Behalve de halfdozijn kelners, die allen uitstekend gestyleerd waren

en het wezenlijk dienstpersoneel uitmaakten, was daar nog een heerlijke

neger. Zijn zwarte kop bolde kleurrijk boven de drievoudige knoppenrij,

die op zijn groene frak blikkerde, en zijne witte kousen teekenden,

onder de kniegesp van zijn korte broek, de spierige bobbeling van

zijn harde kuiten. Dat was Dumdie, een reus en, naar men vezelde,

de tijdelijke hartsridder van Madame Morganès. Hij stond altijd bij

de deur, hield ze dicht voor onaangename gasten en, in het aanschijn

van voorname klanten, lachte buigend al zijn blanke tanden bloot.

Hij lachte dus, als Ernest binnentrad, en lachte nog als hij Sörge

herkende. Hij liet zachtjes de deur toeflappen, en ging haastig een

stoel zijwaarts schuiven die den weg verhinderde naar het hoekje,

waarheen Ernest gebaarde zich te willen richten.

De shop had het op dees uur niet erg druk. Een tiental heeren zaten

links en rechts bij groepjes of alleen. Kort daarop echter kwam

meer volk en voornamelijk dames, die zwierig hun zijden rokken deden

ruischen en hun mantels lieten vallen in de armen van een knecht. Het

ruizelend geluid van praatjes stichtte in de oranje lichtlucht een

zoete gonzing, waarlangs de niet storende muziek van een strijkkwartet

aangename vormen teekende.

Sörge en Verlat groetten, ontdeden zich van hoed en mantel, en,

al zich neerzettend, trokken langzaam hunne handschoenen uit. Ze

bestelden dadelijk hun eetmaal, hetgeen niet zoo gauw afliep, want

Sörge was zeer moeilijk gestemd en wilde de keuze van zijn spijzen

met uiterste gezochtheid regelen. Ze dronken een lichten wijn.

--Docht u niet, vroeg Rupert, dat de stad er zoo feestzinnig uitzag? Ik

wil zeggen dat er nu, na het oproer van Kerstdag, geen speur van

onlusten te merken is. Wat zou dat beduiden? De stad is opgeruimd

gelijk een kermismaagd .... Maar vertel me eens, zit Peter nog altijd

in die duistere komiteiten?

Ernest brak op zijn wit bord de karmozijne lenden van eene ingelegde

tomaat. Hij knikte onverschillig.

--Ik geloof, hernam Rupert, dat die jongen zeer onzinnig een noodeloos

gevaar loopt. Waar toch bemoeit hij zich mede? Zijn er in de massa

gelukzoekers en middelmatige avonturiers, die woelen op den bodem

van onze maatschappij, dan niet genoeg politiekers te vinden en moet

hij het luxusalaam, waarmede hem het toeval bedeeld heeft, aan de

behandeling besteden van een laf en dierlijk volk? Misschien paait hij

er zijn zucht naar grootsche bewegingen en forsige plastiek .... maar

men zal mij eer wijsmaken dat hij er eene vreemde onrustigheid wil

stillen, die hem, naar het hart, tot een demokraat maakt en tot een

tribuun naar den geest.

--Hij is een knap kunstenaar ook.

--Dat bedoel ik juist. Hij is maar een knap kunstenaar. Waarom leeft

hij niet eeniglijk in zijne verbeelding? Daar kan hij zich ten minste

naar eigen wil gedragen. De werkelijkheid, Ernest, let wel op, daar

is hij niet voor opgewassen.

--Gij wilt zeggen dat hij een droomer is?

--Neen. Een ijdele droomer wel. Ik wil zeggen dat hij de groote

vormen van de werkelijkheid niet snapt en dat hij zich niet bewegen

kan naar den gang van hare geheime roerselen. Ik wil dus zeggen dat

hij de werkelijkheid niet beheerscht. Hij is onwerkelijk. Hij is ijdel.

--Onrustig, hebt ge beweerd. Dat doet zeldzaam aan, ik verzeker u.

--Onrustig inderdaad: onrustigheid die de sparteling is der bijzondere

onmacht, waarvan ik u gesproken heb en waarop hij zijne onduidelijke

idealen heeft gevest. Ik kan mij voorstellen dat wat hij de liefde

noemt voor zijn volk, eene soort van kwakzalverij is waarmede hij

zijn eigen fopt en waaraan het volk gelooft. Ik ben verplicht Peter

te verongelijken, daar waar ik een Pezza goedkeur. Pezza die een

twijfelaar en een lafbek is, vertrouw ik meer, omdat hij zich in een

enkelvoudig geestesperk beweegt, uitsluitend en zonder achterdocht.

--Ik wil niet aannemen dat Peter niet oprecht is, Rupert.

--Dat hoeft ge evenmin als ik. Hij fopt--ik zei het toch?--hij fopt

zijn eigen met een goed inzicht en, tegenover ons, is hij de oprechtste

jongen van de wereld.

Ze aten traagzaam. Jujube had tusschen hen en nevens het roode

schermpje dat over het kaarslicht hing, een vaas geplaatst met gele

chrysanthemen.

--En zie! wedervoer Sörge, het zou mij niet verwonderen als hij

in dat avontuurtje bezweek. Hebt gij mij niet gezeid dat hij Pezza

wantrouwde? Pezza zal het reeds gemerkt hebben en hij zal Pezza's

eerste slachtoffer zijn. Wat dan? We kunnen hem niet redden .... maar

....

--Ik geloof u niet.

--.... we kunnen Pezza straffen.

--Ik geloof u waarlijk niet, Rupert. Ge ziet het te zwart in.

Sörge deed vóor hem in de ruimte, boven den bloementuil, een wuivend

gebaar, en lachte naderhand zeer hartelijk. Men bracht druiven en

perziken.

Te halftwaalf deed de groene Dumdie de deur open voor Milly d'Orval

en Roy-Dour, bijgenaamd Marjolene. Ze traden binnen arm aan arm en

zij waren een voortreffelijk verschijnsel. Milly droeg een gouden

kleed geheel betikkeld met koperen blikkertjes en overvoold met

broze Italiaansche kant. Op hare schouders hing een tienstaartig

marterbont. Haar witte hoed, met fluweelen dahliapurper om de randen,

wiegde over heur dikke haarvlechten en deed een purperen pastel-schaduw

blozen langs hare wangen. De fijne tint van Roy-Dour's wijden mantel

gloeide rijpelijk daarnevens. Het was eene uitgezochte bordeaux-kleur,

als verteederd in de volle klaarte van een licht karmijn.

Ernest en Rupert stonden recht en ontlasten haar van hun pelsen en

kapelienen. Roy-Dour legde op het witte ammelaken, dichtbij de violette

zwaarte van een druiventros, de gouden beurs, welke zij altijd bij

zich had en overal in hare hand droeg. Milly zette zich zwijgend neder.

--Ik wensch u, sprak Sörge, voorover buigend naar Marjoleen, geluk

met uw kostuum. Het is prachtig.

Roy-Dour liet over zich komen de verlegenheid van iemand die tegen niet

veel bewondering bestand is, en ze maakte van de gelegenheid gebruik

om in een lachje tusschen hare rood-natte lippen een rij tanden te

laten zien, welke er als kostbare parels vonkten. Roy-Dour was het

ware type van de schoone vrouw, groot, statig, sierlijk en frisch. Ze

hoefde niet te spreken om zich te doen gelden, en het was iedereens

gevoelen dat ze, met spreken, veel van den bedwelmenden indruk in

gevaar bracht, die, met zwijgen, van haar uitging. Zwart was heur haar

en zwart-gloeiend hare oogen. Hare schouders hadden de volte van een

abrikoos en een amberschijn aaide om hare armen. Haar mond was koel als

water en kleurig als een sterke wijn. Madame Morganès placht te zeggen:

--C'est un Phidias!

Maar dan kreeg ze telkens een vreemd antwoord, waaruit men verstaan

kon dat Roy-Dour blijkbaar veeleer in een "carré" van de Marollen

dan in de blauwe schaduw van Athene's tempel het licht had gezien.

Men dronk koffie. Het praatje dat men er over de desserttafel bijhield,

was tamelijk saai en lastig. Sörge had het met Marjolene over het

huwelijk, en het onderwerp was voor haar een slibberig slierbaantje,

waar zij telkens van afgleed. Milly mengde zich tusschenbeide in het

gesprek en brak verder Verlat's blikken die onophoudelijk en dringend

op haar kwamen wegen. Ze sprak hem eindelijk aan, en liet verstaan dat

ze zijne aandacht merkte en zijne belangstelling derven kon. Hij was

zeer beleefd, zeer meester van zijn woorden. Hij dwong op zijn gelaat

eene effenheid van uitdrukking waarover Sörge zich op dat oogenblik

uitermate verwonderde, en hij deed zeer bescheiden doorschijnen dat

wat zij voor eene belangstelling nam, diende als eene eerbiedige

nieuwsgierigheid te worden opgenomen. Ze keek hem strak en toornig

aan, maar ze beukte seffens tegen de driftlooze vlakheid van zijn

bleek gelaat.

Wat onderwijl in Ernest omging, was zonderling. De bewondering

welke hem Sörge inboezemde, had hij ineens op Sörge's minnares

overgebracht. De weerkaatsing ervan deed hem echter geheel anders

tegenover Rupert staan. Bij Rupert voelde hij zich onrustig en

onvast. Bij Milly voelde hij zich daadvaardig en schier vermetel

worden. En toch was zijne bewondering voor Milly slechts een

verplaatste bewondering voor Rupert. Hij verlangde niet het vleesch

van die vrouw, maar hij zoude willen sterven voor hare liefde. Hij

luisterde naar het langzaam strijkkwartet, hetwelk in den vorm van

een Boheemsche serenade langs zijn gepeinzen een leven opwekte van

wild-vrij-zijn en diep aangloeiende passie.

Als Sörge de gramschap zag die in Milly's oogen was opgeschoten,

zei hij luidop:

--Ik, Marjolene, indien ik ooit trouw--en dat zal ik doen--denk dan

gerust dat ik verlaten ben.

Milly bloosde fel en lachte nadien vriendelijk in Verlat's oogen. Ze

wilde ook zijn steun aanvaarden, toen, omtrent middernacht, besloten

werd naar het bal van den Muntschouwburg te gaan. Vóor de deur van

de shop en terwijl nog, met klink in hand, de beleefde Dumdie op den

drempel stond te groenen, zond ze haar rijtuig naar huis en wilde ze,

aan Ernest's arm, te voet op naar het feest. Terloops zag ze Jujube

een halve Rijnflesch in de handen stoppen van een stijf-zwijgenden

politieagent.

Op het plein vóor den schouwburg was 't een dooreenwarrelende

klabettering van huurkoetsen, die alle langs de zuilenrij

doorwielden en in het voorportaal al die bonte maskeradepoppen

uitwierpen. Op de breede ingangstrap drong een kleurig volk, dat

raasde en schouderstuwend roerde. Het elektrisch licht dat van overal

neergutste, pletste groen-wit open op de krieuweling van het blauw

en rood en geel en warrelend lijvengedoe.

Sörge en Verlat geraakten met hunne dames in de balkoenloge

waarheen een zwart-gerokte kelner hen leidde. Het was, van hier,

een onvergetelijk zicht. Duizend verkleedde en vermomde dames, een

zee van verven, vlakken en stippelingen, lichtbeweging van zijde en

satijn,--daar lag, in die gaping van vuur, het spartelend monster

en de vreugde van dat monster. Zijn adem golfde op de maat van een

schrikkelijke muziek. Woeste jacht van rompen en van armen, wild gehijg

van ongedurige borsten, dreunend geweld van dronken hartedrift .... en

al dat verlangen, al die zondige begeerten, al die hitte die opsloeg

boven 't schaterend kleurgewemel en in de hooge laaiing van het wijde

luchterlicht! Daar gisten het vleesch en de menschenangst samen. Het

orkest stiet door al 't gebeuk van een dierlijk cake-walk-rythme. De

kopers stekten de harde kadens.

Ernest zat nevens Milly. Zij had hem haar bont op de knieën geleid en

wuifde zachtjes met een lichten waaier. Zij keek aandachtig toe. Hij

vroeg haar of ze 't prettig vond, en ze knikte genegen. Soms wees ze

naar een clown, naar de sprongen van een harlekijn en de verschillige

troniën van rijke hansworsten en poesjenellen. Hoeden van lachende

heeren werden onder schalksche meisjesvuisten platgeduwd, afgenomen,

in breeden zwaai boven de woeling opgesmeten. De zijden hoeden,

al stijgend boogsgewijs binnen de gulden ruimte, namen langs

hun gebrokkelde randen een lijzen glans op of een metallische

flikkering. De zaal rumoerde. Het was een eindeloos, een onbekende

klacht.

--Kijk! fluisterde Sörge, even ontzet, ginder staat Peter....

Peter stond tegen een zijpilaar van de gaanderij en, zijn zwart hoofd

boven alle kleuren uitstekend, blikte zoekend rond. Ernest zag de

onrust van dat hoofd, en ineens beefde duidelijk om hem de zonderlinge

gichtigheid welke hij, den avond door, in Sörge's bijzijn had gevoeld.

--Hij zoekt, Rupert, zeide hij, redeloos bleek wordend. Zoude hij

óns opzoeken?

Verlat was gelijk een die op heeterdaad van logen betrapt wordt en

tevergeefs een oogenblikkelijk heil in nieuw verraad wil vinden. Hij

vroeg verlof en verliet zeer aangedaan de loge. Hij liep de gangen door

en baande zich, vóor het buffet, een weg naar de gaanderijen van den

overkant. Overal, vóor nette tafels, zaten de dronken lichtmissen en

meiden, die van warmte en ongemak hun masker hadden afgenomen. Tegen de

lage gewelven sprongen, links en rechts, de blinkende champagnekurken,

en hier walmde een geur van wijn en patchouli.

--Simon! ....

Hij sprong op, vatte Ernest in beide armen, wilde met hem wegijlen

naar de groote trap. Hij luisterde niet naar Ernest's verwarde vragen,

hijgde aldoor:

--Hier niet! Hier niet, in Godsname! Het is vreeslijk, wat ik u zeggen

moet .... Buiten, loop, maar loop dan toch!

--Ik ben niet alleen .... ik mag zoo niet ....

--Neen! neen! Ge moet mee met mij, even mee, tot buiten .... God! het

is al over den tijd!

Hij stiet hem naar voren, drong door de zat-zingende maskerade. Hij

liet Ernest niet los. Bij het voorportaal stonden twee groote vrouwen

in een zwart zijden kapelienmantel waaronder een rood mombakkes

loerde. Toen Peter buiten was, gingen ze de trap op.

--Maar, stamelde Verlat, wat wilt ge? Ge jaagt mij den dood op het

lijf. Wat is er gebeurd?

--Ik red u, ik red u van den dood, hakkelde Peter dankbaar-blozend;

daarbinnen, het is afschuwelijk Ernest, daarbinnen wordt een bombe

geworpen!

Uit de Nieuwstraat, die stil en eenzaam was geworden, kwam een

kloefkleppend eskadron gendarmen oprijden. De maan hing hoog boven

de stad en belichtte roerloos het grijze Muntplein.

Ernest had geschrikt. Het beeld van Milly sidderde door zijne hersens

en hij wipte uit de armen van Simon vooruit. IJlend ging hij beuken

tegen de glazen theaterdeur. Maar daar, plots, bleef hij staan,

week vol afgrijzen en bracht zijn handen over zijn aangezicht.

Een dondering daverde door het steenen gebouw, schokte over den

grond en eindde in een luiden knal. Gelijk een bange wind die zoude

aanloeien, steeg nu een vreemde waaiing van lange menschenkreten.

V.

PEZZA'S POLITIEK.

Ik wil u niets weigeren, juffrouw, sprak Rupert Sörge, terwijl hij

in wijde tafelronde iedereens oogen voelde staren op hem; maar

moet ik niet vreezen dat het leelijk uitzicht van mijn verhaal

de keurigheid van uw gevoel moet storen? Het was inderdaad een

afgrijselijk schouwspel. Ik had Ernest onwillens in dit avontuurtje

medegesleept, waartoe mij zijne sombere stemming bewoog en zijne

moedelooze zinnen. Ik hadde hem gaarne wat willen opknappen, en

ik beeldde mij op dat oogenblik in, dat niets beter dan een mooi

lichtwerk over een ruime kleurenweelde zijn gemoed zoude kunnen

verlichten. Ik heb niet den tijd gehad mij daarvan te overtuigen. De

schouwburg was éen laaie branding, waar wemelde het duizendkoppig

menschengeweld. We zaten in eene logie, waar reeds een paar dames

hadden plaats genomen. Toen zag ik mijnheer Peter ....

--Die dames? .... kwam bedektelijk Florjan Pacôme aantijgen.

--.... Kent gij wellicht, mijnheer Pacôme, onderbrak seffens Sörge;

zij zagen er althans tamelijk verdacht uit. Toen, juffrouw, zag ik

mijnheer Peter. Ik zag hem ineens, en het trof mij dat mijn eerste

aandacht dien avond viel op hem. Ik herinner mij dat een vlugge angst

mij overviel en dat mijne hand eenigszins beefde, wanneer ik haar,

waarschuwend, op Ernest's schouders lei. Ernest was rechtgesprongen

en zocht nu zijn vriend op. Ik heb aan den overkant den mond van

Ernest zien zeggen: "Simon!" en dan mijnheer Peter zien zijwaarts

omkeeren, buigen,wegdonkeren achter het dansend volk. Ik wachtte. Ik

weet niet wat mij ertoe dreef voortdurend naar de plaats te kijken,

waar hij verdwenen was. Die plaats beheerschte het gansche theater

en mijnheer Peter had ze gekozen om des te wijder de zaal te kunnen

overblikken .... Nu zag ik iets vreemds. Eene groote vrouw in zwarten

kapmantel kwam enkele meters van die plaats af neerstorten. Zij

veroorzaakte aldus een oogenblikkelijk misbaar en alle oogen waren

op haar gericht. Onderwijl had, met éen sprong, eene andere gansch

eendere vrouw de plaats zelf van mijnheer Peter ingenomen. Evenals

de eerste droeg ze een zwart-zijden mantel en een rood masker met

kanten. Deze wierp, breed-armzwaaiend, een blikken doosje ver-uit

over al die hoofden. Ik geloof dat ik de eenige was die haar zag ....

--Het zou mij zeer spijten, juffrouw, hernam hij met lager stemgeluid,

als ik nu met het beeld van hetgeen toen gebeurde, iets teers in u

ging bezeeren. Een schrikkelijke knettering brak los en deed de logie

opschokken. De twee dames, vóor mij, vielen. Ik bleef overeind. Ik

heb nochtans niet gezien hoe de ontploffing geschiedde. Ik zag het

doosje draaien door de ruimte en--heb ik werktuigelijk mijne oogen

gesloten?--ik voelde den schok, de vreeslijke davering, een harde

breking van lucht en verven--.. niets meer. Ik stond overeind. De

groote kristallen kroonluchter, als in een stormvlaag, woei uit en

zijn klinkende schervels regenden duizend-tintelend omlaag. 't Was

daar eene halve roode donkerte. De belichting welke overbleef en van

de scene heenglansde, was, docht me, rood, geel-rood. Het schijnt

dat de estrade verbrand is geweest. Ik heb echter, op geen oogenblik

de minste vlam gezien. Ik heb alles gezien. Geen brand. De dames

waren, vóor mij, schielijk opgesprongen en wilden nu wegijlen. Zij

waren als dieren, juffrouw. Hare oogen puilden uit onder hun wit

voorhoofd. Hun haar lag ontvlochten. Ze stieten me op zij. Ik riep:

Blijft! Ze hoorden me niet. Ik vatte ze allebei om het lijf en ving

met haar eene korte pijnlijke worsteling aan. Ik geloof dat ik ze

werkelijk onder mijn knie tegen den grond heb vastgevuist. Ze gilden,

ze stampten, ze beten .... Zal ik u dat alles beschrijven? In de zaal

zelf, in die schemerige holte daar, woelde wat ik hoop dat nooit

meer mijn oog zal aanschouwen: De hel met haar brandende rompen,

haar wringende armen, haar bang en lang-rekkend gehuil--maar eene

hel in duisternis, een zwart vuur van jankende lijven, met, erover,

een zonderling rooden gloed. De mannen en de vrouwen, ik onderscheidde

ze niet, ze hadden eender geroep en eendere wanhoop .... Terwijl we

hier thee nemen, juffrouw, en gij daar zit in uw zacht-mauve kleed,

weten wij niet wat menschen zijn. Toen heb ik de menschen leeren

kennen, de bloote menschen, de menschen die hun wet, hun eer, hun

God vergeten hebben en niets meer zijn dan menschen. Toen heb ik ze

zien vechten onder malkander. De sterkste liepen over de zwakke,

betraden de zwakke, verpletten en verworgden de zwakke. De bombe

zelf heeft er zeker geen twintig gekwetst--maar ze stierven daar,

honderd en nog honderd, onder eigen geweld, vermoord. Wanneer ik

mijn oogen dicht doe en over mijne ooren mijne handen leg, hoor ik

zeer duidelijk die kreten zonder genade, dat razend geschreeuw, dat

doodsrumoer in mijn hoofd--en zoo zie ik nog de monsterachtige woeling,

waarboven koppen zich uitlengen, armen scharrelen in stuipen, en oogen

(ik heb in de oranjeschemering oogen gezien), oogen die wild staren,

die den dood kijken in het aangezicht.

Hij nam het theekopje dat Francine hem had voorgeschoven, en roerde

stille het zilveren lepeltje erin. Alleen Simon Peter keek hem niet

aan en tuurde droomend naar een hoekje van de zoldering.

--Zoo is, fluisterde vóor zich heen de traag-peinzende pastoor Doening,

zoo is de gramschap van God.

Mijnheer du Bessy hing hijgend aan Sörge's lippen.

--Wat, vroeg hij, hebt gij dan gedaan?

--Ik? zei Rupert glimlachend, wat zoude ik doen? Ik kon niets. Ik

was onmachtig. Alleen die twee dames waren in mijn bereik en die heb

ik gered. Ik ben met haar in de logie gebleven tot er niemand meer

was, buiten de dooden, de stervenden en de klagende gekwetsten. Een

reuk van verschroeid linnen en verbrand hout wolkte den schouwburg

rond. Ik heb zeer beleefd de dames naar huis gezonden, nadat ik de

sterkste van beiden, die in bezwijming lag, met den eenigen geur van

mijn zakdoekje had tot bezinning gebracht ....

--Maar, deed Francine wonder-oogend, hoe bleeft ge zoo .... kalm

.... zoo sterk?

--Ik was wel kalm, juffrouw, weerzon Sörge luchtig-pratend, maar

waar haalt gij het, dat ik sterk zoude geweest zijn? Ik was in die

afschuwelijke stuiving een machteloos inzichtje en eene nietigheid. Ik

heb nochtans niet den schouwburg verlaten, eer ik gedaan had wat

ik doen kon daar beneden.. Ik heb gekwetsten verzorgd. Ik heb de

levenden van onder de dooden-stapeling verlost .... mag ik van dat

verhaal verschoond blijven? Ik zag er eindelijk, met mijn soirée-rok,

als een woeste beenhouwer uit, neem me niet kwalijk ....

--Hoe akelig was dat, zuchtte mevrouw Verlat peinzend, maar ge waart

toch zeer sterk, mijnheer ....

--En, viel als een joepsteentje mijnheer du Bessy haar in de rede, zijt

ge op geen oogenblik bang geweest? Ik meen, Sörge, de onwillekeurige

bangheid, het instinkt dat angstig wordt ....

--Ja wel .... ja .... wel ....

Sörge sprak ineens langzaam. Hij had het theekopje op het ronde

schenkblad neergezet en lag nu lang-uit over de leuning van zijn

stoel. De hooge randen van zijn boordje hinderden hem onder zijn kin

en hij overvingerde nu de tipjes, ze even van mekaar wegdrukkend,

lichtelijk. Hij kruiste toen zijne handen saam om zijn opgeheven knie

en glimlachte vreemd. Hij vervolgde in effen stemklank, eentonig:

--Niet, zooals gij zegt, het instinkt dat angstig wordt, mijn waarde

du Bessy. Eene gewone en pijnlijke benauwdheid was 't, iets dat men

duidelijker zoude kunnen noemen: zorgen. Ik heb, inderdaad, éen

oogenblik gevreesd dat Ernest in die helle was.

--Dat was billijk ook, mijmerde Simon Peter.

--Zeker. Maar mijn angst duurde één oogenblik slechts. Het is zeer

verwonderlijk wat omging in mij. Ernest heeft u verteld hoe hij

aan het gevaar ontkwam, hoe hij, al sprekend met mijnheer Peter, in

het voorportaal van den schouwburg wat frissche nachtlucht was gaan

scheppen, hoe hij de ontploffing hoorde en met het geweldige gedrang

naar buiten werd gestooten. Weet gij wat echter--het is waarlijk gek

genoeg!.. als een schicht door mijne hersens schoot? Ik beeldde mij in

dat mijnheer Peter den dood had voelen over al die hoofden dreigen ....

--Hee! boertte Ernest, dat is dwaas!

--Gek, ja. Ik zeide het reeds. Ik had mijnheer Peter zien wegdonkeren,

tamelijk ijlings, binnen 't gewoel, met u, Ernest. En ik ried dat

hij vluchtte, dat hij u om het lijf vatte, u zonder uitleg naar

buiten dreef. Gij riept dat ge zoo niet weg kondt, dat ge niet alleen

waart. Hij voerde vechtend u mede. Op het plein in veiligheid zijnde,

bekende hij u zijn zonderling voorgevoel, en toen sprongt gij de trap

op om .... mij te redden.... maar toen, te gelijk, brak uit, te vroeg,

de dondering .... Mijn schrik duurde niet lang. Ik was zeker dat gij

het gevaar ontkomen waart.

--Welke redenen had gij toch om zoo te denken? vroeg Simon.

--Och, lachte Sörge, als ik redenen had om zoo te denken, ware het

zeker dat gij er hadt om zóo te handelen. Het was een voorgevoel,

beste heer, eeniglijk, zooals, bij u, dat .... andere, wat nochtans

niet gebeurd is, kon een voorgevoel zijn ook .... Maar, en ik heb u

verwittigd, wat ik ervan verteld heb, is te gek, juffrouw, is veel

te gek om zelfs een grapje te zijn.

Mijnheer du Bessy moest hartelijk meelachen. Hij vond de gelegenheid

goed om Sörge's verhaal eenige mythologische vergelijkingen aan

te passen. Hij deed het met de zwierigheid en de nauwgezette

welsprekendheid waaraan hij nooit tekort schoot, en Sörge was hem

dankbaar, omdat hij de werkelijke onbeschaafdheid van 't gebeurde

met zijn dichterlijke fantazie wilde verfraaien.

Nadat iedereen, knikkend, zich zeer met het liefelijk tusschenspel van

mijnheer du Bessy ingenomen toonde, brak de tafelronde. Ernest ging met

Francine en Sörge kuieren in het kleine salon en de veranda. Pastoor

Doening bleef zitten naast mevrouw Verlat, en Pacôme zat met du Bessy

en Peter aan den overkant van de theetafel.

--Ik geloof niet, sprak Pacôme, dat aanvallen zooals die welke in den

schouwburg werd gepleegd, aanleiding kunnen geven tot eene politieke

omwenteling. Het walgt der burgerij zich aan te sluiten bij eene

volksbeweging, welke leiden moet naar eene verderflijke overrompeling

van alle maatschappelijke gegevens. Wat baat zal deze moord geven?

--De angst, de nuttige angst, zei Peter, dat het kapitaal niet meer

veilig rust, zoodra het misbruik maakt van 's volks levende krachten.

--Men kan diskuteeren toch, zoude ik denken!

--Neen, Florjan. Men verzet geen geldkist met woorden. Zij moet worden

in gevaar gebracht.

--Gij wilt toch niet stelen, Simon?

--Noemt gij het stelen? Dan, als ik iets zoude willen hebben, wil ik

dat men ophoudt het volk te bestelen. Maar, waarlijk, er is hier van

stelen noch her- noch anderzijds spraak. Er is spraak van een sociaal

evenwicht dat, door den uitermatigen parasitairen aangroei van het

kapitalisme, gebroken is en moet hersteld worden. Ik beken, hoezeer

ik verlang dat het anders kon geschikt, dat tegenover het geweld men

het geweld moet gebruiken. Het spijt me dat het onschuldige levens

kost--maar wie is voor dat alles verantwoordelijk?

Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven · 第 15 / 35 段