nevenseen op een gelijke rote van klanken. Hij scharrelde traagzaam
de kaarten op een hoop.
--Pak af, sprak hij.
Hare kleine hand wuifde even over het paarse speeldoek. Een groene
smaragd straalde op haar kleinen vinger.
--Ik heb geen geluk, zuchtte zij.
Florjan Pacôme glimlachte en keek daarna Henriëtte in de oogen. Zijn
blik was oolijk en grijs. Een kleine roode puist kleurde op zijne
linkerwang.
--Het geluk, mijn liefje, is een uitvloeisel van de menschen. Het is
een tooverwoord, waarmede zij de oorzaken van hun vreugd omhangen. Wat
hebt gij te melden?
--Niets .... een klein punt ....
--Ik meld acht en veertig en vier heeren. Dat maakt
negentien. Koeken-aas uit, is twintig. Ja, Jette, de menschen
verbergen aldus alle oorzaken, welke zij zelf bewerken, onder vreemde
benamingen. Zoo zijn daar het geluk en zijn tegenvoeter het ongeluk;
zoo zijn daar het noodlot, de voorzienigheid, het toeval en meer
andere, alle afgoden der menschen. Zij zijn de zonderlingste speelkens
van onzen geest. Wij gebruiken ze gaarne, om er, in de naakte waarheid,
niet al te mizerabel uit te zien. Wel! wel! en zijt ge ongelukkig?
Henriëtte keerde zich noesch om op haar stoel, wierp hare laatste
kaarten neer en, nadat ze hare beenen over elkaar had gekruist, omvatte
met beide handen haar opstekende knie. Ze vertelde gelaten en eentonig
dat niets meeviel. Het duurde nu al jaren, van hare eerste vrijagie
af. Overal teleurgesteld. Ze had kunnen eene eerlijke vrouw worden,
mijnheer! Maar 't werkte alles tegen: de officier, die haar hebben
moest, stierf; de geneesheer, die om hare hand dong, werd naar Perzië
gestuurd; de groot-handelaar, die haar in zijn gunst had opgenomen,
bleef zonder reden achterwege; de juwelier, die wat oud was, doch
rijk genoeg, ging onverwachts bankroet .... Ze zei:
--De eenige man, dien ik ooit bemind heb en hartstochtelijk bemin,
kijkt niet om naar me; en dat malle ding du Bessy, van wien ik in
mijne armoede eenige verzachting zou mogen verwachten, wil maar met
geen vast voorstel aankomen. Er hangt een vloek over mij.
--De vloek van Lucia Pezza.
--Lach niet daarmee, Flor. Dat wijf is een zwarte heks. Ze komt me
's nachts plagen. Ze schrijft me leelijke briefjes. Ze dreigt en
ze verwenscht, en hare macht is verbazend. Ze heeft ook Pezza in
hare macht.
--Herbegin die flauwe historie niet, alsjeblieft. Daar zijn we nu eens
over en overzat van. Als gij Pezza waarlijk liefhadt, en als Pezza u
waarlijk zoo aanbad, dan zou geen heks of geen zuster ter wereld u uit
mekaar kunnen houden. Maar gijlie hebt, godorie! geen wil, gijlie zijt
melkpap, gijlie geeft alles over aan de dienstvaardigheid van de kans,
of van het toeval, of van de voorzienigheid.... Kom, zeg niet dat ge
"ongelukkig" zijt!
Hij sprak zoo effen-lui. Die man kon peiselijk de driftigste woorden
voorleggen, elk schoon op zijn beurt, nevenseen, kalm, stillekens,
alsof hij éen vóor éen daar broze eieren telde.
De kleine telefoonschel klonk. Er hing een kleine mikrofoon tusschen de
twee hooge vensters aan den muur. Hij communiceerde met Pacôme's huis,
dat vooraan in den tuin stond, tegen de Defrélaan, en werd gebruikt
om den schilder te verwittigen als er bezoek was. Er was bezoek van
mijnheer den baron du Bessy.
Mijnheer du Bessy kwam, dadelijk na de aankondiging, heel zwierig
binnenloopen. Hij was zeer opgeruimd en lachte gulzig, terwijl hij met
liefelijke elegance de vriendelijkste dingen zei. Hij verklaarde dat
hij den Goden dankbaar was voor de aangename verrassing, welke hem
hier te beurt viel, en kuste de handen van Henriëtte binstdien. Hij
wierp zijn rotting op een sofa en trok langzaam zijne handschoenen
uit. Een witte krysantheem schaterde op zijne borst naast het tipje
van een groen zakdoekje, dat daar even uitstak.
Mijnheer du Bessy had een hooge kleur. Zijn snor en zijn kinnebaardje
waren glanzend zwart én een laagje geurig poeier, versch door den
kapper aangezet, streelde als een fijn dons over zijn kaken. Hij deed
zijne stem ongewoon-luchtig op en neder zingen:
--Mijnheer Pacôme, ik kwam u afhalen. Ik meende dat ik u niet in
zulk heerlijk gezelschap zou treffen. Ik ben zeer dankbaar. Of kom
ik misschien ongelegen?
Mijnheer Pacôme verzekerde dat hij zich geheel ter vrije beschikking
aan mijnheer du Bessy overgaf, dat hij de eer, welke mijnheer du Bessy
hem bewees, zeer op prijs stelde en dat hij slechts enkele minuten
verlof vroeg om gauw zijn rok aan te trekken. Mijnheer Pacôme, die
met een schrandere behendigheid de ijdelheid der menschen aan zijne
eigen ijdelheid meten kon, ging met mijnheer du Bessy op een voet van
groote hoffelijkheid om. Hij had al gauw bemerkt dat dit zeer in den
smaak viel. Hij groette beleefd, half-glimlachend, en gleed zachtjes,
langs de trap van eene met blauw fluweel beschaduwde veranda, naar
den tuin af.
Mijnheer du Bessy bleef een oogenblik zwijgend en onbeweeglijk
staan in de volkomen stilte, die nu de zwoele lucht van het atelier
belaadde. Dan trad hij rap naar voren, opende zijne armen en fluisterde
met voortreffelijke innigheid:
--Henriëtte! Henriëtte!
Hij zag dat ze niet opkeek, dat ze leunde over het lage speelbankje
en met hare rappe vingeren de bonte kaarten roerde. Haar brons-blonde
haar lag weelderig in dikke vlechten opeengewonden haast op hare
mooie schouders. Hij zag haar knie schoonvormig glanzen door de
plooien van haar zijden peplum. Ze keek niet op inderdaad. Maar
mijnheer du Bessy merkte wel dat eene zware aandoening hare borst
deed zwellen en zinken. Hare borst was gelijk een stille storm vol
dreigende gebeurtenissen.
Mijnheer du Bessy legde zijne hand op haren arm en ze rilde. Hij nam
haren arm en voelde de zoetigheid van haren naakten arm gansch. De
klaarte van den weggaanden dag doezelde goudspinnend in de ruimte alom,
en de zonnelap had zich lang uitgerokken over het tapijt, overteemst
met een licht-violette schaduw. Toen neeg mijnheer du Bessy over
Henriëtte, en de slimme geur, die om haar hoofd walmde, schoot op
in zijn hoofd. Langzaam hief ze haar gelaat naar hem toe. Hare natte
oogen pinkten. Hare lippen waren rood, half-beloken, en een geperel
van tanden speelde ertusschen.
De goede mijnheer du Bessy was geheel week geworden. Ze kuste hem. Ze
toonde zich ineens opgeruimd en knipte met haar wijsvinger over zijn
neus. Ze verzekerde dat zij 't al een heelen tijd in haar binnenste
gevoeld had dat hij komen zou. Ze had dezen morgen een bult gezien
op de Graanmarkt en, rond den middag, een bruinen pater. Ze dacht
juist aan Freddy en was nu zeker dat ze Freddy ontmoeten zou. Viel
dat niet allemaal precies uit? O, ze dacht van den uchtend tot den
avond aan Freddy!
Hij wandelde over en weer het atelier rond en was tamelijk met zijn
eigen ingenomen.
Nadat Florjan Pacôme teruggekomen was en eene sigaar, welke hem
mijnheer du Bessy aanbood, had aangestoken, moest Henriëtte in het
toiletkamertje dat achter een groot Sineesch lichtscherm was ingericht,
zich aankleeden. Mijnheer du Bessy had inmiddels een en ander over
kunst aan te merken. Hij deed het met de gewone voornaamheid, die hij
placht over al zijne woorden gelijk een goddelijken mantel te spreiden.
--Och ja, mijnheer Pacôme, sprak hij, men is over zulke onderwerpen
nooit uitgepraat. Een ieder houdt er een eigen theorietje op na. Men
heeft gevonden dat de kunst voor God was, daartegenover dat ze voor
haar eigen was. Hoe onwerkelijk is dat alles! Ga, zal ik u vragen,
wat dieper de zaak inzien. Een man teekent op een houten plankje een
rondeken (dit is een hoofd), en vlak daaronder een grooter rondeken
(dit is een lijf), en twee stokjes bovenaan (dit zijn armen),
en nog twee wat lager (dit zijn beenen), en hij toont u: dit is
een mensch. Gij zult het niet ontkennen, want het is tastelijk de
waarheid en in zichtbare vormen een mensch. Aldus heeft die man
het beeld mensch, dat in zijn kop zit, uitgedrukt en gij hebt hem
begrepen. Hij heeft u het beeld medegedeeld. Zijn doel was: het beeld
mede te deelen. Is die man een kunstenaar? Geenszins. Het geteekend
beeld is niet de finale uitslag van zijn streven. De finale uitslag
van zijn streven is: het beeld mede te deelen. Welnu, hij zal een
kunstenaar zijn als de finale uitslag het beeld is eeniglijk.
Hij stond tegen de gele gordijn van het venster en zijne magere
gestalte donkerde op in de uiterste klaarte van den avond. Hij boog
zich en puntte met zijn vinger naar Florjan Pacôme.
--Let wel, bid ik u, dat hij, in dit geval, het beeld daar zal
neerteekenen noch tot glorie van God, noch tot stichting van het volk,
noch tot een offerande aan de schoonheid. Hij zal zonder zorgen zijn,
vermits hij niets mededeelt. Hij maakt het beeld ter wille van het
genot, dat voor hem in de verwezenlijking van het beeld gesloten
ligt. Hij vindt hierin het zelfde genot, dat het kind vindt in het
stukslaan van zijn popje: hij leeft in zijne verbeelding.
--Hij wil toch dat anderen dat genot medevoelen, mijnheer du Bessy.
--In het geheel niet, mijnheer Pacôme. Het spijt mij waarlijk te
hooren dat gij u bekommert om het genot van de velen, die gretig
uwe schilderijen koopen. Het genot medevoelen, zegt gij? Maar,
mijnheer Pacôme, dit genot ligt niet in het zien, in het tasten van
het verwezenlijkt beeld, het ligt juist in de verwezenlijking van het
beeld! Het ligt geheel in de inspiratie, dewelke is het besef van
het leven der verbeelding, en in de verwezenlijking van het beeld,
dewelke is de proefondervindelijke uitwerking van dit zeldzaam besef.
Mijnheer du Bessy keek met een galante buiging om naar het Sineesche
lichtscherm, waarnaast, in vaardige stadskleedij, Henriëtte verschenen
was.
--Mijnheer Pacôme, zei hij terwijl zijne stem lager zonk en een
toon sloeg van genegen toegeeflijkheid, ik wilde u alleen maar doen
uitschijnen dat de kunst geen doelen heeft, waarnaar het volbrachte
kunstwerk leiden moet--dat haar eenig doel het volbrachte kunstwerk
zelf is. Zoodat een kunstenaar, die zijn werk aan het publiek opdraagt,
vooraf zeggen zal, als hij ten minste beschaafd is en fijngevoelig:
"Indien u dit werk ongenietbaar is, vergeef mij het genot, dat ik
aan de beelding beleefd heb."
Er werd besloten dat Henriëtte het rijtuigje zou gebruiken en naar
huis zou worden gevoerd. Mijnheer du Bessy en Florjan Pacôme zouden
de tram nemen en hun best doen om bijtijds nog op mevrouw Verlat's
dîner te zijn. Zij namen afscheid vóor het hek van den tuin. Henriëtte
drukte lang de hand van mijnheer du Bessy en gaf een paar kneepjes
in zijn duim. Ze wipte in het tweewielig paandertje en riep:--Dââg!
Haar hoed kleurde in de avondschemering. Zij had op haar hoed een
groote witte pluim, die licht ommewuifde en onrustig onder het windje
te vlaggelen begon. De poney schoot te viervoete weg.
Het was het eerste dîner dat mevrouw Verlat, op aandringen van
haar man, met den aanvang van den halven-rouw in haar nieuwe woonst
gaf. Zij deed het ongaarne. Zij hield niet van dat soort openbare
uitstallingen. Zij wilde liefst in kleinen kring leven, innig rond
den huiselijken haard, en verschoond blijven van alle recepties en
bezoeken. Zij verkeerde buitendien in een toestand, die eene zorgzame
rust vergde, en zij probeerde Ernest van zijn voornemen te doen afzien.
Ernest drong verder aan. Er werd eindelijk besloten dat Vere alleen
de beste vrienden uitnoodigen zou en geene dames zou vragen.
De tafel was in het kleine salon gedekt en van de groote zaal, waar,
op haar praalbed mevrouw Chanteraine ten toon gelegen had, werd geen
gebruik gemaakt. Naast dit salon was een lieve kamer, geheel met
Indisch goed versierd, en achteraan, de rookplaats. Toen mijnheer
du Bessy met mijnheer Florjan Pacôme zijn intrede deed, waren daar
reeds pastoor Doening en Simon Peter aan den praat. Mevrouw Verlat,
in grijs-zijden huistoilet, dat in los-ruischende plooien neerhing,
ontving ze met een gullen lach en een vriendelijk woord. Ze kuste
mijnheer du Bessy en drukte de hand van mijnheer Pacôme.
Juffrouw Francine schikte een mooien bloemtuil op de eettafel. Ze
droeg een wit-moesselienen kleed, allerzijds bezet met paars-blauwe
linten. In haar gouden haar stak een bleeke roos. Ze boog, zich
uitstrekkend, over de klare tafel, waar het felle kandelaberlicht
met verschillig getintel blikkerde langs de borden, de roemers en
het uitstralend zilverwerk. Ze kwam seffens Oomken groeten, die zich
ongemeen geestig aanstelde, en ze vroeg aan mijnheer Pacôme wanneer
zij nu eens zijn atelier mocht zien. Ze bood den heeren, op een schaal
met kantjes, een glas port aan.
Juist op dat oogenblik werd mijnheer Johan Doxa aangemeld. Hij trad,
scheef-schuivend en blozend, het Indisch kamertje binnen en hij begon
in het gele licht te pinkoogen. Onder den kroonluchter bleef hij
beteuterd staan. Zijn bolle wangen glansden. De bleeke krullekens,
welke als een doorzichtige krans zijn glimmenden schedel omwolkten,
waren nat en trilden. Zijne tien vingeren duwden op zijn buik de
randen van zijn hoogen hoed.
Mevrouw Verlat liep naar hem toe en ze dankte hem dat hij gekomen
was. Hij knikte vreemd en schuchter, en zijne blikken haperden over
de zijde van Vere's kleed, vol ongemak en bewondering. Ze nam zijn
hoed uit zijne handen en klopte vriendelijk op zijne schouders. Ze
was zelve zeer aangedaan. Hoe lang was het al niet geleden dat zij
dezen goeden vriend gezien had?
Ze vatte hem bij zijne mouw en duwde hem zacht naar voren. Ze
stelde hem vóor aan iedereen en ze was fier over hem. Hare oogen
straalden. Juffrouw Francine bracht hem een glaasje wijn en hij beefde,
terwijl hij dronk. Hij dacht er niet aan te spreken; hij hield zich
voortdurig naast Vere en zijne kinderlijke houding toonde zoo genoeg
dat hij gelukkig was, en dat er geen woorden bij hoorden.
Toen moest hij gaan neerzitten en mevrouw Verlat wilde weten al wat er
met hem gebeurd was. Maar hij lonkte en glimlachte en zei dat alles
goed was, alles lekkertjes-goed was, en zijne ronde oogen staarden
tallenkant. Het was soms alsof hij, ineens Vere aanziende, zeggen wou:
--Wel djeezekens! .... en zijt gij Vere?
Hij keek naar zijne vette handen die, wit poezelig, op zijne knieën
lagen. Hij herkende zijn eigen niet recht goed. Hij keek naar het
tipje van zijn frak. Hij had een frak te huur gehaald en hij vond 't
nu zoo zonderling. Dit was toch Vere? Waarom was hij Johan niet? Hij
dronk nog een glaasje wijn.
Daarbinst stond mijnheer du Bessy te redeneeren, sprekend met Peter
en pastoor Doening en Pacôme tegelijk. Hij was bijzonder in zijn
humeur en had alweer wat aardigs te vertellen omtrent de politische
gebeurtenissen. Hij deed het met de voortreffelijkste zwierigheid in
een wondere gamme van verwisselende stemschakeeringen.
--Die Pezza, mijne heeren, sprak hij, moet waarlijk een knap man zijn,
en ik verwonder mij erover dat hij nog niet in den kerker zit. Maar
wellicht weet de autokraat Dissel dat Pezza eer een slijtende dan eene
aktieve beweging heeft in gang gezet, en laat hij hem begaan, omdat
hij, zooals ik, overtuigd is van de volkomen ijdelheid van Pezza's
pogingen. Inderdaad de stelling van Pezza berust op de leering van
Kristus en het fondament van zijn gansche bedrijf is het geloof in
God. Om met Pezza mee te gaan moet gij u reeds aanzien als afhankelijk
van Gods besluiten. Gij zijt niet een vrij man, gij zijt een willoos
alaam van God, gij zijt een ondergeschikt tuig van Gods inzichten. God
is uw wil, God wil u goed, gij wilt over allen de heerschappij van uw
God. Dit stelsel is uitstekend voor jonge volkeren en kan Jong-Amerika
bijvoorbeeld tot grootsche daden aanzetten. Maar wij zijn oud en door
de wellusten der wetenschap bedorven. Vergeet dat niet: wij gelooven
in niets, wij willen beproeven en ervaren. De systematische kunde van
den geest heeft van ons de heete geestdrift verwijderd. Het geloof is
bij ons een teeken van onwetendheid. Wij vermogen niet meer de som
van onze ekonomische eischen om te zetten in een allegorisch beeld,
hetwelk wij naderhand blindelings vertrouwen. Wij zijn het kinderlijk
begrip van zulke heerlijke synthesis onmachtig geworden, en wij
zouden God niet uitvinden, als hij niet reeds bestond. Pezza, mijne
heeren, teert op verouderde wetten. God, de God van het Kristendom,
die Europa in leven heeft geroepen, is niet langer meer het leven
van ons volk. Het licht om Hem is uitgegaan, en Hij is nu macht der
duisternissen. Haal het volk uit den nacht, waarin het thans gedompeld
ligt, en het zal zijn God niet meer herkennen.
Pastoor Doening hief zijn gelen portroemer in het midden van de groep,
zoodat de verscheiden klaarte van den kroonluchter kwam tikkelen
sterregewijs binnen de gulden gloeiing van den wijn. Oolijk blikkerden
zijne vinnige oogjes, en er viel een korte stilte, waarbinst men
juffrouw Francine een klapje hoorde slaan op de bolle wang van mijnheer
Johan Doxa. Ze was er om zeer verlegen, want iedereen keek naar heur
en merkte het simpele wezen, waarmede Doxa het lieve klapje ontving.
Het sloeg zeven uur op de groote Louis-XVI-klok van het salon. Mevrouw
Verlat stond recht en wilde uitzien naar de tafelmeid: maar de oude Ko,
in zwarte livrei, kwam in het deurgat staan en meldde met gebroken
stem mijnheer Rupert Sörge aan. De naam viel juist na den laatsten
klokslag en alle gezichten keerden omme naar het donkere portaal,
alsof daar iets ongemeens moest verschijnen.
Mijnheer Sörge was een schoon man. Lui gloeiden zijne oogen in
zijn zon-gebrand aangezicht en rood blonken zijne lippen onder zijn
fijn blauw-zwarte snor. Hij trad met Ernest Verlat op, groette rap
en licht het geheele gezelschap en kwam buigen vóor de dames. Een
ongemak stoorde even de mooi-belichte lucht, totdat iedereen zich
aan tafel begaf en daar wat klein rumoer veroorzaakte.
Mijnheer du Bessy maakte van de gelegenheid gebruik, daagde langs
een nieuw spel van buigzame volzinnen op met een versch onderwerp,
dat hem sinds een paar minuten op het hart lag. De bloemtuil van
juffrouw Francine kleurde zacht en sierlijk in eene zwaar kristallen
vaas, tusschen drie rilde kandelaars van zilver.
VIII.
DE GEBOORTE VAN PIP.
Mevrouw Verlat lag te bed. Mijnheer Verlat zat in zijne studeerkamer
bij 't vuur en keek droomend uit, door 't venster, naar de grauwe
winterwolken die, schuins belicht, dezen zwaar-blauwen valavond
begeleidden. Mijnheer Bley, de dokter, had verklaard dat mevrouw Verlat
binst den nacht bevallen zou en dat zij met veel voorzichtigheid
moest behandeld worden. Men hoorde ze af en toe klagen. Ze leed
veel. Mijnheer Bley mocht het huis niet verlaten. Hij deed, naast
Vere's kamer, een breede sofa met kussens ophoogen en bestelde,
alsof hij in een taveerne zat, een flesch bourgogne en sigaren. De
avond viel.
Ernest lag in een zetel uitgestrekt en frommelde tusschen zijn vingeren
een uitgedoofd sigaretje. Hij voelde om hem het groote huis vol met
hangende gebeurtenissen en hij volgde door het raam den tragen gang
van de winterwolken. En nog eens, en alweer eens overdacht hij in een
vlug verschuif van 't verleden wat hij was, en hoe hij was, en wat
hij gedaan had, en wat de uitslagen waren. Sinds die scene tusschen
hem en Vere, den nacht na moeders begrafenis, liep hij zoo gedurig de
vele zaken te bepeinzen en het had hem moe gemaakt. Hij kon wel inzien
dat hij niet meer dezelfde was, dat hij een onbekende levenswijs had
ingezet en dit willens-onwillens doordreef. Hij was gewoon zijn eigen
te bekijken en de gronden van zijn voelen te peilen. Hij deed het
onophoudelijk, zoodat hij al zijn doen en al zijn begeeren belastte
met het slameur van parasitaire overdenkingen. Na zijn vertrek
naar de kust geraakte hij op die manier tot de zekerheid dat Vere
niet de vrouw was, welke hij noodig had, en dat zijne liefde voor
haar eene grondelooze bezigheid was geweest van zijne onbestendige
zinnen. Onbestendig wist hij dat hij was, maar hij had gehoopt dat
de sterke innige figuur van Vere de noodige zwaarte zou bijgedragen
hebben. Het liep mis uit. Dat kon hij nu vaststellen. Hij bekende
dat de aanwezigheid van Vere op hem tyranniek inwerkte en dat hare
wegende overmacht, die hem had moeten steunen, hem neerdrukte. Ze
begreep hem ook niet. Een vrouw moet haar man begrijpen. Zij wist
niet eens dat ze hem een dwingeland was. Ze was uiterst liefderijk,
uiterst oplettend zonder te merken dat ze hem met al die zorgzaamheid
krenkte. Ze deed nooit iets dat maar rijzekens slecht was. Haar doel
was zuiver en hare gedachten ongemengd. Voelde ze dan niet dat ze eene
schreeuwende oneenigheid stichtte, dat ze het evenwicht brak tusschen
hen beiden, dat ze brutaal genoeg hare volmaaktheid deed aanbotsen
tegen zijne zwakte? Dat voelt ge, zoo iets. Dat stuit u omver, zoo
iets. Maar Vere voelde niet het minst daarvan. Het moest wel een
gebrek aan fijnheid zijn, aan verstandelijke fijnheid. Die vrouw zou
met hem het leven doorgaan en onwetend blijven van al de folteringen,
die, voor hem, uit hunne onharmonische verhoudingen moesten ontstaan.
Hun verblijf op de kust was zeer ongemakkelijk geweest. Hij had
het aangezien als een strijd zonder woorden tusschen hem en zijne
vrouw. Vere deed met teedere schranderheid haar best om te toonen
dat zij hem alles vergeven had, en nochtans donkerde tusschen hen al
zwaarder en hooger de herinnering aan 't gebeurde. Zoo dacht hij, en
hij was wrevelig als hij merkte dat Vere, stil en zacht, die massale
vijandschap niet wilde herkennen. Hij probeerde nu de overhand
te krijgen en beantwoordde hare aandachtige zorgen met overdreven
minzaamheid. Hij wilde haar klein maken onder een last van opgestapelde
attenties. Hij omringde haar met gestadige voorkomenheid en trachtte
in een overvloed van vlijtige dienstjes hare gebaren te benauwen. Hij
voorzag hare minste begeerten, belegde achterbaks eene toenadering
van Lieven Lazare en zijne dochter, schreef dringend daaromtrent aan
pastoor Doening, en meende: "nu krijg ik ze nietig, nu krijg ik ze in
volle licht, gelijk ze werkelijk is, gespannen, onbenullig, vormloos."
Maar Vere onthaalde zijne minste bewijzen van genegenheid als een
hulde, welke zij hem tienvoudig vergoeden moest. Hare liefde was
onuitputbaar, en zij vond altijd nieuwe manieren en nieuwe grootheid
van gevoel. Meteen bleef ze een klare rustigheid, een serene vrede
in huis. Ze deed haar eigen geen geweld aan om goed te zijn zooals
zij was, en Ernest stoorde zich meer nog aan het gemak, waarmede zij
hem overwon, dan aan haar zegepraal.
De briefwisseling die hij nauwkeurig met Rupert Sörge onderhield,
verminderde zijne ergernis niet. Integendeel. Hij toetste aan de
scherpzinnelijke gedachtvormen van Sörge zijn verlangen om wat hij
zijne evolutie noemde, door te zetten. Hij bad hem eens even naar
Knocke te komen. Sörge wilde niet, ze zouden malkander te Oostende
zien.
Ernest Verlat bleef twee dagen te Oostende, welke hij gansch ombracht
met Sörge en Milly d'Orval. Ze dîneerden saam, kuierden langs de kust,
zaten in den kursaal, en het waren voor Ernest gouden uren.
Grijzer, zwaarder scheen hem de lucht te Knocke in zijn villa, nadat
hij Sörge verlaten had en nu weer met Vere en Francine in eenzaamheid
was. Hij werd doodelijk droef. Alles woog hier gelijk de dood. Hij
kon geen boek meer lezen en geen volzin meer nederschrijven. Hij
liet maar onderstellen dat de herinnering aan moeder hem ineens kwam
aanvallen, en lag meertijds uitgestrekt in een zetel, de oogen dicht,
de handen moe op de leuning, te brouwen een nacht van ontzeggelijke
verveling. Moest op die manier zijn leven uitbloeien, en zou hij de
kracht niet hebben om de koppige invloeden te bemeesteren, welke hem
stoorden in zijne natuurlijke ontwikkeling? Zijn geval met Vere, die
verwisseling van uiterlijkheden, het was alles een avontuur, een vorm
van onervarenheid, van lichtzinnigheid, het was eene vergissing. Hoe
kon het anders? Hij was nog zoo jong. Nu voelde hij dat hij op een
keerpunt stond en dat sterkere machten in hem waren opgerezen. Nu
zou hij voller leven, als hij zelfstandig wilde zijn.