--Toch niet die onschuldigen zelf?

--Toch niet het volk, Florjan, dat radeloos zich opwerpt tegen de

systematische uitbuiting door zijne dwingelanden! Den onschuldige treft

men--te gelijk echter wankt de macht van den dwingeland. Kunstmatig

is die macht, want zij berust op geen behoeften. De macht van een

volk is het leven van dat volk, en onweerstaanbaar.

Mijnheer du Bessy glimlachte stil. Hier moet in het voorbijgaan

gewezen worden op het heerlijk opgeruimd voorkomen van mijnheer du

Bessy. Sinds eenigen tijd leefde hij in eene genoegelijke stemming,

die nauwelijks door den dood van zijn kleinzoontje en de daaropvolgende

lijdelijke moedeloosheid van Vere gestoord werd. Hij had in zijne

lichtzinnige oogen het noodige gedaan om Vere op te beuren, hij had

een avondje medegeweend met haar, hij had het grafje met oprechte en

ongemengde aandoening bezocht en er op een morgen den wild-vromen

Lazare heengeleid, hij had er een half-bevroren bloempje geplukt

en het in een verborgen lade van zijn schrijfkast, tusschen gele

briefomslagen, verkleurde linten en oud-geurige gedichtjes weggestopt

.... dan had hij ineens alles weer vergeten en de zorgen van geduldigen

troost ten opzichte van Vere aan Pastoor Doening overgelaten. Men kon

hem bezwaarlijk een verwijt doen. Hij was zoo kinderlijk in al zijne

handelingen, hij speelde met het minste onderwerp en het luttelste

gerucht, en hij lachte maar, gulzig-pratend, zoodat dit nooit het

leed van Vere of de aandachtige bezorgdheid van Doening krenken kon.

Florjan Pacôme alleen wist de oorzaak van du Bessy's

blijgeestigheid. Hij sprak er nooit van; en mijnheer du Bessy, die geen

geweld deed om een geheim te houden, bleef in den waan dat men het hem

niet ontstolen had. Hij maakte verzen, waarnaast, in zijne meening, het

vurigste verlangen van een Dante een koeltje of lauw-water was. Zijne

akrostieken, rondeelkens, stanzen en madrigalen moesten beschouwd

worden als het puik van wat een beleefde en begeerlijke liefde geven

kon. Hij had het plan opgezet van een wonderlijke "Ars amandi, of

handleiding tot het aanwenden van keurige minnelisten." Kortom,

mijnheer du Bessy had het kuische hart van juffrouw Henriëtte

ganschelijk veroverd. Hij had voor haar een mooi appartement gehuurd

en noemde het "le nid des tourterelles."

Mijnheer du Bessy was sindsdien aangekleed met een gezochte keurigheid,

die weinig bij den natuurlijken ernst van zijnen ouderdom paste. Nooit

was zijn haar met rijkelijker glans geverfd en nooit krulden zoo

triomfelijk de tipjes van zijne zwarte knevels. Onder welke liefelijke

bewerking had hij de rimpeling van zijn voorhoofd geborgen? Zijne

wangen droegen een guitigen blos en zijne lippen hadden de natte

helderheid van dauw-malsche morgen-pioenen. Hij sprak losjes:

--Gij zegt het aardig, Simon, maar ik geloof u niet. Ik kan

tegelijkertijd hulde brengen aan de eerbaarheid van het gevoel

dat u beïnvloedt, en de ijlzinnigheid laken waarmede gij u bij deze

gelegenheid uitlaat. Gij heet heilig de rechten van het volk. Iemands

rechten moeten uitgaan van zijn natuurlijke geaardheid. Wat doet

gij eigenlijk? Aan het volk juist die rechten toekennen, waarvan het

nooit een redelijk gebruik kan maken. De gelijkheid der standen is

iets wat in geen eeuwen te bereiken is. Vraag in afwachting niet de

gelijkheid der rechten. Gij houdt u op met utopieën en, wat spijtiger

is, gij helpt mede aan eene maatschappelijke ontbinding, die op een

chaos van broedermoorden uitloopen zal. Uw ideaal is een figuurlijke

beeldstormerij.

Pastoor Doening luisterde goedig. Hij streelde, boven zijn zijden

sluier, de satijnen knopjes van zijn habijt en hij look ten halve

zijne oogen. Mijnheer du Bessy liet den indruk van zijn woorden binst

eene korte stilte werkzaam worden. Hij hernam nadien:

--De demokratische beweging is, mijn beste Simon, regelrecht gericht

tegen de ontwikkeling van eene fijnere en hoogere beschaving. Zult

gij het dan nooit beseffen dat gij, Nieuw-europeeërs, met al uwen

wetenschappelijken vooruitgang, het lang niet half zoover hebt

gebracht als het Oud-Griekenland? Als iedereen vrij is, is het dan

nog iemand? Gedraag u, vermits ge met uwe nieuwere stelsels op slot

van rekening toch bankroet moet loopen, naar de wijsheid van het

marmeren Hellas. Gedoog de overmacht der uitverkorenen en zie zonder

gevoelerig medelijden de ondergeschiktheid der slaven aan. Of wilt

gij, aan het hek van uwen tuin en met een keten aan uw hals, de plaats

innemen van uw hond? Gij zult nooit zoo goed als hij de wacht houden,

en hij zal nooit zoo meesterlijk de zweep zwaaien over uw rug, als

gij het doen kunt over den zijnen. Neen, kerel, er moeten gedienden

zijn en dienstvaardigen. Ik zeg niet dat het toeval uitmeten zal, wie

gebruiken mag en wie gebruikt moet worden. Zeus' inzichten voorzien

daarin, en een slaaf zal tot vrijman groeien als hij voor slaaf niet

meer deugt en de vrijheid met beleefde kunde besteden kan. In geen

andere maatschappij dan in zulke zal het menschelijk geluk benaderd

worden, want in geen andere bloeien de kunsten, die sieraden van een

voornamelijk, blij-lichtend en fijn-geurig leven.

Mijnheer Pacôme gaf mijnheer du Bessy uitbundig gelijk en mevrouw

Verlat glimlachte droevig. Simon Peter herkende gaarne dat dit

ideaal zeer aantrekkelijk was, maar hij wilde op de eenige en weinig

vertrouwbare "inzichten van Zeus" niet berusten.

--Zulke voorzienigheid, zei hij, is, zooals alle voorzienigheid van

welken theosofischen aard ook, meestendeels onrechtvaardig.

Dat betwistte pastoor Doening. Hij had zijne brilglazen in zijn

rood-zijden zakdoek klaar gewreven en zette nu, oolijk-kijkend,

de gulden cirkels te paarde op zijn neus.

--Spreek niet zoo van de voorzienigheid, zei hij zacht, spreek niet

zoo van de regeling der eeuwige rythmen. Die is, mijne vrienden, in

de handen van God. Maar zei ik het u niet alreeds, du Bessy, want wij

hebben over dat alles ergens gekeven? Het volk is wanhopig omdat het

machteloos is, en machteloos omdat het zijn God verzaakt. Het meent

dat het in zichzelf vertrouwen kan en dàt is zijn waanzin. Er is geen

vertrouwen dat kracht bijzet--buiten het vertrouwen in God. Waarom

zegt gij dit niet aan uw blinde volk? Het volk is ontevreden, het zet

zich uit, het roept dat het rechten wil .... en het begrijpt niet

eens de beteekenis van de rechten, welke gij hem belooft en welke,

in uwe oogen, zijne oproerige beweging wettigt. Blindheid, Simon,

blindheid. Geef aan dat volk zijn God terug. Het zal in God gelooven

en met ongeziene hevigheid oprukken voor zijn geloof. Let wel hierop:

een volk zonder geloof is een volk zonder idealen, en is een volk dat

dus niet meer strijden kan. Gelooft gij dat een volk ooit "voor zijn

brood" gestreden heeft? Dat deed het in geen tijd. Het streed voor

een beteren stand, het streed voor idealen. Gij hebt het geloof in God

noodig gehad om de beschaving te winnen, waarvan gij nu gebruik maakt

om God te negeeren. De nacht van een volk begint met de schemering

van zijn God--wil dit inzien, gij die vrijwillig uw ondergang bewerkt.

Sörge was bijgekomen en vroeg verlof om eene zoo ernstige bespreking

met de lichtheid van iets zonderings te storen.

--Juffrouw Francine, zei hij terstond, vraagt mij of een Hongaar

het menschelijk leven voor zoo heilig houdt als dit doet een man uit

het Noorden. Ik antwoord haar daarop dat de heiligheid van het leven

niet boven een heiligen dood kan gewaardeerd worden. Wilt gij haar

dat eens uitleggen, pastoor Doening?

--En waarom zoudt gij zelf het niet doen?

--Wel, aarzelde hij met eene geveinsde verlegenheid, ik vrees waarlijk

dat een Hongaar van mijn slag het met te geringe overtuiging zal doen.

--Heerlijk! riep geestdriftig de ineens rechtstaande du Bessy uit,

laat ons zulke zaken onbesproken laten. Ik zou er niet eens een

argument voor vinden. Ik meen dat het leven zoo weinig heilig is

dat er in geen geval een heilige dood aan te passen is. Zulke mouw

hoort niet bij zulk een jakje, en ik houd den dood simpellijk voor de

absolute ontkenning van wat wij, levend, zijn. Zoo mijn leven heilig

was, denk ik, bij Eroos! dat ik gaarne en gauw zoude willen sterven.

--Ge begrijpt Sörge verkeerd, Oomken, lachte Ernest.

--Dan spijt het me dat hij zich zoo slecht heeft uitgedrukt.

Francine wilde nu van geen verdere uitleggingen hieromtrent meer

weten. Ze ging vóor Simon Peter staan en legde hare beide handjes op

zijn schouders.

--Mijn brave Simon, aaide ze, wat ziet gij er treurig uit! Willen

wij saam--zoo met ons tweetjes--eens prenten zien? .... Ik heb van

mijnheer Sörge eenig-mooie prenten gekregen .... Wacht maar!

Ze wipte weg, zag daar de droeve Vere zitten, kuste haar in het

voorbijjoepen, en bleef dan ineens op den drempel van het salon

peinzend stille staan. Ze wendde zich om, en bloosde onder de blikken

van allen die haar zwijgend en in aandoenlijke bewondering hadden

nagegaan.

--Hée-ee! klank-klingelde haar stem, ik weet wat beters! We gaan

allemaal saam blindemannetje spelen! Willen we?

Daar viel niet te weigeren. Sörge en Ernest verschoven de tafel en

mijnheer du Bessy moest een getal uitdenken. Hij dacht het getal

zeventien uit, toevallig het nummer van juffrouw Henriëtte's kamer in

de Gretrystraat, en Francine telde al de spelers, hertelde ze tot ze

op zeventien het blindemannetje aanwees. Vere zou blindemannetje zijn.

--Herdoens! willigde Francine in, dat gaat niet. Vere moet met pastoor

Doening bij den haard zitten. Dat doen die twee liever, en ik zal in

Vere's plaats blindemannetje loopen. Oomken, doe mij den doek om.

Ze werd geblinddoekt. Oomken stopte hare groote groene oogen achter

de dikke plooiing van een blauw-getafeld sluiertje. Nog heerlijker

straalde, buiten de mededinging van die licht-dragende kijkers,

het goud van haar opgestapeld haar.

Ze bleef een tijdje staan, roerloos, klein-schoklachend en even

buigend naar voren. De mauve vouwen van haar moeselienen kleed vielen

juist onder de gele klaarte van het vijfarmig hanglicht tuilvormig

op den vloer. Ze stak hare handen uit, vingerde zoetjes in de leêgte,

en deed een stap.

--Mij niet misleiden, hoor! riep ze blij; als ik val of bots, wordt

ge allen gestraft .... God! wat is het donker!

Ze trad voorzichtig, tastte wijd en rond, kwam aan tegen den muur en

tokkelde fijn-voelerig over het wandbehangsel. Ze schaterde het uit,

draaide zich om, punt-voette op de franjen van een sofa. Ze zilverde

kinderlijk:

--Maar waar zijt gij? Waar ben ik dan?

En, daar niemand antwoordde en elk geluideloos van vóor hare armen

wegschoof over het tapijt:

--Ge moet spreken, kloeg ze, ik kan toch nooit een van u treffen als

ik hem op de stem niet navolgen kan! .... Ik word wezenlijk bang in

dezen nacht .... Ho! wie is dat?

Ze had iemand bij de mouw gevat. Ze deed nu hare vingeren loopen

over zijne schouders, over zijn rug; ze betastte zijn boordje,

raakte lichtelijk zijn haar, omlijnde met haar duim de randen van

zijn oor. Ze gebood blij-zingend:

--Sta geheel lang-uit recht, dat ik uwe lengte meet. Waarom wendt ge

altijd uw gezicht af?

Ze hief haren arm op en mat hem. Ze wilde nu zijne hand hebben en ze

overjeukte haar met hare zachte nageltjes.

--Gij zijt niet mijnheer Pacôme, sprak ze, en Oomken ook niet!

Iedereen dacht aan de eindelooze handen van Florjan Pacôme

en aan de drie ringen die op het pinkje van mijnheer du Bessy

karbonkelden. Niemand sprak, en pastoor Doening kon niet nalaten een

slim en verwarrend kuchje te slaken.

--Niet hoesten, pastoor, berispte Francine; ik weet wel dat ge mij

van het goede spoor afleiden wilt.

Ze betastte opnieuw hare vangst, voelde dat het gelaat gedurig hare

vingeren ontvluchtte, maakte zich lastig en trippelde zenuwachtig

op de tipjes van hare schoenen. Ze taakte naderhand, weer stil en

zorgvuldig, de jasknoppen, de schakeltjes van de horlogeketting,

ontplooide het zakdoekje dat uit een zijtasch opstak.

--Nu, juichte ze triomfelijk, nu ken ik u! Ge zijt Simon!

Ze bevrijdde rap hare oogen en zag Sörge vóor haar staan. Ze kreeg eene

hooge kleur en iedereen begon luidop te lachen. Ze was erg beschaamd,

werd kwaad.

--Ik speel niet meer met u, zeide ze, ge hebt mij bedrogen. Ge

waart wel Simon, lieg maar niet. Ge hebt ineens de plaats van Simon

ingenomen.

Ze keerde zich meesmuilend naar Vere, die haar goedig aanzag en stille

haar hoofd schudde.

--Niet waar, Vere? Ik had toch niet mijnheer Sörge vast? Ik had

Simon ....

En stille voort schudde Vere haar hoofd.

Op dat oogenblik kwam de oude Ko een heer aanmelden, die dringend met

mijnheer Peter spreken moest. Dat bracht een subiete afleiding. Wie

was die heer? Ko wist het niet. Hij had eeniglijk gezegd dat hij

seffens mijnheer Peter zien wilde en dat het eene zeer gewichtige

zaak gold. Nog twee heeren stonden vóor de deur.

Simon Peter ging in het klein nevensaletje, waar hij het ontijdig en

zonderling bezoek ontvangen zou. Onderwijl wilde Francine toch het

spel doorzetten. Ernest ried echter aan dat men, tot Simon terug was,

zwijgend en aandachtig moest zijn. Francine zette zich op de lage

sofa. Ze was nog niet van hare verwondering bekomen en blikte naar

Sörge, die tegen de hooge venstergordijn aanleunde. Het was op dit

oogenblik zoo stil dat men, daarbuiten, eene plotselijke windvlaag

hoorde aanzoeven. Meteen knetterde een natte hageling hard tegen

de ruiten.

--Hee! is dat regenen? vroeg Francine.

Ze zag dat Sörge, in eene vlugge mijmering verzonken, niet eens opkeek

en dat zijne hand iets zoetekens bestreelde dat nauw zichtbaar opbultte

in den binnenzak van zijn rok. Toen werd de deur van het kleine

saletje opengeduwd en daar stond, bleek en zwart-gebaard, een wilde,

haast onherkenbare Simon. Zoo zag ze het leed bliksemen in zijn oogen

dat ze werktuigelijk opsprong en heesch fluisterde, naar hem gaande:

--Simon! ....

Hij sloot een wijl zijne oogen.

--Men houdt mij aan, sprak hij, ik ben verraden.

Hij kwam iedereen de hand drukken. Zijn hals was lang, zijn voorhoofd

ontzaglijk geworden. Hij kuste de vingeren van Vere, dierf nauwelijks

die van Francine met zijne lippen raken. Vreemd ging hij Sörge in de

oogen zien. Hij groette. Niemand sprak. De deur viel zwaar op zijne

hielen dicht.

--O God! .... o God! huiverde Francine.

't Was of zij voelde dat zij hem nooit meer zoude weerzien. Ze keek

ontzet naar den grooten traan, die op hare hand lag en om wiens ronde

randen het gele luchterlicht ontelbare starretjes liet spelen.

VI.

HET BLINDEMANNETJE.

De winter was niet onbarmhartig geweest. Het had wat gesneeuwd en

tamelijk hard gevroren. Nu, langs een natte Maart en een waaierige

Aprilmaand, ging het seizoen uitregenen en weggrauwen, en in de lucht

kwam reeds de speling leuteren van levendige klaarten. Maar toch wilde

't geen lente worden en, alhoewel lichter, voer uit het westen en

het noorden een lage wolkenjacht alover de stad.

De revolutionaire beweging was, na den aanval in den Muntschouwburg,

een zonderlingen weg opgegaan. Met Simon Peter werden zes

der belangrijkste geheime leiders aangehouden en uit een debat,

hetwelk in de Kamers op buitengewoon rekwest van den Koning door het

Ministerie werd ingeleid, bleek dat de Centrum-politiek van mijnheer

Dissel voortaan overwegend zoude zijn. De stemming van vertrouwen,

die bij deze gelegenheid werd uitgebracht, stelde alle opstokerijen

der Unionisten voor lang aan de kaak en verzekerde aan de mannen van

de behoudsgezindheid eene meerderheid waarvan de Regeering nu naar

beliefte kon gebruik maken. Feitelijk en voorloopig althans was de

oproertendenz geknakt. De aanhouding van zeven hoofden der volkspartij

had de hevige bestormers van het steenen conservatisme met verbazing

geslagen en tevens, bij de gegoede burgerij, het gevaar doen inzien

van een roekelooze beweging, die het land in den warboel der anarchie

zoude storten.

Wat echter op alle geesten den geweldigsten indruk had gemaakt, was,

kort na de opsluiting van Simon Peter en zijne politieke vrienden,

de plotselinge en spoorlooze verdwijning van pastoor Pezza, aanvoerder

van de tegenpartij.

Vreemd, inderdaad, was de wijze waarop dit geschiedde, en de

gebeurtenis dreigde, op een gegeven oogenblik van haar verloop, de

zegepraal van mijnheer Dissel in opspraak te brengen. Had mijnheer

Dissel zich aan de mogelijkheid van Pezza's verdwijning niet verwacht

of had hij haar slecht berekend?

Reeds driemaal had hij pastoor Pezza dringend ontboden. Eindelijk

kwam Lucia Pezza's zuster.

--Mijn broeder, had ze gezeid, kort en scherpsprekend en met, in

hare oogen, een zwarten blik, welke haar ingetogen drift verried,

mijn broeder is in geen vier dagen meer thuis geweest. Het laatst dat

ik hem zag, moest hij u gaan opzoeken. Dàt heeft hij zeker gedaan. Hij

had geld noodig. Hij is vertrokken en keerde niet terug. Nu baten hier

leugens noch omwegen, en ik wil u wel zeggen dat Pezza, die gij een

willoos tuig in uwe handen hebt gewaand, een tuig was, mijnheer, in

mijne handen. Met Pezza weg te ruimen, begraaft gij niet het geheim dat

hem gemaakt heeft tot uw bondgenoot, en evenmin ontwijkt gij alzoo het

gevaar dat gij, in de verdere ontwikkeling van Pezza's politiek, hebt

voelen aankomen. Ik ben, mijnheer, voor u, ik eeniglijk, dat geheim

en dat gevaar te zamen. Zeg mij wat ge met mijn broer gedaan hebt.

Mijnheer Dissel had, van op het eerste zicht, begrepen dat hij met de

grootste voorzichtigheid moest te werk gaan. Zijn onderhoud met Lucia

Pezza duurde anderhalf uur en 's avonds werd, van wege de Regeering,

aan alle dagbladen bericht gezonden en op alle hoeken van het land

afgekondigd dat bij ministeriëel besluit eene som van vijf en twintig

duizend frank zoude worden ter hand gesteld aan al wie, omtrent

pastoor Pezza's schielijke verdwijning, eene belangrijke inlichting

geven kon. Dadelijk werd de politie uitgezonden, en mijnheer Dissel

verwaarloosde geen maatregel, die mocht bijhelpen om het spoor van

den jongen volksleider op te zoeken.

Hij werd niettemin, vanwege een sociaal-demokraat, in volle zitting

der Kamers beschuldigd dat hij Pezza, spijts alle parlementaire

gebruiken, in een kerker opgesloten had. Toen eischte hij zelf, dat

de vergadering eene kommissie aanstelde, die men met het onderzoek

der feiten zoude gelasten en die verdere volmacht zoude hebben om

pastoor Pezza langs alle wegen op te zoeken. De kommissie werd uit

leden van de linkerzijde saamgesteld.

Pastoor Pezza werd niet gevonden.

Men liep het land om en door, men drong in alle gevangenissen, men

hing overal plakkaten met Pezza's portret, men zond brigaden uit

in den vreemde .... en weken verliepen, en men vond pastoor Pezza

niet. Lucia was met wilden ijver aan den gang, zonk alle avonden in

schrikkelijke vertwijfeling neer en rees alle morgens op in versche,

zweepende, woeste koorts.

Een enkel getuigenis van betrekkelijke waarde werd

ingewonnen. Henriëtte had Pezza, twee uren nadat hij zijn huis verlaten

had, in een regenvlaag en onder de kap van een automobiel over de

Noordlaan zien voorbijjagen. Een man zat nevens hem in het rijtuig;

maar het schemerde reeds en zoo ijlend was hunne vaart, dat zij van

dezen man niets opgeven kon dan een zeer onvolledige beschrijving. Op

de honderden vragen die Lucia wanhopig haar stelde, wist ze alleen te

antwoorden dat Pezza zeer bleek was en dat zijn reisgezel die de koets

leidde, er jong uitzag, mager, sterk, en roerloos vooruitblikte. Van

de automobiel zelf wist ze geen bijzonderheid, die haar van 't zij

eender welk ander automobiel kon onderscheiden.

Twee maanden gingen om. Mijnheer Dissel ondertusschen toonde

zich omtrent de zaak zeer bezorgd, stelde zich gedurig met de

onderzoeks-kommissie in betrekking en liet geen gelegenheid voorbijgaan

om bewijzen te geven van zijn groote belangstelling in wat het lot van

Pezza mocht zijn. In den grond was hij over den algemeenen toestand

zeer tevreden en, al liet hij het zelfs niet bij zijn vrienden

blijken, hij hoopte dat de toestand onveranderd blijven zou. Alleen

Lucia meende de geheimen van den schranderen staatsman te doorgronden

en wilde raden wat omging in dat wit-blauwe, gladde, voorzichtige

hoofd. Ze doorgrondde en ze ried. Ze zei echter niets. Soms lag ze

's nachts in de donkerte te staren, voelde ineens de onmacht van hare

inzichten tegenover de stille effenheid van Dissel's macht, rolde dan

radeloos in hare sargiën thoope en beet in het kussen dat geluideloos

bleef. Telkens was ze zeker dat Dissel, die Pezza vreesde, Pezza doen

verdwijnen had, en telkens folterde ze zich met de zekerheid dat, nu

't zoo lang duurde, zij 't nooit bewijzen kon ....

's Morgens was ze weer te been, stijf en koppig, gestaald in hare

zenuwen en gesteund door nieuwe hoop.

Met de aanhouding van Simon Peter was aanvankelijk veel in Verlat's

huis veranderd.

Francine was ziek geworden. Ze moest in haar bed blijven liggen en ze

ijlde dikwijls. Ze was zoo'n licht vogeltje en zoo licht geraakt. Ze

eischte dat men seffens Simon uit het gevang zou laten, en dan moest

Vere haar vertellen wat Simon bedreven had, wat er verder met hem

zou gebeuren en hoe groot de kerker was, waar men hem--zij meende

wel veertig voet diep onder de aarde--opgesloten had. Vere wilde

haar bedaren:

--Wat zijt ge toch onredelijk, liefje! Eer een maand verstreken is,

hebben we weer dien goeden Simon bij ons. Hij heeft immers niets

misdaan, hoegenaamd niets! Hij is te goed, hij heeft zich met eene

verdachte zaak laten inschepen, hij weet niet wat slecht is .... Zij

nu maar rustig.

--Ho! ho! En is dat daar altijd donker waar hij is? En zijn daar

ratten?

--Onzin! Waar toch haalt ge die akelige beelden? Hij is geen gewoon

gevangene, hij is geen dief, geen moordenaar. Hij beschikt over eene

ruime kamer, geloof me.

--En ziet hij het licht en de wolken? Ach! mijn zoete Vere, ik geloof

u niet, ik geloof u waarlijk niet .... Ge maakt het allemaal schoon

om mijnentwille ... en ik ben angstig, angstig, en dat maakt mij dan

nog angstiger .... Geef mij uwe hand.

Ze legde haar klein hoofdje, als in een gouden nis, in hare wondere

haren. Ze sloot halvelings hare oogen, en hare lange wimpers die

overeenkwamen, teekenden daar een dubbelen bronzen schaduwboog. Even

trilden hare lippen.

--En, schoot ze plots weer op, zal men zijn baard niet geheel

afknippen? Jawel, jawel; en men heeft zijne handen gebonden, ge

zult het mij vergeefs verbergen .... En daar is zooveel, zóoveel,

lieve Vere, dat hij noodig heeft! Bedenk eens .... O God! en ik heb

hem zoo lief, zoo lief! ....

Vere had haar handje in hare beide handen genomen en ze boog

glimlachend over haar.

--Zoo lief, Fran? Zoo echt en innig .... ja? Hij verdient het wel,

en hij wacht geduldig .... Als hij 't nu wist, Fran, als hij 't nu

zóo hoorde, gelijk gij het daar zegt, de zwartste nacht werd hem een

hemel van zonne! ....

--Waarom? Moet ik hem dan niet liefhebben, en dacht hij dat ik hem

niet liefhad? Wat wachtte hij dan? .... Ik kon 't toch maar weten nu,

als men hem wegrukt, nu ja, dat ik hem liefheb boven alles .... Maar

ik wist het niet.

--Dat hij u liefhad, wist ge toch?

--Hij? Doet hij dat zeker? Wat vraagt ge mij allemaal, Vere? Hoe zou

ik dat weten?

--Hoe wisten wij 't dan? Het was toch zichtbaar, zou ik denken! Pastoor

Doening en Ernest wisten het ook. Wij wachtten eigenlijk allen naar u,

en er moest zoo iets gebeuren om u het praten te leeren .... Hoelang

zouden wij anders nog gewacht hebben? Ge zijt een duikertje ....

--Neen, neen, zuchtte ze zacht, ik ben zoo ongelukkig! ....

Ze zeeg weer achterover en hare vingeren in Vere's handen werden zwak,

roerloos. Twee tranen lagen een tijdje in de tipjes van hare oogen,

dikten stralend op en rolden dan, met schokjes, over hare wangen om

ineens, langs haren hals, in de kanten van haar wit nachtjakje weg

te biggelen. Zoo overviel haar dikwijls de rust. Ze bleef lang staren

naar de zoldering.

Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven · 第 16 / 35 段