zeide het me, omdat ze wel wist dat ze mij daarmede zeer deed. Ik heb
ook gelachen. Maar thuis heb ik dat overdacht. Ik heb het langs alle
kanten in mijn geest rondgedraaid en het langs alle kanten gepast
aan de vele gevalletjes van ons samenzijn. Ik wachtte tot ge zelf
komen zoudt. En ge kwaamt niet. Het is nu drie dagen geleden .... Al
dien tijd heb ik gegist en geraden. Ik heb ons leven te Parijs en te
Nizza vergeleken bij ons leven hier. Het is inderdaad een ander leven
geworden. Welk was uw inzicht als ge mij vrij de Old-curiosity-shop
liet ingaan? Ge hebt mij in eene neiging aangemoedigd en gij zaagt
wat er van geworden moest, terwijl ik niet zien kon wat ik deed. Gij
hadt een doel ....
--Ik heb nooit "doelen" ....
--Maar het kwam nu toch algelijk uit dat ge een doel hadt. Ge hebt
gehoopt dat, in dát ongezonde midden, de banden zouden rotten, die
mij bonden aan u. Gij waart niet haastig, gij wildet den tijd laten
begaan. Ik stel me voor dat ge den Hemel hebt gedankt toen ik u van
dat roode ding ben komen vertellen. Ik maakte zelf de webbe, welke
gij te vergeefs zocht te spinnen. Gij behoefdet nu maar te wachten
.... Onderwijl wordt gij den vriend van mijnheer Verlat. Gij, die
niemands vriend wilt zijn, waarom zijt gij zijn vriend geworden?
--Ik vrees hem .... om uwentwil. Ik heb liever een vijand aan mijn
zijde, dan een op een boogscheut van mij af, en verborgen.
--Voor mij hoeft gij niet bang te zijn. Hij zal de eerste niet zijn,
die zich om mij gelegen liet en naar de deur werd verwezen.
--Ik vrees hem .... uitzonderlijk.
--Ik wou het gaarne hopen, Rup, maar ik kan niet. De waarheid is
dat gij andere belangen hebt, en welke andere zijn er, die dan geen
betrekking hebben op Verlat's zuster? Gij hoort het nu, en gij kunt
mij niet ompraten. Verzin niets meer. Laat mij onbedrogen deze plaats
verlaten.
Hare hand rustte nog in Rupert's hand. Zijne vingeren speelden om een
ovale turkoois die binnen een diamanten ring op haren duim lag. Hij
bleef een tijdje zwijgend zitten en hoorde daarbinst een harden regen
en een vlugge onweersbui tegen de ramen slaan. Toen schelde hij en
zeide aan Takker dat men een rijtuig zou inspannen.
--Milly, sprak hij als de gordijn van het salon op den rug van
Takker was neergevallen, ge loopt met uwe redeneeringen op hol,
en met uwe gevolgtrekkingen niet minder. Ik heb immers geen belang
in het feit dat ik u bedriegen zou. Als ik u bedriegen wil, als ik u
wil afschepen, is dit een zeker teeken dat ik u niet meer liefheb. Ik
zoude u seffens dat teeken geven --want wat doet gij met mij, als ik u
niet meer liefheb? Ik wil geen valsche toestanden stichten. Ik wil de
omstandigheden ontwarren, welke gij zoo ijverig in de war helpt. Ik doe
het om ons beider bestwil. Het meisje, waarmede Marjolene mij verloofd
heeft, zoude zeker eene goede vrouw zijn voor mij. Begrijp wat ik
hiermede bedoel, Milly. Zij zoude een geschikte vrouw zijn. Daaruit
besluit Marjolene dat zij mijne vrouw worden zal. Ik heb er niet eens
aan gedacht dat zij mijne vrouw zoude worden. Wel dat zij daarvoor
geschikt is. Ik bewerk noch van verre, noch van nabij dit huwelijk,
en ik heb gegronde redenen om te denken dat er nooit een huwelijk
van komt. Maar ik wil uit uwen geest alle verdere muizenissen roeien
en ik wil niet dat gij uwe vermoedens voedstert met de mogelijkheid
of de waarschijnlijkheid van dat huwelijk. Daarom herhaal ik: dat
huwelijk is niet onmogelijk. Ook andere huwelijken zijn mogelijk,
en dit éene is niet waarschijnlijker dan al de andere. Gewen u echter
aan de gebeurlijkheid van 't zij eender hetwelke.
--Gij spreekt zoo dubbelzinnig ....
--Geloof dat niet. Ik zeg: gewen u daaraan; hetgeen niet beduid dat
ik trouwen zal zelfs tegen uwen wil in ....
--Gij speelt met mij, Rupert.
--Ik trouw niet vóor ge me verlaat.
--Vóor ik, uit eigen beweging, u verlaat, Rup, zegt ge dat?
--Ja wel. Niet vóor gij me, uit eigen beweging, verlaat. Dat is
toch helder.
Ze keek gretig in zijne oogen, en zag er weer niets dan eene diepe
klaarte en eene wijde rustigheid. Eene natte aandoening stiet aan
tegen hare trillende wimpers en klopte hoorbaar in hare slapen. Ze
fluisterde, dankbaar:
--Dat doe ik nooit ....
--Misschien, Milly! ....(hij stond recht en kuste haar
vluggelings). Wacht uw rijtuig vóor de poort? Laat het oprukken, en
stijg in het mijne. Ik zal u naar huis voeren. Hoe wonderlijk, Milly,
gij zijt nu wezenlijk een heerlijk beeld van twijfel en achterdocht,
en uwe zwarte haren zijn de duistere hemels der toekomst ....
Hij lachte en praatte zeer opgeruimd voort. Hij bracht haar thuis,
in de dreef van Tervuren, en reed nadien de stad weer in. Op de
Begijnhofplaats deed hij stilstaan en sprong uit het rijtuig. Hij
streelde een ivoren aapje onder de pelsen voering van zijn breeden
mantel, eenvormig in zijne linkerhand.
II.
PASTOOR PEZZA.
Men zoude bezwaarlijk den jongen strijdlustigen pastoor Pezza herkend
hebben in den bleeken man, welke, dien zelfden dag bij valavond, op
zijne schemerige studeerkamer in groote vertwijfeling te beven zat. Het
was pastoor Pezza inderdaad. Niet meer de bruisende hartstochtelijke,
warm-preekende Pezza, niet de mannelijke Pezza, die het volk in
vervoering bracht en het hoofd was van het woelende volk--thans een
bange, huiverige Pezza, de prooi geworden van angstigen zelfstrijd.
Hij zat waarlijk voor elk gerucht dat binnen of buiten de kamer
opklonk, te schrikken. Hij keek alle oogenblikken naar zijn zakuurwerk,
draaide het dan werktuigelijk op of vingerde zenuwachtig om de lichte
schakels van zijn zilveren ketting. Een grijs geharrewar roerde
onstuimig in zijne hersens; en hij kon niet denken, hij kon noch
stille noch koppig de effenheid van geleidelijk denken herkrijgen
binnen dat hoofd, hetwelk nu, als eene vreemde kast, den hollenden
draf van benauwde beelden omsloot.
Hij beproefde naderhand een langen brief te overzien, dien hij op de
schrijftafel, in vieren geplooid, had neergelegd. Het witte vel trilde
tusschen zijne vingeren, de woorden dansten, krulden over elkander,
werden soms ineens weggevaagd.
Lucia, zijne zuster, kwam binnen en legde voorzichtig een wit-houten
kistje op een lagen stoel onder het venster. Zij ging naast haar
broeder staan en raakte lichtelijk met hare handen zijne onrustige
schouders. Ze bleef een langen tijd alzoo, zonder spreken buigend
over hem; hij had den brief laten neervallen en staarde nu droomend
in de deemsterende leêgte. Aan den wand, waar het late licht even
nog de grauw-roode bladeren van de behangselbloemen deed opgloeien,
hing een duister Kristbeeld en spreidde in eeuwig gebaar zijne rechte
armen. Deze kamer zag er armoedig uit, en de foltering van Pezza
spookte er alom en gaf aan alle voorwerpen hier een uitzicht van
bange wanhoop. Zoo gebeurde het dat het duister Kristbeeld eindelijk
en eeuwig daar leefde met, als in de tochten van vreeslijke hemelen,
de heet-opgloeiende bloemen van een klein muurpapier.
Lucia liet hare hand neeraaien tot op Pezza's hand.
--Dissel, fluisterde ze, heeft het kistje laten brengen ...
Ze drukte op zijne vingeren, toetste de siddering die door zijn
lichaam joeg. Hij voelde tegen zijne slaap de kitteling van haren adem.
--Nu, niet waar? vezelde ze al zoekend, met de hare, zijne vreesachtige
oogen, nu gaat ge moedig zijn en optreden als een man.
Hij schudde zijn hoofd en boog het, zoodat zijne scherpe kin kwam
rusten op zijne borst.
--Ik ben ellendig, Lucia; ik ben benauwd voor u en voor allen; ik
ben niets meer .... O! ik ben geen man, Lucia, ik ben geen man! ....
Eene diepe rimpel trok zijn kaken in een pijnlijk masker neerwaarts
en zijne wenkbrauwen wrongen thoope. Zijne hand lag onder de kalme
drukking van Lucia's hand, en hij had nu de impressie dat hij ze nooit
vrij zoude krijgen. Wezenlijk deed zijn geest een groote poging om
zijn arm uit te zwaaien en om zijn rug te rechten buiten het bereik
van Lucia's stille prangen. Hij neep zijne oogen toe en deed die
geweldige poging .... Hij roerde echter niet. Zijne hand bleef onder
de kleine hand, die zacht was. Zijn rug droeg den ronden elleboog,
die rustig warmde.
--Luister, sprak Lucia, ik zal u bijstaan. Ik heb u immers altijd
bijgestaan. We moeten nu den grooten slag leveren. Na dezen strijd
zijn we geen slaaf meer ... Zullen wij hem opgeven na al de andere
strijden, en als die juist de laatste is?
--Gij hebt mij tot slaaf gemaakt.
--Wat al gedaan is, wordt niet in het uiterste oogenblik met eene
lafheid weer goed gemaakt. Gij hebt te veel reeds aangenomen om dit,
op een einde, te weigeren.
--Ik heb niets gedaan, niets zelf gedaan. Gij hebt mij in de armen
van Dissel geworpen; gij hebt me, mede met hem, tot een slaaf
gemaakt. Genoeg nu, Lucia. Ik ga niet verder meer. Ik zweer het u,
ik ben moe, ik ben uitgeput, ik kan niet verder meer. Dagelijks wordt
ge schrikkelijker, Lucia. Dagelijks eischt ge al meer van mij. Vergeef
me, Lucia, gij zijt me .... een monster geworden.
Vredig, effen bleef het gelaat van Lucia. Ze richtte zich op,
ging langzaam de tafel om en stond, recht over Pezza, hem aan te
kijken. Toen sprak ze langzaam, zonder één gebaar, zonder ééne
opwerping van hare streelende, gedempte stem.
--Wat zijt ge zwak, broer, en hoe miskent ge mij, die uwe beste
kracht ben! Waarlijk, ik hoopte dat gij eens opstaan zoudt en dat
ik de aanleiding kon zijn, die uwe struischheid moest wekken. Gij
blijft het kind dat struikelt, zoodra het den steun van moeders
wenken mist .... Komaan, jongen, ik zal u niet verlaten. Heb ik u
slecht geraden toen ik u zei dat, voor de heerschzucht der armen,
de politiek de eenige toevlucht is? Gij hebt mij in dien tijd toch
willen gelooven en gij hebt, gretiger dan ik het mij inbeeldde,
aanvaard wat ik u heb aangeboden zonder gretigheid. Later heb ik u de
inzichten van Dissel moeten uitleggen, en het is gelukkig dat ge mij
hebt willen begrijpen, want Dissel zoude u verplet hebben zooals hij
anderen heeft verplet. Maar, Goddank, nu zijt gij Dissel's onmisbaar
bondgenoot. Gij hebt het goedgevonden. Heeft Dissel ooit gehoopt dat
gij het zóó ver zoudt brengen? Ik geloof het niet. Voelt gij niet dat
die man u een zegepraal heeft helpen behalen, waar hij nu pas de volle
beteekenis van snapt? Voelt ge niet dat Dissel, van wien gij totnogtoe
alleen een werktuig waart, thans inziet dat het alaam hem te zwaar is
geworden en vreest dat hij het niet hanteeren kan? Uwe betrekkingen
met Dissel zullen binnenkort opgelost worden--gij moet maar zorgen
dat de oplossing in uw voordeel uitvalt. Hier kan dan geen sprake
zijn van "niet kunnen" of "niet willen;" gij zijt niet, gij alleen,
de gebeurende handeling. Gij zijt een werkzaam deel van die handeling,
dewelke hare kracht heeft uitgeput, niet eeniglijk uit u, maar uit
ingewikkelde en ijverige omstandigheden. De handeling is uitgegaan van
u, maar is nadien gaan zwellen en groeien in andere en verscheidene
en bijkomende krachten. Noem mij een monster en laat ik aannemen dat
ge mij voor een monster houdt, wat baat het? Gij kunt niet beletten
dat de handeling zich ontwikkelt. Gij kunt niet een steen weerhouden,
dien gij in de lucht hebt opgeworpen. Gij moet willens of onwillens de
handeling beleven. Het onwillens doen is uw verleden verzaken; geloof
me, drijf door. Gij wint er ten minste bij dat ge niets verliest ....
Zij stond, rilde en stijf, rechtover Pezza, tegen de avond-blauwe
vensterklaarte. Hare zwarte kleeding spande om haar lichaam en teekende
zeer nauwkeurig hare harde heupen en lenden, de krachtige hoekigheid
van hare schouders en, als iets dat wonderlijk bij dat mannelijk
voorkomen aandeed, de sierlijke buiging van hare zacht-vrouwelijke
armen. Bleek schemerde haar aangezicht. Geen schaduw verried er de
welving der oogen of het leven van den mond.
--Maar, wedervoer ze na eene korte stilte, ik zeg het u: dit is
de laatste phase van den strijd. Als die afgeloopen is, zijt gij
Dissel's slachtoffer of is Dissel het uwe. De eenige kans van Dissel
is in zijn hoop besloten dat gij zijne inzichten niet kent. Zulke
hoop is rechtvaardig, broer, en zulke kans is een zekere, wanneer ik
nu bedenk dat gij feitelijk Dissel's inzichten niet kent. Loof den
hemel dat een monster zich tot uwe beschikking stelt om die inzichten
te onthullen en hunne sluwheid te verijdelen.
Zij had uit een bruin-houten rookservies een lucifersdoosje genomen. Ze
lengde zich nu geheel uit, hief traag hare handen omhoog en stak binnen
den bronzen luchter, die laag boven de schrijftafel hing, het licht
aan. Pezza zuchtte, ontlast van de bangheid, welke in de donkerheid
waarde. Hij blikte vluggelings rond de kamer die met een gele klaarte
beverfd was, en bleef nadien op een glazen inktpot turen, waar het
gulden licht, gulzig opgenomen, stergewijs uiteen tikkelde. De muren
waren plots smaller geworden en kwamen zich gezellig om het kleurige
leven van den luchter scharen, terwijl de heldere blauwigheid der
vensters was uitgestorven. Tegen den grauw-rooden bloemenwand, die
nu een vrij gemeen uitzicht had, wijdarmde het Kristbeeld, klein en
nuchter en onverschillig. Lucia hernam eenderlijk:
--Bepeins wat, voor Dissel, de waarde van een bondgenootschap met
u is. Hij wil de opkomende demokratie in haren groei breken. Gij
zijt, met zijne hulp, aan het hoofd van het rijzende volk. Gij
moet hem helpen om de beweging te smoren, welke hij zelf verplicht
is geweest tijdelijk aan te wakkeren. Hij betaalt u en zet u aan
het hoofd. Wat eischt hij in weerdienst? Dat gij hem al de andere
leiders zult overleveren. Vandaag heeft hij u de bombe gestuurd, die
gij met nieuwjaarsnacht binst het feest in den muntsschouwburg zult
werpen. Al de daders van den aanval, al de zoogenaamde opstokers, al
de oproerlingen, al de samenzweerders zullen aangehouden worden--en
gij zult ze toonen, zult ze overgeven, zult ze verraden. Dàt moet uw
rol zijn. U alleen, zegt Dissel, zou men sparen .... Zeer wel. Gij
zijt nu eenmaal met verraden begonnen. Wat belet u ook dit verraad
aan te gaan? Uw eenige vriend is immers Dissel en, als Dissel ophoudt
uw vriend te zijn, wat zijt gij nog? Veronderstel dat Dissel dezen
avond zijne politie loslaat op u. Veronderstel dat men in deze kamer
dezen brief, het geheele aanvalsprogramma, door een naamloozen Dissel
geschreven, en deze bombe vindt, wat dan? Neen, jongen, Dissel moet
uw vriend blijven.
Zij zag dat hij strak de lichtspeling om den glazen inktpot bekeek
en ze lei er hare witte hand op.
--Maar let op! Gij zijt meer dan een bondgenoot van Dissel geworden
en dit kunnen wij hem niet verbergen. Gij zijt eindelijk, tegenover
Dissel, eene macht. Zoo oolijk is hij wel dat hij die macht wil
gebruiken. Misschien ook vermoedt hij dat gij haar nog niet bewust
zijt, en zoo meent hij ze aan te wenden met meer zekerheid. Maar als
hij ze niet langer noodig heeft--ik zeg meer: als zij hem schadelijk
kan wezen en, moet zij nutteloos worden, dan zal zij schadelijk
zijn--zal uw bondgenoot dan geen vijand blijken? Twijfel niet
daaraan. Zoodra al de leiders, die hij vreest, uit den weg geruimd
zijn, dan moet gij insgelijks verdwijnen. Welnu, ik heb een plan
.... Schud niet alweer uw hoofd. Ik spreek tot dat hoofd, ik ben de
geest van dat zwakke hoofd, broer. Uw eenige wil is niet-willen. Moet
ik, om uw leven bedrijvig te maken, bewijzen dat het bedreigd is en in
groot gevaar verkeert? Wil ten minste wat ik wil, want niet-willen
is, in dees geval, een zekere dood. Gij kunt niet gered worden,
indien ge niet, de eerste, den bond verbreekt, dien gij aangesloten
hebt, en niet seffens den ondergang bewerkt van uw bondgenoot. Mijn
plan brengt u in veiligheid en geeft u het gezag, den rijkdom en de
glorie. Uwe laksheid levert u, als een gemakkelijke prooi, over aan
den haat van uwe vijanden en de wraak van uwe vrienden.
--Gij moet, sprak ze stiller, terwijl ze, even leunend tegen de
schrijftafel, voorover boog, voorloopig doen wat Dissel zegt en
het programma volgen dat hij heeft opgesteld, maar gij moet alle
sporen van uwe handelingen, de minste ook, doen verdwijnen. Ik zal er
zelf voor zorgen dat niets hier in huis, geen brief of geen teeken,
ooit te ontdekken valt. Gij richt dus de samenzwering in die op de
ontploffing van eene bombe in den muntsschouwburg moet uitvallen;
gij geeft daaromtrent allerhande inlichtingen aan Dissel en gij laat
hem volkomen in den waan dat gij het met hem wel meent. In geen geval
levert gij hem de namen der geheime leiders. Hoogstens kunt gij eenige
valsche broeders verraden--ik bedoel diegenen welke u zouden kunnen in
den weg staan of welke even heerschzuchtig zijn als gij. Ondertusschen
verbreedt gij den omvang van de oproerige beweging. Daar moeten
meer bomben zijn, broer. De aanval in den Muntschouwburg is lokwerk,
waarmede gij Dissel's omzichtigheid verleidt, en welker veroorloofde
gelegenheid gij waarnemen kunt om meer en ernstiger aanvallen op touw
te zetten. Doe het ministerie springen, dat kunt gij! Maar doe het
dienzelfden nieuwjaarsnacht, want later is het bewezen dat Dissel
u niet meer vertrouwen of niet meer gebruiken kan. Gij zult weten
waar Dissel zich op den loer verborgen houdt. Dissel moet ge hebben,
levend of anderszins.
Lucia ging weer stille de tafel om en kwam, gelijk te voren, nevens
haar broeder staan. Ze wilde haren arm om Pezza's schouder leggen,
en ze boog reeds over hem, om hem in een zacht gevlei van uiterste
woordengedoezel te overhalen.
Pezza, als onder een veêrschok, sprong recht. Hij was lang, en recht
vielen de vouwen van zijn zwarten priestersrok.
--Houd af! riep hij, gij zult mij niet verder krijgen, Lucia. Straks
voel ik dat ik u even haten als vreezen kan .... Het is genoeg
alzoo. Wat gedaan is, gij zegt het, helaas! is nooit uit te wisschen;
maar daarom verder gaan, nog verder, nog ploeteren in bedrog en kapot
zakken in wroeging, nog meer verraad, nog meer vuiligheid? Lucia,
neen, ik wil niet, ik wil niet, ik ben dood eer ik nog wil, want ik
kan niet meer willen! ..
Hij nam zijn hoofd in beide handen en snikte droog. Lucia bezag
hem zonder onrust. Ze liet hem uitklagen en hij deed het geweldig,
driftig, gelijk een radeloos dier dat men in een nauw hok zoude
opsluiten. Hij vloekte en verwenschte en kwam naderhand in het
aanschijn van het onbeweeglijk Kristbeeld jammerend zijn groote
wanhoop weenen. Hij dierf niet opblikken naar zijne zuster. Hij wist
dat ze roerloos daar stond, dat haar gelaat onveranderlijk bleef,
dat geen ongemeen vuur in hare oogen schoot en dat geen vezel van dat
schaduwend vrouwenlijf trilde. Wanneer haar beeld op die manier opkwam
in zijn geest, overviel hem eene wilde woede. Zijne handen wrong hij op
zijn hoofd tot bevende vuisten dicht en een purperen gloed benevelde
ijlings zijne blikken. Hij deed dan een stap, wankelde op dien eenen,
geraakte niet verder. Eene plotselijke loomheid kwam wegen in zijne
armen en hij begon als een vod op zijne beenen te slodderen. Hij was
af. Hij gaf zich overwonnen. Hij werd rood en zweetend, en het was
van schaamte dat hij nu te hakkelen stond.
Lucia, alsof er niets gebeurd was, sprak:
--Ik zeg dat ge Dissel moet hebben. De gelegenheid is nu schoon
en gunstig genoeg. Gij zijt het hoofd van het volk. Ge zult het
blijven. Wat zoudt gij afstand doen van eene macht, die gij zoo goed
als zelf verworven hebt? Maar, onthoud het, broer: afstand doen van
die macht is lakei blijven, en zie! gij voelt het even goed als ik,
daar dreigt reeds de willekeur van uw meester! Gij hebt het zwaarste
veroverd, gij zijt verloren indien gij het luttelste niet aandurft.
Hijgend ging Pezza neerzitten. Hij hief voor het eerst zijn gefolterd
aangezicht op naar het vredige aangezicht van Lucia, en vroeg,
verlegen, of "dit het luttelste was."
Lucia naderde hem weer.
--Wat u te doen rest, is eenlijk het volk te volgen dat gij vooruit
gedreven hebt. Vooruit zal toch het volk. Blijf niet achterwege. Blijf
aan het hoofd van dat volk. Ik vermoed dat wij het stilaan ééns
worden. Denkt gij niet?
Hij knikte flauw. Hij veegde met zijn zakdoek het zweet af, dat op
zijn voorhoofd parelde. Hij snoot zich met een luidelijk gerucht. Hij
haperde nog ergens ..
--Ik wil bij u blijven, stotterde hij, ik peins over al die dingen te
gelijk. Maar kan Dissel dat allemaal niet te weten komen? Veronderstel
.... och, wat zal ik weer veronderstellen? .... wacht even, Lucia.
Ze boog eindelijk over hem en drukte stille, innig, wonderlijk met
hare streelende armen op zijne armen, om zijne schouders en lager
over zijn rug. Stijf bukte haar struisch, houtig lichaam, en haar
hals bleef eene harde kolom met, als een steen daarboven, de doffe
zwaarte van heur blauw-zwart haar. Maar tooverig spreidden hare zoete
soepele armen een lauwe aaiing langs geheel zijn zieke lijf.
--Wij hebben den tijd, fluisterde ze heimelijk, en zult ge dan nooit
op mij vertrouwen?
Ze glimlacht niet, maar de lichte buiging van hare stem klonk als
een gulden glimlach, als een geluid van eindelooze goedheid. Pezza
voelde den liefelijken klank van den onzichtbaren glimlach en hij
werd rustig. Hij zei:
--Ge hebt gelijk.
--O ja! ....
Dit was de eenige jubeling, welke haar ontsnapte. Langzaam richtte zij
zich op, lengde uit naar de lamp, draaide voorzichtig de vlam lager,
die onderwijl opgeflapperd was en met een zwarte tong het porseleinen
schermhoedje overlikte.
Zich nu ganschelijk overgevend aan de dringende werkzaamheid, welke
hem gewoonlijk na dergelijke strijden bemeesterde, begon Pezza,
nadat zijne zuster hem verlaten had, alles in zijne werkkamer om te
draaien. Alle boeken, alle papieren moesten onderzocht worden. Hij
maakte ordelijke pakjes van sommige dokumenten, stelde zorgzame
lijsten op van de gewichtigste onder hen, doorzocht en besnuffelde
alle laden van het bureel.
Zoo was hij--een zwak man, dien men moet opwinden, en die dan
met wonderbaren ijver te werk gaat. Hij dacht aan niets meer dat
hem storen kon. Voor een tijd was weer het verleden uit zijne
gepeinzen gewischt en ganschelijk had hem de koorts van het levend
heden in beslag genomen. Straks zou hij eene vergadering van geheime
volksleiders voorzitten en hij zoude het doen met de zwierige knapheid,
de schrandere bevoegdheid en den schoonen ernst van een geslepen
politieker en een talentvol redenaar.
Eene kleine dienstmeid kwam melden dat een heer aan de deur stond en
zeer aandrong om seffens binnengeleid te worden.
--Hoe heet hij? vroeg Pezza, terwijl hij eene rij boeken altegaar
binnen de planken van eene enge boekenkast sloot.
Hij toonde zich nu uitermate opgeruimd. Hij liet de dienstmeid niet
uitspreken en, werkend aan eene nieuwe vracht, zei dat hij den heer
ontvangen zou.
Het was een vreemdeling, in wijden pelsen mantel. Hij groette
korrekt. Pastoor Pezza vingerde het stof van zijne handen weg en boog
rustig. Hij schoof een stoel bij en ging zelf in den zetel zitten,
vóor de schrijftafel. De vreemdeling bleef rechtstaan.
--Mijn bezoek, mijnheer Pezza, zei hij, belangt mij zóo weinig dat ik
het onnoodig acht u mijn naam te noemen. Wat ik u te vertellen heb,
heb ik, als een vreemdeling, vernomen en wil ik u als een vreemdeling
toevertrouwen. Ik gis het belang voor u van het nieuws dat ik u breng,
al kan het mij niet schelen welk gebruik gij ervan zult maken. Met
betrekking tot het hoofd van de politieke volksbeweging, en ik weet
dat gij dit hoofd zijt, heeft mijn bezoek eene gewichtigheid welke u
niet ontsnappen zal. Iemand, mijnheer Pezza, meent te weten dat gij
door mijnheer Dissel zijt omgekocht en dat gij het verraad van alle
volksleiders voorbereidt.
Pezza bleef kalm en goedig-oplettend. Hij stond echter recht
en verzocht den vreemden heer het bezoek als ongedaan te willen
beschouwen, ten minste als hij niets van meerdere ernstigheid te
vertellen had.
--Ik kan mij inbeelden, mijnheer, wedervoer de vreemdeling, dat een
dergelijk gerucht u onverlet laat, maar de bron ervan hoop ik dat ge
met meer belangstelling zult vernemen. Laat mij ongezegd de reden
voorbijloopen, die mij dwingt u den man te noemen, welke u voor
een verrader houdt. Ik heb die reden en tevens eene andere om u de
eerste te verzwijgen. Een volksleider zelf is hij die u verdenkt,
en zijn naam is Simon Peter. Gij kent hem.
--Waarlijk, zei zeer aandachtig pastoor Pezza, gij verwondert mij. En
wat zegt Simon Peter dat hij weet van mij?
--Dat gij, tot viermaal, minister Dissel in uw huis hebt ontvangen,
dat gij zijn knecht zijt en de ergste vijand van het volk.
--Grappig, mijnheer.
--Was mijn bezoek noodeloos?
--Geheel noodeloos, mijnheer. Zulke tijden zijn immers voorbij,
mijnheer, en de politiek van een modern land berust, Goddank! op
steviger gronden. Gij lijkt mij een Oosterling en niet zeer met deze
noordelijke gewesten vertrouwd te zijn, neem het mij niet kwalijk. Het
spijt me ook dat ge u niet bekend maakt, mijnheer. Ik zoude gaarne u
meer ervan vertellen. Wat gij mij-- met de beste inzichten, en daar
dank ik u voor--gezegd hebt, is een aardig, een alleraardigst mopje.