Sörge wist wel dat dit een phase was van zijne zonderlinge betrekkingen

tot haar, en dat zij zich zoude bewust worden, zoodra er maar een van

de gespannen snaren brak. Hij vreesde het keerpunt niet. Hij wilde

het mooi en geleidelijk aanbrengen, wilde haar rijp maken voor de

mogelijke verandering en bereidde zich om er, met eene harmonische

zinnelijkheid, van te genieten. Hij behandelde zeer omzichtig deze

eigenaardige evolutie en trachtte haar voor alle ontsierende schokken,

aanvallen en aarzelingen te vrijwaren.

Hij bracht haar dus van Nizza mede over naar Brussel en, kort na hare

instelling nabij het park van Tervuren, begon zij blijken te geven

van haren nieuwen ontwikkelingsstand. Haar drift, hare liefelijke

passie was niet verminderd, maar zij ging nu bang worden dat daar een

einde aan komen moest. Zulke zorgen waren de oorzaak dat zij uit den

tooverigen dompeldroom allengerhand ontwaakte en stilaan het verloren

geweten veroverde, waarmede zij de duurzaamheid van hare liefde in

gebeurlijke omstandigheden handhaven zou.

Ze was het eigendom van Rupert. Thans beeldde zij zich in dat ook

Rupert haar eigendom was en dat het geluk van bezeten te worden niet

ging zonder het geluk van zelf eenderlijk te bezitten. Niemand,

niets, geen toeval dreef haar er toe zich dit in te beelden. Het

werd langzaam klaar in haar geest. Het was eene helderheid die uit

de gronden van een rijpgeworden gevoel ontstond. Zoo doet de lente,

op haar juisten tijd, de gerspijlen en de overige kruiden schieten.

Nu had Milly iets te verdedigen. Zij zoude het doen met al de

schranderheid van het vrouwelijk vermogen, en zij had vertrouwen in de

listen van haar geest even ganschelijk als in de standvastigheid van

hare liefde. Zij nam zonder overgang en schijnbaar zonder uitzicht

geheel andere levensmanieren aan. Hierin werd zij niet door Rupert

gestoord, die haar gemeenlijk alle vrijheid gunde en zich, in deze

nieuwe gelegenheid, wel houden zou haar in den weg te staan. Nauwkeurig

beloerde hij haar, aandachtig volgde hij de duistere gangen van die

menschelijke omwenteling op, en hij opende lui zijne armen over haar,

ze geheel loslatende en wel wetende dat ze niet wegloopen zou.

Op een morgen boog zij over het bleek-bronzen aangezicht van Rupert,

en het was alsof zij, langs zijne slapende oogen, wilde luisteren

naar de gedachten, die nu zonder toezicht onder dat vlakke voorhoofd

ommevoeren. Haar naakte arm raakte even, op zijne borst, de kanten

frommeling van zijne hemdlobben. Ze blies ineens hard over zijne

wangen en liet zich op zijnen schouder nedervallen.

--Ha! kreet ze smartelijk, Rup, ik sterf ....

Rupert opende zijne oogen. Zijn lichaam verroerde niet. Een korte

trilling had rijzekens zijne lippen bewogen en nu kwam eene stilte,

waarbinst hij de zachte roering van haren adem hoorde. Hij glimlachte

en sloot zijne oogen opnieuw.

Nu kuste Milly hem gulzig, gebaarde dat er niets gebeurd was en,

al vorderende, verwonderde zich dat hij niet weten wilde wat haar

overvallen had. Toen vroeg ze:

--Zijt ge niet bezorgd om mij, Rup?

--Ik heb geen andere zorgen dan om onzentwil, om ons beiden, en de

gansche wereld is ons.

--Ja .... deed ze aarzelend, maar vreest ge nooit dat ik u minder

mocht liefhebben?

--Neen. Uw vraag is slecht gesteld, Milly.

--Zeker, ik voel het wel. Ik zoude ze moeten omkeeren .... en het

oogenblik is voorbij, nu.

Ze spraken dan van wat anders. Rupert proefde, met een gretig genot,

de nieuwigheid van dergelijke voorvalletjes. Hij woonde oplettend

de angstige opstanding van deze moutere vrouw bij en hij had,

tenden zijne fijne nagels, soms het gevoel van iemand die een gulden

perzik openbreekt, den natten steen doet opspringen en tusschen zijne

vingeren voorzichtig het kostelijke sap opvangt. Hij beroerde nooit

de toestanden. Hij bewerkte ze niet met oolijke verwikkelingen. Hij

liet ze worden en gebeuren.

De vervorming van Milly d'Orval was inderdaad verwonderlijk. Sinds

haar vertrek uit Weenen had ze zich gauw ontlast van de al te

vrije handelingen, waarnaar zij zich in de barkabinetjes had moeten

schikken. Zij was eene beleefde dame geworden, en haar verblijf in

Parijs en Nizza had ze doorgemaakt met eene hoofsche voornaamheid,

eene stijve, onverschillige zielskoelte, waarnaast dan de driftige

kreten harer passie voor Rupert er des te inniger uitzagen.

Nu dreef eene vreemde koorts haar naar de bars terug. Zij durfde

de bars niet bezoeken als vroeger--uit kuischheid, maar zij wilde

de barluchten inademen, om in de rookwalmen en de harde kleuren de

onrust te bedwelmen die voortdurig door hare hersens joeg. Misschien

hoopte zij dat Rupert er haar uithalen zou. Zij wilde, in elk geval,

een daad begaan, die in haar huidige betrekkingen tot Rupert zou

uitspatten als een steen op een effen vijvervlakte.

Eens dat zij met hem dineerde in het priëeltje van eene Tervurensche

restauratie:

--Nieuws, Rup, zeide zij; ik heb mij een paar vriendinnetjes gemaakt.

--Zoo. Ge kunt me voorstellen.

--Als ze nu heel vertrouwbaar waren ....

--Pardon. Laat dan maar zijn.

Ze sprak er niet verder meer over. Maar daags nadien deelde ze hem in

een stootenden vloed van korte woorden mede, dat er iets ondraaglijks

in haar verhoudingen tot hem was binnengeslopen, dat ze zich zoo

zielsalleen voelde en ze besloten had al die leegte te vullen.

--Ik moet mijne gedachten bijhouden, Rup, joeg ze voort; als ge van

mij weggaat, als ik hier eenzaam zit en aldoor denk aan u, is mij dat

denken eene angstigheid, die gansch de kamer doet spreken. Dan wordt

ik moedeloos lui. Het is me, alsof ik niet meer recht staan kan. Dan

wil ik recht staan, ik wil weer, als vroeger, lange uren vóor den

spiegel staan en mij opschikken, mij mooi maken voor u .... En toch

blijf ik maar zitten, en het foltert mij.

Hij keek haar aan met een nauwkeurigen blik, die geleidelijk de

ontwikkeling opspeurde van hare bangheid. Haar hart lag bloot voor hem,

en hij merkte er de onregelmatige aderslagen. Ze kuste hem koortsig

en hijgde even.

--Ge moet mij helpen. Ik heb iets gedaan buiten u en gij moet mij

zeggen of ik goeddeed. Zeg iets, Rup, verbied mij iets. Ge weet,

ik heb mij ineens dat leven in Weenen herinnerd. Ik ben verleden

week dat roode ding in de Bisschopstraat binnengeloopen en ik heb

er gesoepeerd met twee van die halve wereld. Zij heeten Bella en

Marjolene. Eergisteren heb ik ze bij me thuis ontvangen. Vertel mij

wat dat allemaal beteekenen moet, Rup.

Hij lachte nu luid, fleerde met zijne vingeren in de lichte

haarkrulletjes op haren hals en staarde wild in hare oogen. Ze bloosde

en lachte mee.

Toen zei hij dat hij alles voortreffelijk vond, dat hij Marjolene en

Bella wilde kennen, als ze ten minste mooi waren, en dat Milly gerust

haren gang moest gaan.

--Gij zijt zoo echt kostbaar, fluisterde hij, terwijl hij de rilling

naging welke, onder zijn warmen adem, over hare naakte schouders

sidderde.

Milly d'Orval werd een habituée van de Old-curiosity-shop, het roode

ding van de Bisschopstraat. Ze maakte er zich meer vriendinnetjes

en richtte ten harent smulpartijtjes in, waar het puik van de hooge

plezierclubs werd aangenomen. Telkens was Rupert aanwezig, telkens

zag hij dat zij nieuwe vondsten deed om, na iedere vergadering, een

nieuw uitzicht van hare zinnelijke pracht te doen opstralen in zijn

aandachtig aanschijn.

Dit duurde een vollen winter te Brussel en een badseizoen te Oostende.

Toen ontmoette Sörge den schilder Florjan Pacôme en, kort daarop,

Ernest Verlat.

Een paar weken na mevrouw Verlat's bevalling, op een grauwen

Novembermiddag, zat Takker, Sörge's knecht, vóor het raam van een

klein wachtkabinet te kijken naar de naakte kastanjelaars van de

Louizalaan. Het regende en sneeuwde te gelijk. Takker had zijne

vierkante vingers, alle tien, op het marmeren vensterblad geleid en

duwde met zijn okeren voorhoofd tegen de koude ruiten.

Een zoevende wind schuifelde door de knoestige boomarmen. De laan lag

eenzaam onder een violet-blauwe lucht, waar striemde, schuins-door,

het zweepende onweer. Een groene tram rinkelde voorbij.

De kleine oogjes van Takker beloerden de tokkeling van den regen of

blikten hooger-op naar een vlek van den lagen hemel, waar rolde een

logge wolkenjacht. Zijn bolle kop was als die van een dier, hetwelk

zoude rusten en lonken, oplettend en lui terzelfder tijd. Zijn platte

neus en zijn dikke lippen roerden bijwijlen, gelijk een gevoelige

snuit.

Hij wendde zich eindelijk om en ging mompelend vóor een rond tafeltje

zitten.

Op de tafel stond eene groote doos. Hij ontsnoerde de strikjes en hief

het deksel op. Eén voor éen nam hij, tusschen duim en wijsvinger, de

kanten kinderkapjes, de zilveren rotelaars, de paarlemoeren lepeltjes,

de porseleinen papkommetjes, al dat snoezig wichtjesgoed, dat daar lag

en zoo teer, zoo broos leek onder zijne bruine handen. Hij grommelde

gelijk een blijde hond en schaterde gulzig bij elke ontdekking van

een nieuw kindergerief .... Toen werd hij opeens ernstig, zijne kleine

oogjes werden grooter en een wonderbare melancholie kwam over zijn ruig

aangezicht. Hij droomde. Hij hield nog een hemdje op, en het zakte nu,

het plooide thoope en zijn elleboog rustte zwaar op den rand van de

doos. Hij tuurde strak vóor zich uit, wijd-droomend--en wie weet ooit

het zonnig beeld dat daar, in dat afschuwelijk hoofd, kwam opklaren?

De rammeling van een rijtuig op straat deed Takker schrikken. Hij

sprong recht en begon in haaste alles weer behoorlijk te leggen en

te schikken. Hij snoerde de strikjes vast, blies op het gladde deksel

een onzichtbaar stof weg en wachtte.

Het rijtuig stond vóor de deur stil. De poortier had de deur geopend

en het gekloef der paarden klonk nu hol-luidelijk tegen de muren van

het voorportaal.

Er werd gescheld.

Takker nam de doos in zijn armen, trok er mede een groote eetzaal door

en klom, tenden de vestibule, de breede trap op. Hij liep een hooge

kamer binnen, waar vier balkoenvensters een bleeken vooravond lieten

deemsteren. Hij zette de doos op een stoel en ging Rupert Sörge,

die vóor het open vuur zich te warmen stond, van zijnen pelsmantel

ontlasten.

--Zijn de bloemen bezorgd? vroeg hem Sörge in eene vreemde

hard-luidende taal, en, nadat Takker al mompelend ja knikte:

--Wat is dat pak ginds?

Takker bracht hem de schoon-gesnoerde doos en de faktuur welke onder

de strikjes vastzat.

--Bezorg dit eveneens, zei Sörge, met een kaartje van mij, aan het

adres van mevrouw Verlat.--Hebt ge wat gedaan vandaag? Is Dissel bij

Pezza geweest? Goed. Dank je. Geef me mijn thee en laat Geizan binnen.

Takker had aldoor ja geknikt. Hij schikte den mantel op zijn arm en

de doos op zijn anderen, en slierde geluideloos over het tapijt de

deur uit.

Rupert bleef vóor het krijschende vuur staan. Zijn voorhoofd rimpelde

en hij fronste af en toe zijne zwarte wenkbrauwen. Het was hier

stil. Het najaarsgewaai loeide bij vlagen door de kastanjelaars. De

kamer werd blauw-duister. De wanden waren met een rood-geel brokaat

behangen en niet éen lijst brak er de effen, diepe kleurgloeiing. Een

marmeren kopie, op half-grootte, van de medicische Aphrodite rees

op den schoorsteen en klaarde stil en licht. In het midden van

het oranje vloertapijt, welk met nauw-zichtbare bloemvormen was

beteekend, stond eene gladde ebbenhouten tafel en, er vóor, zat,

tusschen zijne wijde leunarmen, een zwart-fluweelen zetel zonder

koperknoppen. Juist daarboven breidde zich een wijde kroonluchter,

welke met metalen festoenen aan de eiken zoldering hing. Stoelen van

verscheiden grootte en verschillende ruglijn waren tegen de donkere

lambrizeering op éene rij geplaatst. Over de ruiten-uit-éen-stuk die

van dicht bij de zoldering tot op den grond in de balkoenramen pasten,

vielen dubbele gordijnen-- eene van doorzichtig vool en een andere,

zijwaarts geschoven, van goud-bruin perkaal. De vesperdoezeling, die

onder den wolkenhemel nu paars-donkerde, aaide er rustig en eendelijk.

Tot Takker op een zilveren schaal het broze theegerief opdiende,

bleef Rupert Sörge vóor het roode vuur staan, roerde koortsig de

tipjes van zijne schoenen in de haren van het geitevel, dat langs de

koperen roeden van den haard uitlag.

Takker zette de theeschaal op het glimmend berd van de tafel, keek

vragend op naar zijn meester en, op een kleinen wenk, vertrok. Eene

witte angorakat kwam sierlijk en wellustig om Rupert's beenen

hoogruggen en fleeren. Ze spon zoetjes.

--Hee, Geizan, streelde Rupert fluisterend en binstwijl zich bukkend

over haar; hee, mij-moênetje, Geizan, gij witte Geizan!

Hij ging zich in den fluweelen zetel zetten, en Geizan pluimstaartte

langs zijne knieën en raakte zijne lauwe vingeren even met het

koude tipje van haar neus. Hij plaatste een wit-porseleinen

kopje, goud-berand, op de glanzing van de ebbenhouten tafel,

zoodat de glimmende taslenden diep zich uitlengden in de blauwklare

spiegeling. Hij schonk de thee, die krullend opringde en uitdampte als

een adempje, onzichtbaar. Hij liet er twee suikerklontjes neerklinken,

lepelde ze erin om en weer tot ze smolten, en, als de drank weer

rustig onder de gouden randen lag, lei op de gele vlakte de droge

petalen van eene aromaatbloem. Zachtjes geurde de lucht.

--Is Geizan fraai? Mij-moene-Geizan?

Zoo aaide hij, terwijl hij, boven Geizan's aandachtig snuitje,

een ronde honingbeschuit brak. Toen dronk hij traagzaam en ging

languit achterover liggen in het fluweelen leunings-zwart. Hij

bracht geluideloos zijne handen saam over een klein wit voorwerp en

vingerde er langs, lijze en wellustig, en hij voelde de avond vorderen

rondom hem.

Het was een ivoren aapje.

Hij had het uit zijn vestzak genomen, waar het altijd verscholen

zat. Het was een aapje van geel ivoor, een ding om te betasten en

dat de soepele vormen van vingerstreeling had verkregen. Men had het

lichtelijk in het eironde, langronde ivoor uitgesneden en het was

wonderlijk het beeld van een zittend aapje, dat zijne achterpooten

neer zoude drukken op zijn borst. Het had geen staart. De lijnen

waren vaag geteekend, stichtten wattige schaduwen, verrieden,

gelijk onder een buitengewoon floers, de verscheidene dikten van

dat vreemd aapjeslijf. Het was alsof eeuwen en nog eeuwen de hoeken

ervan hadden afgerond, de beenderkneukels hadden zachtgesleten en

met groote behendigheid alles hadden weggewreven, wat de werking van

kriebelende vingeren mocht bezeeren daarrond. Nochtans was niets,

in de minste deelen niets verwoest, en niets beneveld. Geen deeltje,

geen ribbeboog, geen schedelbluts, geen merkbaar gewricht--hetgeen

altegare in tastelijke vormen haast van dat oude aapje maakte eene

levende werkelijkheid--niets was verminkt en niets was versleten. Het

was geheel, het was volledig. Het leefde, al zittend, een leven dat den

toets van levende handen lokte. Het was een mirakel van gevoeligheid.

Dit aapje kwam uit Takker's vaderland. Al jaren bezat Sörge het,

zoovele jaren als hij Takker bezat, en dat was vóor vaders dood. Hij

kon zich van die ivoren streeling niet meer vrij maken en gebruikte ze

nu, telkens als hij alléen zat, om aan een zinnelijke tastbehoefte

te voldoen, die bij hem een wereld van beelden en een zeldzame

beeldenverwisseling verwekte. Hij had alzoo de fijnheid van den

tast verkregen, zooals een schilder de fijnheid van het gezicht

en een toondichter de fijnheid van het gehoor bezit. En gelijk het

gebeurt dat het zicht van harmonische kleuren bij den schilder en het

beluisteren van kostbare akkoorden bij den toondichter de vorming

bewerkt van gedachten en gedachtengroepen, zoo bracht bij Rupert

Sörge de vingering over dit meesterlijk aapje de schepping teweeg

van vreemd-geestelijke figuren.

Hij zat vóor het gladde tafelblad waarop, zooals een eenzame

waterlelie op een vijverspiegel, het wit-porseleinen theekopje

zijn glimmend kelkje deed gapen, en hij bestreelde den rug en het

hoofd en den elleboog van den ivoren aap. Geizan had zich aan zijne

voeten neergevleid en hij voelde de warmte van haar lijf opgaan langs

zijn beenen.

De avond viel. De roode wanden somberden en de hooge balkoenvensters

werden gelijk violette lichtdeuren.

Rupert, terwijl hij de geurlinten van den theedamp om zijn gelaat

voelde kittelen en gelijkvormig zijn vingeren sleeren deed over

de ivoren deining van hillen en dalen, overdacht den toestand van

menschen en dingen rond hem. Dus deed hij gewoonlijk. In een soort

van zonderlinge extase, zag hij de betrekkingen van alle wezens

ondereen opklaren en hunne verhoudingen tot hem verhelderen. Hij

zocht dan in de weelde van zijne overdadige gevoelsprikkeling de

uitkomst van mogelijke handelingen, de rechtvaardiging van hinderlijke

gebeurtenissen, de oolijke wijze om lastige bezwaren weg te ruimen.

Zoo droomde en verzon hij nu eenderlijk.

Hij dacht aan Milly d'Orval. Hij overkeek de ontwikkeling van zijn

avontuur met haar, herzag de barkleuren van Weenen, de rijkelijke

vleesch-overgave te Parijs en te Nizza, de zinnelijke omwenteling

te Brussel, en nu .... hoe het nu toegaan moest, hoe zich dat nu

peiselijk moest besluiten, hoe dat nu moest vanzelf eindigen.

Het moest eindigen, en het moest aangebracht worden met sluwe

overgangsschakeeringen, gelijk een einde dat er, als vanzelf,

bij hoort. Hij dacht aan Francine Verlat. Hij stelde zich eene

behendige persoonsverwisseling voor; hij trachtte de voorzienigheid

te doorgronden die het lot van die beide vrouwen zoude maken. Hij

wilde zelf die voorzienigheid zijn. Wel was hij overtuigd dat hij

Francine beminde, maar hij begeerde haar vooral, omdat zij thans

eens der gegevens van een eigenaardig problema zoude worden. De

oplossing van dit problema belangde hem niet. De wijze, waarop zich

zulke oplossing moest ontwikkelen, trok hem aan en hij beproefde de

verschillige phasen ervan vast te zetten in den tijd: dit morgen,

dit overmorgen, dat ander zooveel later, en dan dat andere nog

.... De tijd was hem een schaakbord; en de beelden van zijn lusten,

de onderwerpen van zijn verlangens, de hinderpalen en kansen, al die

figuren waaraan hij het besef van zijn eigen ellendig leven toetste,

hij ving ermede een ontzaglijk koningsspel aan. Hij plaatste er de

personen, die handelen zouden, als zoovele motieven, waarvan hij

pogen moest de geheime drijfveer te zijn. Dáar Francine, en dáar

Milly. Die eerste moest komen en die andere heengaan. Hij zag de

krachten, waartegen hij met éene kracht zoude opwegen: de wilde

liefde van Milly, de veelvormige zwakheid van Francine. Hij woog

in zijne hersens de zwaarte van de storende nevenpions: eerstens

en hoofdzakelijk den beeldhouwer Simon Peter, dan pastoor Doening,

dan mevrouw Verlat, en misschien du Bessy, indien de omstandigheden

in de war geraakten. Zijn eigen winstzet zoude Ernest Verlat zijn.

Hij bekeek de draaiing van al die dooreenloopende bewegingen en volgde

aandachtig hun sporen op, die als eene klare teekening, zichtbaar

werden op de veelvuldige vierkanten van de violette vensterruiten.

Er werd tot driemaal zachtjes op de deur geklopt. Geizan, de witte kat,

hief rap haar kopje op, en Sörge, die half voorover boog, al duwend

op een electrisch knopje, deed den wijden kroonluchter lichterlaaie

schieten.

Takker bracht de tijding dat Milly d'Orval wachtte in het klein salon,

naast de eetzaal.

Rupert vond haar daar in een donker gewaad en trillend van ingetogen

woede.

--Rup, zeide ze stil, ik heb nu de zekerheid dat ge mij verlaten wilt.

Hij voelde dat ze eerst kalm moest worden. Hij nam hare hand in zijne

zachte handen, en liet ze langzaam weer los. Ze viel moedeloos in de

franjen van haar zwarte boa.

--Dat is onmogelijk, sprak hij kalm en aandoenlijk, ik weet immers

dat het onmogelijk is. We kunnen daarover praten, als ge wilt.

--In drie dagen kreeg ik u niet te zien ....

--Dat is meer gebeurd, Milly.

--Ja. Ja toch. Maar al uwe behandelingen zijn me nu klaar

geworden. Marjolene zei me het een en andere, en ik heb het overige

geraden. Gij hebt me vrijwillig in de moddering teruggestooten,

waar ge mij eens in Weenen hebt opgeraapt. Ik heb daar rijpelijk over

nagedacht, Rup .... Ge ziet het: ik kom tot u als eene vreemdelinge, ik

wil u niet doorzinnelijkheid overhalen. Ik heb alles bekeken met mijn

verstand, Rup, en ik spreek nu tot uw verstand. Wij mogen malkander

niet bedriegen noch bedwelmen. Daarom spreek ik tot uw verstand,

als een vreemdelinge tot een vreemdeling. Wat ik weet en gis, maakt

inderdaad twee vreemdelingen van ons. Gij wilt mij verlaten ....

--Nee, Milly, zoo niet te werk gaan, kind. Zet u daar .... Kom, zet u

liefst nevens mij. Ge denkt dat ge zeer verstandig handelt en ge doet

juist ongewoon brutaal en gevoelerig. Indien wij tot elkaar willen

ernstig spreken, moeten wij dat beproeven in eene zelfde taal. Ge zijt

inderdaad zeer opgewonden. Ge maakt u daardoor onbegrijpelijk en,

bovendien, teenemaal niet geschikt om mij te begrijpen. Leg maar uw

arm op mijn arm, en vertel mij eens voorzichtig wat ge van links en

rechts, en van Marjolene bijvoorbeeld, vernomen hebt. We zullen dat

dan samen onderzoeken. Of hebt ge waarlijk niets vernomen?

Ze keek hem zonderling aan, poogde verre in zijne oogen te dringen,

zag er niets dan een diepe klaarte en eene wijde rustigheid. Seffens

herkwam dan de angst, waarmede zij hier binnen was gekomen, en de

toorn, welken zij zelf onder den drang van eigen woorden opwekte.

--Ik heb vernomen dat ge zoudt trouwen, Rup.

Ze beet op haar lippen om niet in tranen los te barsten of niet in

gramschap uit te schieten. Ze hoorde de vredige stem van Rupert.

--Ik heb, niet waar, Milly, ik heb u nooit laten veronderstellen dat ik

niet eens trouwen zou. Ik geloof wel degelijk dat ik zal trouwen. Als

ik het zal willen doen, en als ik weten zal met wie, laat ik u dat wel

hooren. Wat zijn uwe zorgen? Indien ik nu trouwen moest, weet ik dat

ik noodeloos een meisje zou ongelukkig maken, want gij hebt mij nog

lief en ik mocht het onwillens laten blijken. Ik ben echter niet zoo

onredelijk een redelijk huwelijk van de hand te wijzen, zoolang gij

mijne minnares zijt. Onze verhouding kan, na dat huwelijk, dezelfde

blijven. Wat hapert daaraan? Gij zult u toch niet door eene blinde en

profijtlooze jaloerschheid laten op het dwaalspoor brengen, naar ik

hoop? .... Maar ik wil niet trouwen, let wel op, Milly, ik wil niet,

zoo gij daarmede geen vrede hebt.

--Ik heb er geen vrede mede, Rup.

--Best. Ik vermoed dat gij het al jammer vindt .... mij zoo roekeloos

dezen avond te hebben overvallen .... niet? Wij verstaan malkander

immers zeer goed. Maar ik zit me hier af te vragen wie men u als

mijne verloofde heeft aangeduid. Laat me even raden. Is het meisje

rijk en bevallig?

--Scherts niet ....

--Is ze jong? Ja, ze is jong. Trek uw arm niet zoo schielijk weg,

arme lieve Milly. Ik lees in uwe gedachten: ze is rijk, bevallig en

jong. Is zij niet de zuster van een mijner Brusselsche vrienden? Jawel,

Milly, dat is zij waarlijk. Zij heet Francine Verlat. Indien Marjolene

u dit heeft toevertrouwd, wensch ik haar geluk met dat nieuwtje. Ik

vind het zeer aardig, geloof me .... En gij hebt dat zoo dadelijk

ingezwolgen? Zeg, hebt ge dat zoo nuchtertjes ingeslikt?

--Die Verlat is mooi ....

--Zekerlijk. Zij is blond en groen als het goud van den uchtend over

de weide, o gij zwarte nacht, die mijne dierbare geheimen houdt!

Hij nam hare hand en drukte behendig hare onrustige vingeren. Al

hare drift weekte uit in eene kloppende hitte, die in blosjes op hare

wangen kleuren kwam. Ze wendde hare oogen van hem af en blikte op de

bonte arabesken van het tapijt. Toen werd ze zwak en droevig.

Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven · 第 11 / 35 段