doen, in al de ingewikkelde werking van zijn denken, in zijn wezen naar
kleur en vorm en geluiden. Hij benijdde de rustelooze liefde van Milly
d'Orval. Waarom had hij eene vrouw zonder grillige en onweerstaanbare
hartstochten, terwijl hem eeniglijk de sluwe koortsen van scherpe en
luie zinnelijkheid passend zouden zijn?
Hij lag uitgestrekt, en de nacht van verveling kwam over hem, en hij
dichtte de spoken van zijne geestelijke ellende.
De avond klaarde moerkleurig op de vensterruiten. De oude Ko kwam
zeggen dat mevrouw zeer lijdend was en dat ze mijnheer wenschte bij
haar te hebben. Hij ging seffens.
De kamer was warm en zacht belicht. Vere lag in het breede bed,
dat in de groote kamer met benauwde gewichtigheid opdonkerde. Haar
voorhoofd blekte blauw-wit onder de zware lading van de omgevlochten
haarvlechten. Traag wendden hare oogen en ze hief hare hand naar hem,
welke zeer teer was geworden en broos uit de kanten mouw opstak. Ernest
vatte hare hand. Hij zag hare lippen niet, terwijl ze sprak. Haar
gelaat kleurde weg in de witte schaduw van het kussen.
--Ernest, sprak ze, ik heb zoo gaarne dat ge hier zijt ....
Hij vroeg of ze nog zoo erg leed. Ze glimlachte zoetjes.
--Ernest, zeide ze, ik heb niet gaarne dat Fran bij me komt .... nú
.... Ze is zoo verschrikt, het lieve vogeltje. Zij weet niet wat ze
denkt. Het is een kind, weet ge wel. Blijf gij....
Ze beet almeteen op hare tanden en haar hoofd drong achterwaarts in
het kussen. Ze drukte met groote kracht de hand van Ernest in de hare,
en begon eindelijk te kreunen. Als de pijn voorbij was, zuchtte ze
en glimlachte weer:
--Ja, lieve, ik kan soms dat klagen niet houden in mijne keel. Het is
of ik gaarne zou roepen en krijten. Zijt ge ontstemd daardoor? Wilt
ge nog een poosje blijven? Als ge weg zijt, voel ik me zoo alleen,
Ernest, zoo verlaten ....
Het trof hem dat ze verlegen was, dat ze iets vreesde voor hem en
zich klein maakte om hem in zijn deernis te behagen. Hij zette zich
neder naast het bed en streelde hare handen. Ze moest rustig blijven,
verzekerde hij, en zich om niets bezorgen; alles zou gauw gedaan
zijn, als ze maar moedig was en redelijk. Ze had dan opnieuw den
droeven glimlach, die heel licht over haar bleekheid kwam, en ze
sloot hare oogen.
Het werd stil. Men hoorde in de kamer daarnaast mijnheer Bley den
wijn schenken en kort-klinken met den roemer.
Nadat een sterkere pijn haar overvallen had, voelde Vere dat ze zeer
afgemat was en ze vroeg dat de dokter komen zou. Hij kwam en boog
over haar en lachte luid om haar te stillen.
--We hebben tijd vóor ons, zei hij.
Hij blikte naar de klok op den schoorsteen en ging heen.
--Kom dichterbij, fluisterde Vere, binstdat ze den arm van Ernest
tegen hare borst drukte. Hij kuste haar. Hij merkte dat tranen in
hare oogen stonden en hij zweeg.
--Ernest, sprak ze, ik ben angstig.
Hij streek voorzichtig eene haarvlecht weg, die langs hare slapen was
geschoven. Hij voelde de natte lauwte van haar voorhoofd onder zijne
vingeren. Hij zei dat ze moest bedaren en hem niet teleurstellen. Hij
had altijd gedacht dat ze zeer moedig was. Ze schudde nauwelijks
haren kop en haar boezem zwol.
--Neen, melieve, deed ze zuchtend, ik heb geen schrik .... daarvoor
.... ik zal 't wel dragen. Ik heb een redeloozen angst .... ik ben
heel zwak misschien, o! ik wilde zoo graag dat het een gekke angst
was .... Neig over me. Zie, ik kan uw hoofd niet meer omarmen!..
Hij ging leunen tegen het bedkussen, dichtbij, zoodat zijn adem
kittelde over hare wangen. Ze scheen gelukkig te zijn dat hij zoo
nevens haar lag, en hare oogleden trilden. Toen vroeg ze lispelend:
--Hebt ge me nog lief, Ernest?
Hij drukte zijne hand op hare lippen en deed:
sjst! .... lachend-gebarend dat hij kwaad was. Ze wilde
aandringen. Hare oogen keken ongemeen ernstig en ze hijgde soms.
--Zeg het me, zeg het me, fluisterde ze gejaagd; hoor eens, Ernest,
ik ben waarlijk benauwd. Ik voel me als een, die men verlaten wil
.... Zie me aan, Ernest. Ik wil alles doen voor u--heb ik niet
al veel gedaan? Neen, dat wil ik niet zeggen, ik wil niet spreken
daarvan, ik wil niets verdiend hebben .... och, wat zoude ik verdiend
hebben! .... Ik wil bestaan om u te behagen, om te zijn naar uw
begeerte, en een lust te zijn...... een lust te zijn voor u .... Ik
heb nu een groote hoop, als het kindje zal komen, dat ik van u heb
.... en u geef--.. Ik weet niet recht goed wat ik zeg, Ernest. Het
is mijn angst .... Ernest, ik ben zoo angstig--ik wil niet alleen zijn.
Ze viel in nieuwe pijnen. Ze kreunde nu niet meer, ze gilde zonderling,
en mijnheer Bley, die was binnengesloft, deed teeken aan Verlat dat
de bevalling in haar werk kwam. De vroedvrouw werd uit de keuken naar
boven geroepen.
Vere kermde:
--Ernest! .... Hier blijven .... hier blijven ....
Mijnheer Bley snoerde zich een wit schort om de lenden en sloofde
zijne mouwen op.
't Was diepe nacht. Bij 't vuur in de eetzaal zaten Verlat en pastoor
Doening. Pastoor Doening las halfluide uit zijn gebedenboek vóor en
Verlat was thoopegezakt in zijn zetel. Het groote huis was anders
doodstil. Ernest schrok ineens en lengde zijn hals uit. Hij vezelde,
ontzet:
--Pastoor .... pastoor .... hoort gij nog iets?
Pastoor Doening schudde zijn hoofd. Ze luisterden allebei. Het huis
was doodstil.
Mijnheer du Bessy opende zacht de deur en kwam neerzitten onder het
hooge schouwkleed. Zijn dasje was scheefgesnoerd en zijne schoenen
geheel nat van sneeuwslijk.
--De derde dokter is vertrokken, sprak hij. Hij moet terugkomen,
en Ko is mede met hem. Ze hebben Vere in slaap gedaan.
--Voelt ze dan nog iets? Kan ze niet opeens wakker schieten, pastoor?
Pastoor Doening schudde zijn hoofd en bad. Ernest zonk ineen en zijne
kin kwam drukken op zijn hemdboord.
--Het sneeuwt, zei mijnheer du Bessy.
Hij porde het vuur aan en wierp een houtscheier in den haard. Hij
vroeg waar Simon Peter was gegaan, en het duurde een tijdje eer pastoor
Doening opkeek en met een gebaar van zijne hand te kennen gaf, dat hij
't niet wist. Een breede vlam sprong in de schouw omhoog en belichtte
schielijk de kamer. Een stilte vol gevaren bleef hangen in de lucht.
De vroedvrouw kwam van wege mijnheer Bley verzoeken, dat er dadelijk
zou getelefoneerd worden naar dokter Schoutens, die niet langer
achterblijven mocht. Mijnheer du Bessy, die geheel in de war geraakte
en met zijne handen vol gedienstigheid stond, gelastte zich met de
boodschap. De vroedvrouw zei:
--Daar is een vloed ....
En Ernest Verlat zakte dieper in zijn zetel. Een vloed, was dat
erg? Hij blikte zijwaarts naar pastoor Doening, die onbeweeglijk over
zijn gebedenboek gebogen zat. Hij moest tegenover pastoor Doening
eene passende houding aannemen en het walgde hem. Eens had hij ook
zoo, in aanwezigheid van pastoor Doening, dezelfde folterende zorgen
gehad--een uchtend, in de donkere receptiezaal, bij de praalkoets
van zijne doode moeder. Gelijk toen wilde hij nu een uitzicht geven
van zijne droefheid. Hij vroeg:
--Is dat erg, een vloed?
Pastoor Doening deed een dubbelzinnig gebaar. Ernest Verlat hoorde wel
aan den klank van zijne stem, dat zijne woorden onvast waren en zijne
bezorgdheid tamelijk nuchter. Hij wilde dan die nuchterheid gebruiken
met ze te overdrijven en gaf haar den schijn van verbijstering. Hij
schoot soms verwilderd uit zijn zetel op om aan te merken dat het
huis zoo stil was en zoo benauwd werd.
En van binnen, schoon hij geweld deed om het beeld ervan neer te
drukken, dacht hij: als de operatie mislukt, is 't misschien nog
best .... Hij wenschte niet dat Vere sterven zou, maar hij bekende
dat haar dood een gemakkelijke oplossing was en dat zich dan alles
voortreffelijk schikte. Hij zag insgelijks, in gepeinzen, het kind. Het
kind, dat zou een schreiend rood ding zijn. Hij zou er wel voor zorgen
en zijn plicht doen. Hij zou dat kind later liefhebben, waarschijnlijk,
en het zou, in die jaren van verval, dan eene bronne van huiselijk
genot worden. Hij dacht: ik kan er toch niets aan beteren, als 't
gebeuren moet--er zijn nu vier dokters .... Hij dierf niet vreezen
dat ze mogelijk Vere uit den nood helpen zouden, maar hij hoopte
heimelijk dat hun kunde nutteloos mocht zijn. Het was ook voor haar
het gunstigste lot: zoo ging ze heen zonder de zekerheid dat ze niet
bemind werd.
Pastoor Doening zat over zijn boek gebogen. Zijn zwarte rug rondde
roerloos onder het ingetogen luchterlicht. Ernest kende dien rug,
herinnerde zich dien rug in diezelfde houding, diezelfde donkere verve,
diezelfde onbeweeglijkheid. Hij zei:--
--Ik geloof dat ik ze hooren klagen heb .... Hoort gij niets, pastoor?
De rug roerde niet. Het hoofd van pastoor Doening deed een ontkennend
teeken, een vaag teeken van grijze haren boven den geweldigen rug
van steen. Verlat viel wederom lager tusschen de armleuningen van
den zetel, in voortdurend ongemak.
Mijnheer du Bessy kwam binnen op dat oogenblik en zette zich
zwijgend neer. Een ongelijke wind ronkte in den schoorsteen en
bijwijlen daverden de ruiten van de vensters onder de drukking van de
vlage. Mijnheer du Bessy staarde in den laaien aschbak en bespeurde den
zachten dood der roode koolkorrels, welke er overhand neertjokkelden,
met een gloeiende klaarte, en geleidelijk wegdonkerden, levenloos.
Na de komst van mijnheer Schoutens kwam er rumoer in huis. Men
hoorde een onophoudelijk gedagger van voeten over het tapijt van de
slaapkamer. Een vreemd pakkende apotheeklucht voer door de gangen
en langs de trap. Francine, bleek en ontsteld, liep in nachtjapon de
eetzaal binnen en viel weenend op de borst van Ernest. Mariëtte stond
in het deurgat en deed verlegen teeken dat ze juffrouw Francine niet
langer bij haar had kunnen houden.
Maar Ernest was overeind gesprongen; en een plotselinge hitte schoot
op naar zijn hoofd al kloppend in de aderen van zijne slapen. Er stak
hem een zeer-doende prop in de keel. Mijnheer du Bessy begon te beven
en stamelde wanhopig:
--Wat gebeurt er? ....
Ernest keek hem aan en zag de leelijke stuipjes van zijne verouderde
gelaatstrekken. Het trof hem dat hij zelf te gelijker tijd eene
scherpe pijn voelde en dat zijne handen, welke hij om het blonde
hoofdje van Francine gesloten had, nu koortsig rilden overeen. Een
zenuwachtige davering schokte door zijn lichaam en kwam uitschieten
in een drogen snik.
--Francine, mompelde mijnheer du Bessy, gij moet in uw bed gaan. Gij
jaagt ons schrik op het lijf.
Ze lag in Ernest's armen te klagen dat ze 't niet uithouden kon, dat
ze al die vreeselijke stappen hoorde, dat ze de tafel hoorde schuiven,
dat alles zoo akelig was.
--Vere asemt niet meer, ze roept niet meer .... Wat doen ze daar
allemaal boven?
Hare schouders snokten opwaarts en haar kin sloeg tegen de borst van
haar broeder. Toen kwam pastoor Doening met zijne zachte vingeren
streelen over heur haar en hij dwong ze neer te zitten naast hem. Hij
sprak met haar. Wat zette ze al voor afschuwelijke dingen in haar
hoofd? Had ze nu geen vertrouwen meer in den goeden God? Ze moest
lief zijn en stil. Vere was niet het minst in gevaar. Dat kon ze
gerust gelooven. Zou hij het zeggen als 't niet waar was? Zij was nu
geen kind meer. Zij wist toch dat dit alles wel gauw zou overgaan,
dat de natuur zoo was, en dat ze nu een lief nichtje zou krijgen,
met een rond gezichtje en oogen van blauw porselein.
--En met krullekens, zei ze rap en gretig, terwijl nog de tranen
perelden aan hare lange wimpers.
--Ja. En ze zou d'r speelgoed kunnen voor koopen, en lekker gesnoep,
en popjes, en een heerlijk eetservies, zoo klein, zoo luttel, zoo
teer .... Dat zou alles wel gebeuren, mettertijd. God is goed. Hij
is de hoop en het leven. Nu moest Francine braaf geduld hebben en
een kus geven aan Oomken en Ernest, en dan weer naar bed gaan. Zoo
moest het zijn.--Niet?
Ze glimlachte en deed wat hij zei. Mariëtte sloot haar arm om haar
heen en ze verlieten de schemerige zaal op de tipjes van hun teenen.
Ernest Verlat bleef rechtstaan en staarde ze werktuigelijk na. Aan het
zachte geprevel van pastoor Doening had hij met spannende angstigheid
de schromelijke werkelijkheid getoetst. Bij de gedachte dat Vere
in waarheid dood of stervende was, brak hem de moed om verder te
denken. Een scherpe schrik overviel hem, woog op zijne longen. Hij
had willen uitroepen dat ze niet weggaan mocht. Hij had haar
noodig. Hij taakte geheel dichtbij de mogelijkheid van een ongeluk,
het oogenblik dat ze in eenigheid zou ombrengen tusschen vier vreemde
en onverschillige gezichten en dat het uiterste oogenblik zou zijn. En
nu wist hij, nu was hij zeker dat hij haar noodig had. Hij zou alleen
met die zekerheid overblijven--hij schrikte voor dat alleenzijn.
Stokstijf trad hij naar voren. De donkere trap spookte in de halve
donkerte en de chloroformreuk drong hem in de keel. Hij vatte de
leuning en kon niet verder.
--Nessie, mijn jongen, bad mijnheer du Bessy, daarboven moogt ge niet
binnen, weet ge wel. Ik word bang van u allen ....
Ernest voelde dan de hand van pastoor Doening, die rustig op zijn
schouder woog en zacht hem aantrok. Hij zag de oogen van pastoor
Doening die knikte:
--Blijf nu hier.
Maar hij weerde zich los, fluisterde heesch en geheimzinnig:
--Gijlie weet niets, gijlie voelt dat niet tót ge 't weet .... Ik
wel--daar is iets vervaarlijks in huis gekomen ....
Hij was niet meer bewust van zijne zeer zonderlinge manieren; en hij
herkende de roode gloeiing van het traptapijt niet, dat gebroken uit
de duisternis te voorschijn opkleurde.
Hij zweeg, alles was stil geworden. Een koolkorrel klopte tegen den
klinkenden aschbak. Het horloge tikte.
Almeteen werd, daar hooge, de deur van de slaapkamer geopend en de
gedempte stemmen van de dokters roezemoesden in het vestibule. Iemand
kwam de trap af. Men hoorde een kindje krijten.
--God! snikte Ernest en hij zakte tegen den muur.
Hij wipte echter vluggelings overeind, liep de eetzaal binnen en
bracht zijne handen over zijn hoofd, alsof hij de neerstorting van
een uiterste hoop verwachtte en zich bevrijdde tegen den val van
een ongeluk. Mijnheer du Bessy en pastoor Doening stonden naast hem,
en alle drie keken angstig uit naar het somber deurgat, van waar de
gebeurtenis komen moest.
Mijnheer Bley bleef op den drempel staan. Zijn wezen was rood en
rond. Hij glimlachte en stak zijn handen uit.
--Het is gedaan, mijnheer Verlat, sprak hij, ik wensch u geluk met
uw zoontje. Mevrouw heeft het erg voor gehad. Zij is nu buiten gevaar.
En tot Ko, die al tastend was komen aandrummen:
--Die heeren alginds moeten verfrischt worden, zorg ervoor, oudje.
Ernest stortte neer op zijn knieën en dan geheel thoope, en zijn lijf
werd in hevig gehijg opgeworpen. Mijnheer du Bessy viel mijnheer
Bley aan en schudde hem stevig de beide handen. Pastoor Doening
nam zijn gebedenboek, opende het zwijgend, zocht, verward, naar de
groote kleurlettrine, die den aanvang van een mooie hulde aan God met
uitzonderlijke pracht placht te melden, en roerde koortsig de bladen.
Als de heerlijke kleurlettrine bloot lag, pletsten er twee dikke
tranen--men weet niet van waar.
Een lange poos zat reeds Ernest Verlat bij het bed van zijn
vrouw. Pastoor Doening en mijnheer du Bessy stonden met Francine aan
het voeteinde. Het kindje lag vredig in zijne wieg.
Ze spraken niet; ze blikten allen naar Vere, die bleek en doorzichtig
daar rustte, geheel veranderd en mooier in de diafane kleur van
zwakheid. Ze had nog niemand gezien. Ze had hare oogen nog niet
ontsloten. Mijnheer Schoutens had gezeid dat ze wel van zelf zou
wakker worden, dat men ze niet storen moest onderwijl.
En men wachtte. Francine was heel braaf en stil. De morgen begon de
lichte venstergordijnen met een vale blauwigheid te verven. Ko stond in
een hoek bij den schoorsteen op zijn eentje te dubben en te huiveren.
De deur werd voorzichtig opengeduwd en Simon Peter verscheen, kwam
seffens en met ingetogen gretigheid de hand van Ernest drukken en
keek toen wenkend om.
Een groote breede man stond op den drempel. Het schemerlicht der
veilleuse liet niet toe dat men hem dadelijk herkennen kon. Hij was
blootshoofds. Zijn hooge schedel glansde wit uit in de doezeling van
uchtendschaduwen, en hij roerde niet. Zijne armen hingen zwaar in
zijn mantel en zijne sterke schouders staken op.
Vere opende schielijk hare oogen, wilde zich oplichten, keek strak
vóor zich uit. Iedereen neeg naar haar. Zij lispelde:
--Vader .... is vader hier? ....
Een natte snik schokte daar op den drempel, de groote man struikelde
naar voren over het tapijt, zag het roze wiegje, zag de witte sponde
en, op het witte kussen, het zeer witte gelaat van de moeder ....
Hij barstte in tranen los. Hij beefde over al zijne leden. Hij zakte
met schokjes op zijne knieën neer. Vere reikte naar hem hare witte
handen.
EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
TWEEDE GEDEELTE.
I.
HET IVOREN AAPJE.
Ruim twee jaren vóor den dood van mevrouw Chanteraine had zich een
jonge Hongaar, zoon van een der rijkste aristokraten van Praag,
op de Louizalaan gevestigd. Hij bewoonde er een groot huis, dat hij
dadelijk met eene wonderlijke weelde liet opschikken, en hij sleet
er een tamelijk los leven.
Hij heette Rupert Sörge. Hij was geen lichtmis, maar hij moest wel
voor een lichtmis doorgaan, dewijl hij, in de oogen van een hoog volkje
waarmede hij op verre afstanden in aanraking kwam, algelijk voor niets
beters dan een lichtmis doorgaan kon. Hij had in de diplomatische
wereld nog al veel betrekkingen, en het duurde niet lang eer hij
in de voornaamste salons van de Leopoldswijk werd aangenomen. Hij
voerde een uiterst fijne conversatie, sprak zeer vlot Fransch, Duitsch
Engelsch, Italiaansch en tamelijk goed Nederlandsch. Hij deed het met
een zonderlingen tongval, die, verre van zijn gesprek te ontsieren,
het eene wiegende klankbevalligheid bijzette. Hij onderhield zijn
vrienden genoeg om niet door hen vergeten te worden en te weinig om er
eenige echte vriendschap te stichten. Hij had eigenlijk geen vrienden,
en hij stelde zich overal zoo innemend aan dat men overal hoopte eens
zijn vriend te worden. Zijn talent bestond hierin, dat hij door geen
de minste roekeloosheid die hoop verijdelde en dat hij ze tegelijk
steeds van hare verwezenlijking verwijderd hield. Men kon niet zeggen
dat zijne handelingen excentrisch waren, maar zij hadden evenmin
het uitzicht van eentonige bescheidenheid. Hij was niet schuchter
en ook niet brutaal. Nochtans onthield men iets van hem dat, in
eendere waarde, brutaal en schuchter was en dat het tegenovergestelde
zoude zijn van deftigheid, ornament der middelmate. Hij was dan ook,
in de meening van deftige lui, een lichtmis. Een deftig mensch wil
opgemerkt worden. Dat zit in den aard zelf der deftigheid. Ondeftig,
tot de allerberoerdste losbandigheid toe, heeten zij die deftigheid
niet eeren. Rupert Sörge, die wel een lichtmis kon zijn, al was hij het
niet, werd als een lichtmis aangezien, en, in die hoedanigheid, kon hij
van veel beleefde lasten verschoond blijven, welke hij anderszins had
moeten dragen--wat hij niet kon--of moeten weigeren, wat dan zooveel
als een schandaal zoude wekken. De waarheid was dat men dien man niet
kende (hetgeen in zekere kringen in het geheel niet aannemelijk is)
en dat men op gemakkelijke wijze het vreemde gevoel wilde uitleggen
van iets dat, binnen hem, ongeweten en niet te raden verborgen lag.
Na den dood van zijn vader, een Weener diplomaat, had Rupert
Sörge, op twee-en-twintigjarigen leeftijd, Praag verlaten om te
reizen. Zijne moeder had hij nooit gekend. Zij was, eenige dagen na
zijne geboorte, gestorven, en hij wist van haar wat hem eeniglijk
een ovaal medaljon-portret te kennen gaf. Hij droeg het medaljon,
dat zeer klein was, met een gulden touwtje te allen tijde om zijn das
gesnoerd, en hij nam het nooit zonder het even te doen openknippen. Met
eene luie onverschilligheid, die bij zulke vrome gewoonte zonderling
aandeed, blikte hij het schoone jeugdige gelaat van zijne moeder aan,
en het scheen telkens dat, terwijl zijne trage oogen op hare beeltenis
staarden, zijne gedachte verre van haar bedrijvig was.
Sörge, de vader, had een Boheemsch meisje gehuwd, dat zeer arm
en vijf-en-twintig jaar jonger was dan hij. Den zoon, dien zij
stervende hem schonk, leidde hij met groote zorgzaamheid op. Hij
gaf hem talrijke en bekwame meesters; maar het bleek weldra dat de
scherpe, zeer bijzonderlijke gevoeligheid van den jongen Rupert niet
met de schranderste pedagogie te behandelen was en dat hij zich,
als het ware geheel buiten het bereik van zijne opleiders, op eigen
krachten ontwikkelde. Deze ontwikkeling wekte in hem vreemd-soortige
vermogens en, toen zijn vader stierf, was hij alreeds de koele,
ingetogen, onbegrepen "lichtmis" dien men, tien jaren later, in de
clubs van de Louizalaan te Brussel aantreffen kon.
Die tien jaren, waarbinst hij zijn vaderland niet meer terugzag, bracht
hij door in Rome, Parijs en een paar middellandsche badplaatsen. Overal
werd hij voortreffelijk onthaald en overal liet hij den eigenaardigen
indruk na van een "vriend," welke altijd zoude eene verre kennis
blijven.
Hij kwam zich, na de geheimzinnige verwisselingen van eene
duel-geschiedenis, die tragisch was afgeloopen, uit Nizza te Brussel
vestigen, in gezelschap van eene jonge vrouw. Een kort tijdje woonde
zij bij hem in en huurde naderhand, onder eigen naam, een fraai hôtel
dat, nabij het park van Tervuren, uitzicht gaf op een mooien tuin. Men
noemde haar Milly d'Orval.
Rupert Sörge had Milly d'Orval in een Franschen bar te Weenen
ontdekt. Ik geloof niet dat hem hare jeugd en hare ongemeene schoonheid
genoeg troffen om de handelwijze te verschoonen, welke hij tegenover
haar waarnam. Zij was toen geen zestien jaar oud. Hij redde haar
voor de zedelijke verdelging die haar in het ontbindend bar-midden te
wachten stond en deed het met eene gevoelswarmte, eene onstuimigheid,
die weinig strookte met zijne gewone zinnelijke koelte. Hij nam haar
mede naar Parijs, dan naar Nizza, eindelijk naar Brussel. Gedurende
vier jaren beproefde hij op deze vrouw de verscheidene krachten van
eene wonderbare opvoeding. Hij had haar uit den kleinen Weenschen
poel opgeheven om haar van veel hooger in een veel dieperen poel
te storten. Milly d'Orval had Rupert, na het eerste jaar, zoo lief,
dat ze buiten hem niet meer denken, niet meer zijn kon. Hij speelde
met haar. Hij gaf zich aan haar over, weliswaar zonder geweld,
zonder eigen-verkrachting, maar tevens met eene zelf-beheersching,
die dadelijk alle willende passie uitsloot. Onderwijl ging hij met
eene sluwe wellustigheid de minste teekens van hare liefde na en,
zooals men al meer en meer de koorden van eene harp zoude spannen
om al scherper en gevaarlijker klanken te winnen, zoo wrong hij en
neep en betokkelde al de snaren van hare bloote ziel. Zij was op
een einde geheel en uitsluitend zijn goed, en, beter dan zijzelve,
kende hij de veêren van haar doen en de roersels van hare instinkten.
Hij speelde met haar. Het mag wel het hoofdmerk heeten van
deze uitstekende menschennatuur dat hij met alles en met
iedereen "speelde." Hij vorderde alzoo het gebruik van ongewone
geneuchten. Nooit beoogde hij met dat spel een doel, een zelfzuchtigen
uitslag, waartoe het aanleiding zoude geven, en nochtans bleef dit
spel een middel, dat voerde naar een doel. Maar zijn eenig genot lag
in het middel besloten, en zijn doel, dat hij dagelijks bereikte
en dat zijn zekere leven was, woog hem vaak als de lading van een
overweldigende wanhoop.
Milly d'Orval kon zich daarvan geen rekenschap geven. Zij was
ganschelijk zijn eigendom, en, bezeten door hem, hield telkenmale
op meer dan een willoos voorwerp te wezen, meer dan een deel, een
lid, beroofd van eigen geweten en dat slechts bewegen zou naar het
regelend inzicht van zijn eigenaar. Het was haar nauwelijks mogelijk,
zelfs buiten zijn onmiddellijk bereik, hare vroegere zelfstandigheid
te herwinnen.
Als hij haar, voor een tijdje, aan haarzelve overliet, bleef zij
lange poozen uitgeput in volkomen levenloosheid lang-uit liggen,
en zij kwam maar bij om op te branden in een versch verlangen naar
nieuwe levenloosheid. Zij leefde niet door eigen leven. Zij was als
een geplukte bloem, die bloeit in een kristallen vaas en zich niet
den stam herinnert waarop zij wies, noch den grond waar hare wortels
schoten. Zij was in haar minnaar vergroeid, en zij trilde of juichte
of weende op een golving van zijn adem en een wenk van zijn gedachten.