madonna in miniatuurschildering. Zij is vervaardigd en geschonken door
iemand die mij een hoop dwaze redenen heeft opgegeven, waarbij hij zich
onwillens verplichtte op dit feestje afwezig te zijn. Hij heeft het
fijne prentje in een oud medaljon van zijne overleden vrouw gelascht
en, herkennende dat men den naamdag van zijne dochter viert, wil hij
(Doening nam uit een ander plooi van zijn sluier een ander schrijn)
haar het medaljon schenken.
Vere liet het mooie juweel om de tafel overhand gaan; en banger werd ze
binstwijl; en rechts had, zonder een woord en voorgoed, Peter de ledige
plaats ingenomen. Het eetmaal werd opgediend. Bijna te gelijk bracht
Ko een telegram voor mevrouw Verlat. Ze scheurde het zenuwachtig,
keek het vluggelings in en reikte het aan Oomken over, die het luidop
voorlas. Ernest meldde dat hij verhinderd was de viering bij te wonen,
dat hij pas laat in den avond kon aankomen en dat hij ondertusschen
Vere zeer hartelijk gelukwenschte met haar feest.
Pastoor Doening dacht: "Hij heeft mijn brief te laat ontvangen;"
maar mijnheer du Bessy, die nu geheel vergeten had dat, zonder de
gelukkige verwittiging van een kiesch morgenbiljet, hij evenmin als
Ernest aanwezig ware geweest, liet in een verstaanbaar geknor zijn
misnoegen kennen.
Het maal liep goed van stapel. Francine was bijzonder vriendelijk;
Simon, die anders nooit sprak, werd het praten niet moede en pastoor
Doening had meermaals zetten van eene fraaie geestigheid. Oomken
geraakte even boven zijn wijn, maar het deed niet hinderlijk aan,
en de nimfen, tritonen en saters kregen daardoor in al zijne gekke
redevoeringen overvloedig hun bekomste.
Vere leefde zonderling in die gulle stemming. Zij deed haar best
om alles en iedereen met een blijde hartelijkheid te bejegenen. Men
had het wiegje in het spreekvertrek, naast de eetzaal gezet, en soms
liep zij daar eens binnen, verwijlde er een tijdje en, als ze weer
kwam, hoopte ze telkens dat Ernest daar plots aan tafel zoude zitten
.... Hij zat er nooit. Bij het dessert moesten nu al de dienstlui
onder geleide van Ko voorkomen. Zij dronken een glas champagne en
deden bescheid met mevrouw, en hunne gezichten waren gelijk vette
zonnen onder den oranjen luchterglans.
Dan zonk stiller het feestje. De tafel werd opgeruimd, en mijnheer
du Bessy die het wat zwaar op de tong kreeg, kroop zonder verlof
naar zijn bed. Simon en Francine zaten vóor het speelbord en Pastoor
Doening sprak, zooals naar gewoonte, bij den hoogen haard die kreesch,
gemoedelijk met Vere. Nog altijd wachtte men op Ernest. Wat hadde
zij al niet gedaan om hem nu bij zich te hebben, om hem nu te zien,
te voelen nevens haar, te voelen dat hij mededeed aan de vreugd van
het huis! Hoe fier hadde zij over zijne geschenken gesproken, en hoe
gulzig hadde zij de liefde bewonderd die daarbinst van zijne oogen in
gloeiende geuten zoude neerstorten op haar! .... En ze wachtte. En
pastoor Doening wachtte. En van over het speelbord, ginds, belonkte
men haar.
Eindelijk gaf zij zelve het teeken van het afscheid. Het was een
stil, haast droevig afscheid. De bloemen in de rilde vazen, waren
week geworden, en neigden hun slappen kelk. Het groote huis stond
stil binnen den nacht. Op een vreemden blik van Doening en terwijl
zij zijne hand drukte:
--Neen, mijn vriend, fluisterde ze, ik voel me niet alleen. Ik zal
nooit alleen zijn, zoolang ik mijn kindje houd ....
Dat kindje hield ze niet. Het stierf, ruim twee weken later, op een
witten sneeuwdag, en de struische dokter zei, al blazend, dat het
gelukkig was.
IV.
EEN NIEUWJAARSNACHT TE BRUSSEL.
Op nieuwjaarsvooravond--het kon iets na tien uren zijn--ging Ernest
Verlat bij Rupert Sörge aanschellen. Hij werd in het kleine salon
geleid, waar Sörge hem dadelijk kwam opzoeken en stil-lachend hem de
hand reikte.
--Hee, zei hij, ik wanhoopte waarlijk dat ge komen zoudt! Ik vind
het wel vriendelijk van u, Ernest; maar moet ik niet vreezen dat ge
weinig zin hebt in het nachttoertje dat we onder ons afgesproken zijn
te doen? .... Ge ziet er zoo somber uit.
Ernest had, telkens hij vóor Sörge stond, het onaangenaam gevoel
van iemand die zich gewend heeft aan een streng toezicht over
zijne minste gebaren en die nu gebaart met aarzeling en toeziet
met onzekerheid. Ik durf niet zeggen dat hij, in aanwezigheid van
zijn kieschen en nauwkeurigen vriend, zich natuurlijk overgaf en
nu met eene oprechtheid te werk ging, die hem van al zijne gewone
peuterige omzichtigheid ontblootte. Hij deed wat hem mogelijk was
om eene houding te bewaren die op zichzelf een leugen was, maar die
hem in Sörge's oogen het voorkomen moest geven van een zelfstandig
en sterk-gewapend man. Hij voelde dat het hem iedermaal mislukte,
dat het eerste woord van Sörge op hem afkwam als een rake aanval,
die gansch de stelling van zijn kunstmatig uitzicht overrompelde,
en dat hij alsdan weerloos of verslagen stond. Hij dierf zijn eigen
niet bekennen dat Sörge hem te sterk was. Hij wist echter dat hij hem
niets verbergen kon en, dewijl hij juist in alles zoo ingewikkelde
pogingen deed om 't binnenst wezen van zichzelf aan anderen te
verbergen, werd hij onverbiddelijk aangetrokken op de plaats waar,
tegen alle moeite in, niets te verbergen was.
Dat was de meesterschap van Sörge, en, al was Ernest er angstig voor,
hij wilde ze belijden.
Dien avond taakte hij, alreeds bij zijn lachenden groet, Sörge's
scherpen blik in zijn geweten. Sörge had gezeid dat hij er "zoo somber"
uitzag, en Ernest wist genoeg dat hij er in 't geheel niet somber
uitzag. Maar hij hadde het moeten zijn. Hoe gretig wilde hij thans
zijn wezen onder een somber masker dekken! .. Sörge, zoo voelde hij
seffens, had geraden dat hij het wilde, en gezien dat hij het niet kon.
--Ge ziet er zoo somber uit.
Dat was toegeven dat Ernest zich feitelijk had weten te verbergen,
en deze inschikkelijke beleefdheid gold alsof hij zeggen wou:
--Gij hebt een hoop redenen om bij me te komen met een somber
gezicht. Het spijt me dat gij er zoo luchtig uitziet. Maar ga uw gang
maar--ik merk het niet eens.
Met Sörge slaagde Verlat er nooit in "zijn gang maar te gaan." Hij
volgde Sörge's gangen. Het geestelijke proces van zulk een
schijnbaar-vreemde handelwijze is licht begrijpelijk. Verlat, zal
ik zeggen, was een zwakkeling die het klaar besef van zijne zwakheid
had. Dit was al wat hij tegen zijne zwakheid vermocht: ze kennen. Het
was waar dat zijn gansche leven éen leugen was geweest; maar die
leugen, die eigenlijk niets meer dan de zorgzame aankleeding van zijne
zwakheid was, vloeide voort uit de aandacht waarmede hij voortdurig
beproefde, in het aanschijn der menschen, zijne gevoelens zoo vormrijk
mogelijk te belichamen. Nooit bij hem rees een gevoel in eenklank met
het uitzicht dat hij er aan gaf, omdat dit uitzicht steeds de uitslag
was van eene voorafgaande cerebrale behandeling. Zijn gevoel--zoo mag
ik het noemen--was de inspiratie die de bewerking van zijn geest ging
bezielen en dan, naderhand, aanleiding gaf tot een literairen uitslag
waarnaar hij zich uiterlijk gedroeg. Men zal willen inzien dat op een
dergelijk gevoel het koude en rappe waarnemingsvermogen van Sörge een
beslisten invloed uitoefenen moest. Verlat's wezen, in gepeinzen en
manieren, veranderde er niet onder, maar het werd erdoor gefolterd
en verward. Die verwarring hechtte hem aan Sörge, die hare oorzaak
was. Sörge behandelde hem overigens met een smaakvolle en nauwgezette
zachtheid en stichtte nooit, door te groote scherpheid of te bijtende
scherts, een voorwendsel dat Verlat aanwenden kon om zich, in een
opwelling van gekrenkte eigenliefde, aan de dwingende overmacht van
zijn vriend te ontrukken. Hij hield Sörge voor een duivelachtigen
kunstenaar--wat misschien wel waar was--maar hij meende dat hij
niet loog wanneer hij hem, in de aanwezigheid van Vere of Peter, een
"übermensch" noemde.
Hij drukte, met gewilde lichtheid, de hand van Sörge en antwoordde:
--Ik geloof niet dat ik somber ben, Rupert. Ik voel dat ik van huis
weg moet, dat ik buiten het bereik van Vere's lijdzaamheid mij eens
opfrisschen moet. Ik ben dus gekomen, zoo simpellijk als ik kan.
--Gij hebt gelijk, sprak Sörge terwijl hij met eene lieve zorgeloosheid
zijn wit dasje wat dichter snoerde en in éen vingertoets de
briljantspeld door den knoop stak, ge moet al die doode dingen, al
die neerdrukkende dingen van uw schouders schudden. Laat ons zooveel
mogelijk leven en zoo weinig mogelijk met de menschen. Weet gij wat
onze zwaarste vijand is, Ernest?
--Spreek alsof ik het niet wist.
--Het verleden. En wie houdt het zakkend verleden op? Wij niet ....
--Praat maar.
--De menschen.
Hij stond in fijn-snedigen soirée-rok ruggelings vóor den spiegel,
waar Ernest zijn glad-geleid en even lokkend haar blauw-donker
zag glanzen. Nu lachte hij met, over zijn gebogen aangezicht,
de gemoedelijke uitdrukking van iemand die het niet ernstig
meent. Ondertusschen had hij toch gezeid wat hij zeggen wilde, en aldus
met éen greep de atmosfeer gesticht, waarbinnen Ernest beïnvloed en
gevangen zat.
Op het laatste oogenblik besloten ze het rijtuig, dat door Takker's
zorgen ingespannen was, niet te gebruiken en ze vertrokken te voet,
warm in de voering van hun mantel geduffeld. Ze stapten onder de
doode kastanjelaars, wier knoestig gebeente wijdarmde in de groen-gele
flikkering van de gaslantaarns.
De Louizalaan was eenzaam. Soms zoefde er een elektrische tram
voorbij, die om zijn ijlende klaarte de stille schaduwen van den
nacht verplaatste en, al jagende, een stralende gaping boorde door de
donkerheid. De huizen stonden, zacht verlicht, voornaam en statig. Een
droomende waker doolde langs de vlakke gevels.
--We hebben het weder niet tegen, Ernest, sprak Sörge in den
opgetrokken pels van zijn kraag; het vriest lekker.
--Een echte lucht om lampions op te steken en zottigheid te doen.
Ze kwamen aan de Poelaertplaats van waar ze de lage stad zagen
flikkeren en dampen. Ze voelden in het voorbijgaan nevens en over
hen de ontzaglijke massa van het Gerechtshof opsomberen. Ze bleven
een tijdje vóor de ijzeren leuning staan van waar zij een breed
uitzicht hadden over de mooiste helft van Brussel. Brussel lag in een
blauwig gesmeur, dat in paarse en oranje lichtvlagen opwalmde en niet
hoog boven het duister getas van daken uitstierf in de groen-blauwe
helderheid van de wintermaan. Geen wolk was aan den hemel. De maan
hing in een diep-kleurigen koepel vlak over het rookende verfleven der
stad. Op de hoogste dakvensters kwam ze glinsterruiten .... 't was een
toets, een lichtelijk gefleer, een stilte van licht op die vonkelende
stadsademing; maar 't verschroeide in het algemeen vuurgeblaas en
't verging in de golvende branding.
--Daar moeten we nu in, droomde Ernest, ge krijgt er een krieseling
van .... men zou zeggen een menschenoven, en, luister, men hoort door
mekaar de doffe harten beuken ....
--Al die harten zien beuken in ons aanschijn .... fluisterde Rupert;
komaan, kerel, we storten in de wellust van deze hel!
Ze liepen langs de zijgende gaanderijen die bezij den rechtergevel
van het Justitiepaleis afhellen trapsgewijs. Ze drongen door de halve
duisternis der smalle steegjes van de Kapellewijk en nu waren ze
binnen het volle stadsrumoer. Al de kroegen, kavitjes en kabberdoezen
der Hoogstraat waren open en onder de lage lichten krioelde een
bleek gepeupel van willokseters en kwakzuipers, vaartkapoenen en
gauwdieven, wijventoekkers en makrellen, oude stumpers en jonge wurmen
aldooreen. Harmonikagezoef hijgde op danskadens achter de gasbekladde
ruiten of, uit een breede poort van balzalen, gutsten de knettergeuten
van een balkend orgelorkest. Groepen scharrelden scheef-loopend over
de straat. Een jacht scheldende meisjes vluchtte vóor de greep van
een jongensbende uiteen.
Op het Kapelleplein waar, zoo ineens en altijd, het lawaai verstilde,
rees stille de grijze kerk.
--Voelt ge dat? lachte Sörge; die kerk staat hier als het portret
van een eerste-kommuniekantje op het marmerblad van een hoerelavabo.
Ze stapten rap door. In de Steenpoort, waar de omgang minder druk
is en het verkeer van beter allooi, zagen ze de witte schorten van
de krabben- en karikollenventers, en de hooge eierpaanders, welke
leurende vrouwen van herberg tot herberg over hunnen ronden buik deden
wippelen. Op den hoek van de Beiersteeg stond, als naar gewoonte, een
oud mannetje met blikken stoof waar aardappels geurden, en met, in zijn
linkerarm, een mandje vol sprot op cirkelvormige lagen. De Korenmarkt
was rustig, eenzaam. Hel-kleurig vierkantte daar de uitstalling van
een verkensslachter, een pasteibakker en een tabakswinkelier. De
klaarte spetterde uit op de grijze kasseide. Weliger leefde de
nauwe Hoedenmakersstraat. De huizen van de eene zijde verlichtten
verscheidenlijk de gevels aan den overkant, en een drummend volk
drong veelstemmig naar de Groote Markt op. De Groote Markt leek van
hier een fornuis waar onzichtbare vlammen zouden laaien.
--Loopen we daardoor? vroeg Rupert.
--Om te zien. Voort maar.
Te midden van de wijde plaats en onder eene ronde kiosktent die de
schatering van drie elektrische bollampen neer joeg, zag men de
mouw van den kapelmeester op mate heen en weder zwaaien; maar de
orkestgalmen overvloeiden nauwelijks het gaande volksgeraas. De gele
lichtfestoenen die bij wijze van illuminatie in dubbele slingers rond
de markt rankten, deden op duizenden menschenhoofden de tinteling
dansen van hunne bevende pitjes.
Daarboven en ommendom rezen de heerlijke korporatie-huizen met hunne
rijke versieringen en de gebrokkelde schaduwing van vensterbogen
en balkoenen. Hooger uit, in de groene pracht van de maanbeglansde
gewelven, stille in zijne onverschillige transen besloten en met
de rust van eeuwen langs zijn steenen kantwerk om, heerschte de
heerlijke stadhuistoren.
Sörge en Verlat maakten, al achter de Broodhalle, een korten omweg
en geraakten over de Kiekenmarkt op de Anspachlaan. Hier was de
grootsteedsche doening, het rammelend geharrewar van rijtuigen en
't snorrend geroer van trams, het verschillig geschater van oranje
en wit-blauwig en roze terrasgekleur, en het gonzen van Weenerdamen-
en Tjekken-symfonieën. Warm en dampend gloeiden binnenwaarts de
koffiehuizen. Geen winkel was gesloten. De groote bazar liet gapen
al zijn vuurschietende deurmonden, en overal, al beide kanten en tot
aan het Statieplein tenden de Noordlaan, was 't éen blakende rij van
ijverige ruiten. Hier voelde men sterkelijk de koorts, welke klopte
in het hart zelf van de stad en zich uitzette allerzijds, langs alle
nevenstraten. Op de hoogste huizen brandde in roode vlamletters de
roep van advertenties en theaterreklaam.
Verlat die van het loopen wat warm was geworden en zich tusschen de
hooge hotelgevels gaarne thuis waande, kreeg nu lust om te soepeeren,
en Sörge die 't om te eten veel te vroeg achtte, stelde voor eerst
in de Grill-room met een port bescheid te doen. Zoo deden zij.
--Ernest, zeide Rupert, toen ze daar in een hoekje tusschen hun
opgehangen mantels zaten en reeds op het groen-houten tafelblad de
gulden roemers glommen, als ge zoo in 't rumoer zijt van stuwende
menschen en de klopping raakt van al die borsten, voelt ge u dan niet
zijn een eenling van die kudde en walgt het u niet die eenling te
zijn? .... Kijk, daar groet ons juffrouw Titine. Zij is erg in haar
voordeel veranderd, juffrouw Titine, en ze heeft nu een genre over
zich, waarbij ik gerust zeggen kan dat ze van haar dikken huidenvetter
af is. Ze ruift en ze verpluimt zeer aardig .... Kudde, Ernest,
de geest van de kudde .... Telkens werpt zich die walg op in mij.
--Neen, niet precies dát. Maar .... daar hangt, sinds ik van uw huis
weg ben, iets zonderlings over mij. Het is mij .... of mij iets te
wachten staat .... of mij iets bedreigt, waaraan ik nu niet meer
ontsnappen kan ....
--Zijt ge verliefd?
--Pro-ost! 'k Zal liefst zwijgen. Ge flapt met uw scherts, eer ik
gesproken heb, mijnen mond dicht.
Ernest bloosde licht en Sörge die nu zijne linkerhand in zijn borstzak
gestoken had, streelde er langzaam een eirond ivoorken. Juffrouw
Titine in grijs-satijnen soirée-kostuum zat naast twee kale heeren,
waarvan de eene met haar wit-laken overmantel belast was. Hij had hem
over zijn arm en zijn schouder gehangen en was zoo blijven zitten. Zijn
glanzend bollig hoofd wiegelde klein-lachend erboven. De Grill-room was
tamelijk stil. Twee heerengroepjes praatten fluisterend onder mekaar.
--Gekheid, sprak Rupert, die nu almeteen vreemd-ernstig was geworden
en wiens stem met zonderlinge klankentraagheid luidde; ik dacht niet
aan u. Ik dacht aan mij. Ik dacht zoo .... dat ik wel wou verliefd
zijn, hoe tijdelijk ook ....
--Is uw leven eentonig?
--Juist. Het is eentonig. Ik houd anders wel van eentonigheid
.... wanneer ze mooi is als een zomernacht en diepzinnig als een
zeehorizont. Maar .... gij kent Milly niet.
Hij keek, bij zijn laatste woord, plots Ernest in de oogen. Zijn blik
was fijn en puntig, niet vorschend echter en niet hinderlijk. Onder
dien blik meende Ernest tegelijk dat zijne ziel bloot lag. Hij werd
verlegen en trachtte zijne verlegenheid onder den vorm van eene
brutale onverschilligheid te bergen. Hij hoestte.
--Ik heb honger, sprak hij.
Doch, niet lettend op deze onkiesche behandeling van een ellendige
schaamte:
--Ik wou wel, wedervoer Sörge, dat gij haar kennen mocht. Ik geloof
dat ze mij vrij hartelijk liefheeft, bijaldat ze er al veel met den
kop moet toedragen, waar ze met het hart te kort schiet. Als wij
haar straks ontmoeten, moet gij zeer terughoudend zijn. Het is de
eenige manier haar te leeren kennen. En vooral: verwonder u, in hare
aanwezigheid, over mijne houding niet .... God! hoe storend is toch
die roode gaga-kop boven den witten mantel van juffrouw Titine!
--Inderdaad.
De kelner schoof hun zware mantels op tot over hun boordje en haast
tegen den rand van hun zijden hoed. De deur slierde over de dikke
tapijten onhoorbaar dicht op hunne hielen, en 't geroezemoes der
stad kwam weer ronken om hunne hoofden. In een rijtuig, dat vóor hen
doorreed, zagen ze onder de flauwe blikkering van de koetslantaarns
twee gemaskerde vrouwen zitten. Het geel en het blauwe satijn van hunne
ontkraagde keurslijven roerde in gebrokkelde glansen dooreen. Het zicht
daarvan bracht Ernest's gedacht op het feest in den Muntschouwburg. Hij
vroeg of het afgesproken bleef dat ze zouden naar dat feest gaan.
--Mij kan 't niet schelen, zei Rupert, daar is anders wel een en
ander te zien, namelijk de gebaren en de kleuren van dat alles. Waarom
aarzelt ge nu?
--Ik aarzel niet. Ik ben lui. En dan .... dat iets wat daar spookt
boven mij .... Lach maar.
Hij had veel deugd aan dat "lach maar." Het scheen hem dat hij met
dat woordje ineens de overhand had of, in een wip, aan den grijp van
Sörge ontsnapte. Hij hief zijn gezicht, dat eenigszins bleek was,
op en stiet, bij wijze van peinzende onachtzaamheid, zijne kin naar
voren. Zijne schouders bultten een beetje.
--Als ik op dat oogenblik wilde lachen, sprak Rupert langzaam en weer
met den zonderlingen klankval, welken hij soms aanwendde, zoude het
allerminst met uwe spoken zijn, en veeleer met uwe werkelijkheid. In
mij spookt ook ergens wat, dat misschien--het is een gevoel zonder
uitleg--eene oorzaak is van uwe spoken. Maar, kerel, nu denk ik
waarlijk dat we .... hongerig zijn!
Ze kwamen in de Bisschopstraat en stonden vòor de dubbele roode
venstergloeiing van de Old-curiosity-shop. Ernest stiet de deur
open. Eene zachte muziek ruischte binnen en waaide lichtelijk aan.
Deze shop was eene merkwaardige gelegenheid. Zij was bij uitstek
het soepee-huis voor wat men aldaar "de demi-monde" noemde, en,
als het waar is dat "eerlijke" dames nooit den drempel overschreden,
algelijk trof men er haast enkel "eerlijke" heeren. De Curiosity-shop
was de modetaveern waar zich de rijke jonkheid en de wellustelingen
vereenden, en zij had juist eene zoo groote aantrekkelijkheid omdat
zij de ondeftigste inzichten met dat deftigst fatsoen aankleedde. De
shop was eene uitgelezen stille plaats. Men kon er bezwaarlijk een
dagblad lezen of een whistje spelen, maar men hield er voortreffelijk
de bank. Men at er ook zeer keurig. Madame Morganès, de shop-patrones,
beweerde dat de Belle-vue geen beter tafel kon zetten dan zij het deed,
en dat haar kelder al navenant bezet was. Daar werd nooit iets op
afgedongen en de keuken zoowel als de kelder werden op eender waarde
geprezen. Mevrouw Morganès was dan ook met de klandizie begunstigd van
de meest bekende salet-juffers en de meest vergulde heerschappen. De
spelende adel, de notabelen der vierschaar, de pronkstukken der
politiek en de hooghalzen van het leger, 't kwam er al saam, 't
keuvelde er met de meiden, 't twistte er over de champagnekurken,
't ging er, in de doezelige nevenkamertjes vrijen, duelleeren of
kaartenleggen. De shop was niet de gemeene bar, waar men afschuwelijke
"tisane" zabbert, vuile mopjes verkoopt, zijn dasje verliest en op
damesbediening vertrouwt, maar zij was ook niet de strenge restauratie,
waar men, al vergeeft men er in late uurtjes eene lichtheid, wijde
hoeden en naakte schouders schuwt. Dronkaards werden niet toegelaten:
men goot den wijn over de tafels ....
Madame Morganès, die eene dikke Bordeleesche was, had de taveerne op
zeer eigenaardige manier en met fijnen smaak ingericht. 't Had wat
gekost, zeide ze dikwijls, en ik geloof het zeker. 't Was nu een echt
kunstjuweeltje en het heette zeer passend "the Old-curiosity-shop."
Het was namelijk een antikwariswinkel, maar dan van een antikwaris,
die geen koopman en een kunstenaar zoude zijn. Het algemeen
uitzicht van de shop was rood. De muren waren met een diep-rood
leder behangen, en de balken van de eikenhouten zoldering had een
Lucasschilder met ornamenten versierd van rood goud. Het koper van
de vier ouderwetsche kroonluchters, die veelarmig boven de twaalf
ongelijke tafeltjes hingen, was met een roodachtig roest overblekt,
waarlangs de hellere glansen van een door den tijd gepoetst metaal
lichtelijk uitglommen. De belichting was mild, oranje-zacht en ongemeen
warm. Zij deed zeer behendig de mooie potjes, kandelaars, schotels en
kristallen opgloeien, die, heel rond en om, op berdjes en hangende
schonken stonden, en zij stichtte achterwaarts een heimelijk spel
van paars-roode schaduwen. Overal, op den toog, op de tafels, op de
schouw, die breed en rijk-gebeiteld was, op de vensterbladen, overal
waar 't zich schikken kon, trof men een vaasje van Sineesch porselein,
een Sèvres-beeldje, een bronzen asch-teel, een Delftsch paardje, een
schaal van vloeiend Venetiaansch water. Een soepel Damas-weefsel,
rood-bebloemd en wijd-vouwig, hing in twee rechte doeken vóor de
dubbele vensters, en boven de zwart-marmeren schoorsteenkap plooide
aardig een kort gordijntje van oud-oostersch brokaat.
De toog, die onder een arduinen boog stond, was als een outer, en
daar troonde de ontzaglijke Madame Morganès met haar reuzenschouders
en haar Lilliputtersgezicht. Ze roerde niet vandaar. Anatole, de
pompier, die de indruk maakte van een ros schaap was gedurig werkzaam
rond haar, haalde de flesschen en schikte de roemers op de tinten
schenkborden. Zijne ooren lepelden over zijne smalle slapen.
Voór den toog stond, in scharlaken livree, de "chasseur," een jongetje
met een oolijk ziekelijk hoofd en puntige oogjes. Hij had een vicieus
loersnuitje, bedruppeld met grauwe sproeten, en vochtige matte handen
die hij voortdurend in zijn beide broekzakken dook. Men noemde hem
Jujube. Hij was gelast met het ontvangen van boodschappen. De dames
vooral zonden hem op loopjes en hij kreeg een flinke fooi. Hij was goed
bekend bij den apotheker van de Nieuwstraat en bij den banketbakker
aan den overkant.