bijzijn van een cipier, twee
personen bij Simon Peter binnen te leiden. Ernest dankte zijn vriend,
en Francine deed ook haar best om hare erkentelijkheid te toonen,
waarin zij slaagde met het grootste gemak. Er werd geloot om te weten
wie met haar zoude medegaan. Het goede lot viel op Pastoor Doening.
Ze vertrokken vroeg in den morgen, met waaiweer. Aan alle hoeken der
straten zag men rokken omvlaggelen en hoeden opgaan in de lucht, daar
wentelen en cirkelen en dan loodrecht neerstekken tegen de steenen. De
wind hoorde men zoo even boven de huizen, roefelen over de daken en
schuifelend klagen in de telefoondraden. Hier en daar ontsloot hij een
vensterluik, botste tegen een deur en deed de slotklink springen. De
menschen liepen gebogen. De straatbengels hadden veel pret. Papiertjes
vlogen ....
--He-wel! zei zoetjes Pastoor Doening, wat zult ge zooal vertellen,
mijn kind?
--Wat? vroeg Francine verwonderd, van alles! Dat ik genezen ben. Dat
wij geen rijtuig genomen hebben, omdat ik zoo dolgaarne in den wind
dril. Dat hij nu maar gauw moet vrij zijn ....
--Zeker .... zeker.... dat is veel, ging dubbend de grijze pastoor,
maar hebt ge hem niet zoo iets heel bijzonders .... ja, wat wil ik
geven als voorbeeld? Ik weet natuurlijk niet wat ge zoudt kunnen te
zeggen hebben. Dat weet gij beter. Let wel, we hebben geen minuut
over de tien, geen sekonde! We moeten den tijd goed gebruiken.
Francine was ook van dezelfde meening; maar ze begreep niet recht
goed wat de pastoor bedoelde met dat "iets heel bijzonders." Misschien
begreep ze 't te goed, want zij dierf niet aandringen en liet aan het
toeval over den tijd te schikken en hare woorden te regelen. Pastoor
Doening was tevreden dat hij haar geestje aandachtig had gemaakt.
Ze werden seffens binnen de gevangenis toegelaten. Een heer leidde hen
in eene spreekkamer, en daar wachtten ze een tijdje. Simon kwam. De
heer bleef staan in het deurgat.
--Dag, Simon! klonk seffens het blijde stemmetje van Francine.
Hij deed een stap, en men zag dat een groot pak lijden oplichtte boven
zijne borst, omhoog wegdampte en zijn lichaam bevrijdde. Hij werd rood
en zijne oogen glinsterden. Zwijgend stak hij zijne beide handen uit.
--Dag, Simon! klonk lager de heesche stem van Doening.
Simon lachte gul, zenuwachtig, schudde rap zijn kop om in zijne keel
iets los te krijgen, dat hem hinderlijk was en zijn stem smoorde. Hij
drukte de kleine hand van Doening en het heel kleine handje van
Francine. Die vier handen beefden daar.
--Ik dierf, stamelde Simon, het niet hopen dat ik u zien zou ....
Pastoor Doening vertelde dat mijnheer Sörge voor de toelating gezorgd
had, en dat hij er nog een zou bekomen voor Donaat en Cordule, de
ouders van Simon. Het trof Simon zeer dat hij dit geluk aan Sörge te
danken had.
Hij keek Francine aan. Nooit had hij haar zoo aangekeken, nooit had
hij het gewaagd, en nu nog meende hij dat hij het niet wagen zou;
maar hij was bedwelmd en al wat hij sinds jaren in het diepste van
zijn hart heimlijk had vastgekerkerd, 't sprong nu met één vuurwip op
in de glansen van zijne oogen. Pastoor Doening wendde zich even af,
om, met een vreemde en onverwachtsche aandacht, het bronzen vatsel
van het vensterraam te bewonderen.
--Beste Simon, zuchtte Francine geroerd, wat beklaag ik u, wat ben
ik bang voor u!
--Doe dat niet. Ik zie u. Hoe rustig zal ik nu dat zicht bewaren!
--Zeker? Ik ben er waarlijk blij om. Wij spreken gedurig over u. Sörge
zegt dat hij u vrij zal krijgen.
--Zegt Sörge dat? .... Waarom zegt hij dat? ....
--Hij heeft veel invloed. Wilt ge een bloempje hebben van me? Dit ....
Het bleek roosje dat ze op de kraag van haar mantel had gestoken,
reikte ze hem. Onderwijl vertelde ze hoe het huis, van na zijn vertrek,
in rep en roer stond, hoe zij zoo langen tijd was ziek geweest,
en hoe zij nooit opgehouden had aan hem te denken. Simon fluisterde:
--Aan mij? Aan mij? .... Weet gij, Fran, de waarde van uwe woorden?
--Zwijg stil, malle jongen! .... (ze bloosde, hare vingeren trilden
vlug). Hoe zoude ik dat niet weten?
Toen boog hij zich en bracht lang die vingertjes aan zijne bevende
lippen.
Daar de grauwe heer die roerloos op den drempel wachtte, nu
teeken deed op het ronde plaatje van zijn horloge, namen pastoor
Doening en Francine afscheid van Simon Peter. Zij lieten hem in het
spreekkamertje, waar hij, recht-op en strakkijkend, hen met eene wilde
en te gelijk aandoenlijke gretigheid nalachte. Daar was in dien lach
een wereld van liefde, van hoop, van onmacht en vertwijfeling ....
Francine kwam opgeruimd thuis.
--Goede pastoor, had ze onderwege gevraagd, docht het u dat, gelijk
gij 't vroegt, ik iets bijzonders heb weten te zeggen?
--Het dunkt mij, het dunkt mij! knikte pastoor Doening fluks en
dankbaar.
--Ho! .... En wat was het?
Pastoor Doening keek schielijk op, schrikte. Ze sprak zoo
kinderlijk-verwonderd, liet den vollen daghemel klaren in hare groene
oogen, pink-wimperde geheel verbaasd. En pastoor Doening:
--Wat het was? Vraagt ge wat het was? deed hij.
--Ik vrees dat ik het zelf wel weet .... maar zegt gij 't algelijk ....
--Heeft hij u niet naar de waarde van uwe woorden gevraagd? En hebt
gij de beteekenis ervan niet nader bepaald? Laat ons voorzichtig zijn,
kind, laat ons uitermate voorzichtig zijn.
--Ja .... voorzichtig .... Vertel er dan niets van aan Ernest, noch
aan Vere .... Mag ik dat hopen?
Pastoor Doening, meteen gerustgesteld, schuddebolde goedig, wenkte
met zijne slimme oogjes een opvallend gedacht toe, dat hij jegens
een grillig en hartelijk meisje niet uitdrukken wilde, en beloofde
dat hij zwijgen zou als een graf.
Francine bleef, de dagen die daarop volgden, blijgeestig en toonde zich
jegens iedereen ongemeen vriendelijk. Met Mariëtte, haar kamenier,
deed ze alle ochtends een voetwandelingetje in de stedelijke warande
of reed in de open kales door de lanen van het Terkamerbosch. Ze vond
een soms uitbundige pret in 't naloeren der oplevende natuur. Ze
wist, achter den kiosk van 't Park, een naakten lilasstruik, waar
ze telkens den groei van vette botten ging bespeuren. Ze telde ze,
ried de kleine blaadjes, die allengerhand zichtbaar werden, hun
tipjes lieten uitpunten en geleidelijk hun best deden om buiten de
bruin-glimmende sluts te springen.
Ze zag, in het woud, hoe eene lichte kleur in het fijne getwijg
der breede boomkruinen begon te spelen en hoe de schuinsche en
tusschenpoozende zon erlangs zilveren kwam. Eens stapte ze uit het
rijtuig om, in het jonge groen van een barm, een eenzaam madeliefje te
plukken. Andermaal deed ze de paarden hard loopen en voelde wellustig
de waaiing van de frissche lucht over haar voorhoofd strijken.
Toevallig, op een morgen, ontmoette ze een ruiter die, niet verre
van den vijver, naar haar toe zijn paard de sporen gaf. Ze zag
hem naderen. Hij reed sierlijk, als vastgeregen aan den zadel. Het
water dat achter zijn bruin-schaduwende gestalte vlak uitklaarde,
rilde zijig, staalstippelend onder het rusteloos koeltje en over de
violette glansen van het waterdiep.
Het was mijnheer Sörge. Hij groette op afstand en hield even zijn
paard stil. Ze boog langzaam haar hoofd en reed door. Een lange pooze
bleef ze in mijmering verzonken, niet luisterend naar wat Mariëtte
haar vertelde onderwijl; toen vroeg ze plots:
--Hoe was weer de kleur van dat dasje?
--Wiens dasje, juffrouw?
--Om den Hemel, Mariëtte! viel ze uit, met éen blik lastig en lachend,
waar zijn toch uwe gedachten?
Mariëtte wilde wel medelachen en ze deed het ook, terwijl op hare
lippen lag de vraag "waar eigenlijk de gedachten van de juffrouw
verwijlden." Het oogenblik daarna:
--Me dunkt, sprak Francine zeer ernstig, dat mijnheer Sörge wel een
anderen weg kon kiezen. Hadt gij hem van verre herkend?
--Neen, juffrouw.
--Ik .... ook niet .... Mariëtte .... Ko! nu weer wat hollen,
alsjeblieft!
En ze kreeg, met een zonneklets, te gelijk den wind vlak in het
aangezicht.
Francine had, gelijk vroeger, haar leventje ingericht. Haar beste
vriend, meende ze, was mijnheer du Bessy. Met hem kon ze de winkels
afloopen, een uurtje in den tuin van het Vauxhall zitten, en tateren,
iets waarnaar hij niet luisterde, of niet luisteren naar iets wat
hij zei. Ze vonden zich allebei goed te zaam en ze handelden allebei
elk op zijn eentje. Mijnheer du Bessy was nooit verwonderd als zij,
bij een concert, ineens voor den afloop van een muziekstuk opstond
en weg wilde. Zij, van haar kant, kon seffens vergeten dat hij een
verlangen uitdrukte, hetwelk hij na een kort wijlken zeer goedkoop met
een andere begeerte verwisselde. Zij praatte over een lintje en hij,
als antwoord, over een manchetspeld. Ze verstonden malkander vrij goed.
--Het leven, placht mijnheer du Bessy te zeggen, is eene opvolging van
oogenblikken, waarvan men het eene niet kan loslaten eer het andere
gekomen is, maar waarvan men het eene ook niet volhouden kan als het
andere reeds aan de beurt is.
Hij bedoelde daarmede dat zijn leven, juist door de verscheidenheid
van al zijne oogenblikken, zoo wonderbaar kon aandoen. Hij gaf dit
uit als een orakel en allerminst als eene verontschuldiging voor zijne
lichtzinnigheid. Francine, die binstdien haar hoofdje met wat anders
bezig hield, gaf hem volkomen gelijk.
Mijnheer du Bessy had het ook bijtijden over de liefde en, al merkte
hij het niet, hier trof hij bij zijn nichtje een dankbaarder gehoor
en een vluggere aandacht. Hij zei dikwijls:
--De liefde, beste Fran, is sterker dan de jeugd. Zij is de dwingeland
van de jeugd en, let wel op! zij maakt een oud man tot een jongeling.
--Zou zij u tot een jongeling kunnen maken? vroeg nuchter en lichtelijk
Francine.
--Dat zou ik denken! riep mijnheer du Bessy, dat kan ze, geloof me!
--En wat zal ze maken van mij, Oomken?
--Van u? Wel, dat ben ik eens erg benieuwd te zien .... wat zij van u
maken zal! Misschien, gelijk bij al de andere, een ding waar men niet
wijs uit raakt, een ding vol logentjes, vol listen, vol wreedheid,
vol tranen .... een onmenschelijk ding.
--Waarlijk? .... Een òn-menschelijk ding--zeg maar een foltering!
--Nee. Mis!.... Een speelgoed, waar men zich aan zal bezeeren.
Francine moest telkens met Oomkens zottigheden hartelijk lachen,
doch Mariëtte vond haar dan 's avonds, op hare kamer, schreiend van
onbegrepen wee.
In den beginne van Mei kwam Rupert Sörge met de goede tijding dat ook
de ouders van Simon Peter bij hun zoon zouden toegelaten worden. Hij
bleef dien dag mee soepeeren en was aan tafel zeer opwekkend en zeer
kiesch. Francine, integendeel, kon eene groote verslagenheid niet
bergen. Na het eetmaal wilde ze over Simon praten. Hare stem faalde
en tranen schoten haar in de oogen. Sörge merkte het dadelijk op en
ging met Ernest in de veranda eene sigaar opsteken.
--Vere! Vere! kloeg Francine, terwijl ze over de leuning van haar stoel
hare handen op Vere's schouder lei, ik word weer zoo angstig! Ik denk
weer aan zulke akelige dingen--weer aan die donkerheid in Simon's
kerker, en aan die tralievensters .... Ach! we moeten hem allemaal
zoo innig, innig liefhebben .... we mogen hem toch nooit verlaten,
niet waar?
--Maar, beste kind, wie spreekt van verlaten?
--Ik voel dat .... soms .... Het is zoo pijnlijk ....
Die weeke aanval was gauw over, en Francine was naderhand weer
goed geluimd, haast vroolijk. Op een voorstel van Sörge, welk hij
zeer beleefd met inzicht op Francine's teergevoeligheid motiveerde,
werd besloten dat hij zelf met haar, 's anderen daags in den morgen,
de ouders van Simon Peter zou gaan verwittigen. Francine had, in een
rappen bloedsoploop willen weigeren. Ze bedwong die ongemanierde
beweging, die echter aan Sörge niet ontsnapte, en stemde gaarne
toe. Een blosje gloeide onder hare oogen. Zij ging met koorts naar bed.
Heerlijk was die ochtend. Hij kwam met zonnevingeren tokkelen tegen
de hooge ruiten van Francine's kamer en joepte geluideloos, als
een poesjenel van doorzichtige kleuren, binnen alom. Hij had over
Francine's bed, tot op haren schouder, zijne hemelklare hand geleid
en dreef ze zachtjes, zachtjes hooger. Hij taakte haren blooten hals,
waar matelijk opsloeg de malsche aderslag, raakte nadien hare kin,
kroop verder op en verfde met een wonderbaar karmijn hare half-ontloken
lippen. Hij ging op twee tanden tikkelen en deed er iets roeren,
als paarlemoer en zilver. Dan wipte hij over het tipje van haar neus
.... Francine rustte, ademde stil, voelde de speling niet van die
traagopschuivende hand. Maar nu, als eindelijk het licht hare wimpers
trof, opende ze fluks en wijd hare oogen, keek verward rond, droeg,
één wijlken, den lichten zonneduim op de groene trilling van hare
blikken. Het was dag!
Aan Mariëtte, die haar aankleeden kwam, vroeg ze gulzig, hare longen
opdikkend:
--Zou het toch volop Lente worden?
Zij hoorde op de daken en in de geel wordende olmen der laan een
vroolijk gepeupel van musschen tjilpen. Mariëtte, binst dat ze
Francine's hoofd omvingerde en de gulden haarstapeling met drie
écaillespelden doorstak, hield haar aan den praat.
--Als juffrouw nu maar niet zoo koortsig wordt als gisteren. Juffrouw
ziet er goed uit vandaag.
--Ja? Is het zeker? Ik zal dat bleek-grijze rijkostuum aantrekken,
Mariëtte.
Ze had pleizier in alles wat omging en kleurde rond haar, hield zich
op met den vorm van een strikje, zoolang tot het gesnoerd was naar
haar zin. Ze was geduldig, beter: ze deed gaarne al wat ze deed,
maakte zich niet lastig om eene vergissing of een onhandigheid.
In de eetzaal nam ze haar ontbijt in gezelschap van mijnheer du Bessy,
en ze lachte en ze schaterde nooit meer dan dien morgen. Omtrent
tien uren werd ze onrustig. Ze luisterden naar Oomken niet, lag in
een zetel en volgde, lang-blikkend en onachtzaam tevens, de vaart
van wentelende stofkens in een schuinsche zonnestreep. Terwijl het
tien uur sloeg, hinderde ze zich aan het trage geklep van de klok,
en seffens vroeg ze, verward:
--Is het al niet later dan op dat vervelend horloge?
Oomken wilde met eene aardige bespiegeling opduiken, betrekkelijk
de zeer ordelijke levenswijze van den god Kronos; maar hij werd
onderbroken door het getrippel van een paard vóor de deur en de
intrede van Ko, die mijnheer Sörge kwam aanmelden.
--Ko, vroeg Francine scherp, is Joep gezadeld?
--Ik weet het niet, juffrouw, ik heb althans geen orders ontvangen
.... Ik wil zien ....
Francine schoot uit in eene korte, pijnlijke woede, waaronder Ko en
Oomken beiden even verbaasd stonden en aangedaan.
--Gij hebt wèl orders ontvangen. Joep moest vóor tien uren klaar zijn.
Ko vertrok en Francine stampvoette. Mijnheer du Bessy, die in Ko's
bedrukt gezicht wel zag dat de oude man geen schuld had, wilde hem bij
zijn toornig nichtje vergoelijken, begon eene ingewikkelde uitlegging,
waaruit blijken moest dat er wel orders gegeven doch geen ontvangen
waren. Francine barstte los in een luiden lach, werd geheel rood en
beval aan Oomken dat hij haar seffens kussen moest. Hij deed het
gewillig, toen juist Rupert Sörge de deur openstak. Sörge boog,
wachtte.
--Kom binnen, verzocht Francine minzaam; hier hebt ge Oomken, die
ondeugend is.
Ze werd naderhand weer zwijgend en ernstig, tot ze al lang te paard was
gestegen en onder de doorzichtige olmen om de stad voer over de lanen.
De Meizon was overal bedrijvig, wierp in haar blikkerend licht de
lang-blauwe schaduwen van de boomstammen uit en spetterde op de witte
gevels, op de zwarte glazuurkappen van rijtuigen en op de groene lenden
van glansvensterende trams. Het dooreenloopend volk roerde in haar
kleurenspel. Francine en Sörge reden zijde aan zijde op kleinen draf.
--Naar uw beliefte, juffrouw, sprak Sörge, kunnen wij langs de
Louizalaan omloopen. De weg is wat langer, maar wij hebben aarden grond
langs daar en het ritje kan, wat mij betreft, niet lang genoeg zijn.
Francine hadde willen zeggen dat zij niet van komplimenten hield,
vooral niet op de wandeling, en dat overigens Simon's ouders nooit te
gauw het blijde nieuws konden weten. Ze voelde een grooten drang om
iets te breken in de nauwgezette en strenge beleefdheid, welke Sörge,
gelijk een benauwd floers, weefde om haar. Strak keek ze vóor zich uit,
verdiepte dat vreemde gevoel, zocht, binnen de zonderlinge verwarring
van hare gedachten, het middel, het woord dat zij bij wijze van een
aanval of eene verdediging aanwenden kon. En ze antwoordde:
--Geleid mij. Ik zal u rustig volgen.
Dan, seffens, was ze kwaad dat ze zoo geantwoord had. Sörge sprak,
met eene zwierigheid en eene stembevalligheid, welke zeer eigenaardig
uitschenen bij sommige verdraaiingen van zijne uitspraak, over
lichte en verscheidenlijke zaken. Hij wist met den toets van een
raak gezegde een verf of een klank te taken, een beweging of eene
roerloosheid. Telkens weigerde Francine op te kijken en telkens keek
zij op, benieuwd, begeerlijk of getroffen. Hij vermoeide eindelijk
hare koppigheid en toen werd ze werkelijk angstig. Voor de eerste
maal sinds ze van huis wegwaren, keek ze hem aan. Met een stillen
helderen blik ontmoette hij hare groene oogen.
--Ik doe mijn best, sprak hij, na een stilte die den klop duurde van
een vierdubbel paardgekloef, om u niet toornig te maken.
--Hoe zoudt gij mij toornig maken, mijnheer Sörge? lachte ze.
--Om niet in toorn, bedoel ik, te laten overslaan iets dat woelt in
u, juffrouw.
--Ik geloof dat ge zeer scherpzinnig zijt .... Waan u echter niet
onfeilbaar. Wat woelt in mij?
De draf deed matelijk haar lichaam naar voren wiegen. Ze hield niet
op Sörge van terzijde te bezien. Hij mende los. Zijne hand lag op de
gladde maan van zijn paard.
--Ik hoopte niet dat ik zou toegelaten worden het u te zeggen,
juffrouw Francine ....
--Doe niet wat ge niet hoopt te doen.
--Inderdaad. Ik ben uw dienaar.
Een oogenblik meende zij dat hare bangheid in heeten blos ging
uitgloeien over haar gelaat. Ze wendde haar aangezicht af, boog zich,
klopte op den hals van Joep, haar wit paard, zag binstdien de grijze
zandbaan wegijlen, achterwaarts in een gulden zongesnipper.
Vóor het huis van den ouden Peter wachtte Takker in bruine
groomlivrei. Ze stapten af en gaven hem de teugels. Ze werden ingeleid
door de meid Sabine, die aanstonds met groot misbaar en luidruchtige
blijdschap de komst van juffrouw Francine bejegende. Ze groette, met
hare handen keer op keer plakbreed over hare heupen te slaan. Eene
roode vettigheid glom op haar breede wezen, en ze brak de glansen
ervan in de overdadige rimpeling van een boerenlach. Dit alles ging
gepaard met woorden van vereering en dankbaarheid, waaruit men te
gelijk besluiten kon dat Francine eene hooge dame en bovendien een lid
van Sabine's familie was. Ze stiet de deur van een salonnetje open,
schikte nog even de stoelen, draaide de gordijnen op, die gedurig deze
kamer in eene dompige donkerte hielden, en drilde, onder meer betuiging
van eerbied en vriendschappelijkheid, langs het voorportaal weg.
Het docht Francine dat hier de lucht zoo koud was en de dag zoo
levenloos. Drie keeren had zij de ouders van Simon in dit huis
bezocht, en nu, de vierde maal, herkende zij het huis niet meer. Ze
keek beteuterd rond. Hoe armzalig kwam haar de zwaar-burgerlijke
meubileering voor, hoe smaakloos de wandversiering, hoe lomp de
schouwklok, de kandelaars en den koperen kroonluchter. Ze had vroeger
nooit gemerkt dat de kamer kleurloos verlicht was en duffig rook. Thans
krenkte heel dit renteniersgedoe een paart van haar gevoel en schoot
meteen de vochtigheid van muren haar in den neus. Sörge vroeg:
--Verbleef hier mijnheer Peter, uw vriend?
Ze haastte zich met een antwoord dat, in hare bedoeling, Simon
voor de afschuwelijke inrichting van het ouderlijk huis moest
verontschuldigen. Ze deed het gretig, in een vloed van woorden, en
ze paaide alzoo binnen haar dat iets, wat van in den morgen Sörge er
zien woelen had. Ze riep, tegen Sörge en tegen haarzelve, den lof
uit van Simon en prees uitbundig zijne fijne manieren, zijn smaak,
zijn kunstzin, zijne goedheid.
Als ze erover uitgepraat was, had ze de schijnbare rustigheid van
iemand die meent, al is hij 't nooit zeker, dat men hem niets meer
verwijten kan.
De oude heer Peter en zijne vrouw kwamen arm aan arm binnen. Ze
waren allebei klein, Donaat mager en gebogen, Cordule lijvig en
thoopegezakt. Men kon niet zeggen dat Simon op een van beiden trok;
maar hij had, naar den bouw van het hoofd te oordeelen, de stevigheid
van zijn vader en, als men mevrouw Peter in de oogen blikte, de
geduldige lijdzaamheid van zijne moeder. Deze twee hadden al de hoop
van hun leven op hun kind gesteld. Ze waren tamelijk gegoed, leefden
stil, vergaarden, op 't einde van elk jaar, het spaarpotje van den man
en het spaarpotje van de gade, want Donaat bestierde zijne renten met
geslepen vooruitzicht en Cordule regelde hare keuken met huishoudelijke
zuinigheid. 't Zou al geld zijn voor hun zoon. Ze waren gelukkig. Simon
bezocht de akademie, werd naar Parijs en naar Rome gezonden, behaalde
op tentoonstellingen hooge onderscheidingen en zou gauw een beroemd
man worden. Hij was het licht van hunne oogen en de warmte van
hun hart. Hij had zijne ouders lief. Zij, ze hadden hem niet voelen
groeien; ze waren nog bezorgd om zijne gezondheid, zijne hopen en zijne
teleurstellingen, zijn omgang in de wereld. Ze konden hem niet meer op
hunnen schoot nemen en wiegen in hunne armen, maar ze wilden het alle
oogenblikken doen. Hij was hun boven het hoofd gegroeid, maar hij was,
onder hun hart, hun klein klein kindeken gebleven. Ze hadden het zich
nooit kunnen inbeelden dat hij eens trouwen zou, zich buiten hun dak
een eigen nest maken of, in dees oude huis, plaats ruimen voor een
vreemd kind. Zij dachten niet daaraan en zij wisten niet dat Simon
er aan kon denken. Ze hadden een zoeten, geleidelijken ouderdom.