Simon Peter beschuldigde niet rechtstreeks pastoor Pezza; hij

had overigens geen bewijzen vóor te leggen. Verraad spookte in

de lucht. Hij had daarvan het klaar gevoel, en indien iemand

Otten verraden had, dan moest men in Pezza's omgeving gaan

zoeken of Pezza zelf er voor aanzien. Pastoor Pezza werd beloerd,

bespied--vruchteloos. Niets in zijn handel of wandel kon aanleiding

geven tot het vermoeden, welk Simon Peter had opgevat en welk hij,

naar hij beweerde, vooralsnog niet kon laten varen. De eerlijkheid

van Simon Peter werd door niemand in twijfel getrokken; maar niemand

evenwel kon ertoe besluiten de hand te leggen op een aanzienlijken

bondgenoot, die feitelijk aan het hoofd stond van de revolutionaire

beweging en alles te verwachten had van hare goede uitkomst.

De winter kwam aan. De verkiezingen naderden. Het land lag in koortsige

verwachting en de vochtige najaarsflarden sleepten mottig erover.

Het eerste volksgeweld gebeurde in September, te Brussel.

't Had, dien dag, al in de vroegte begonnen te miezel-regenen. Een

druppelende grijze dikte wolkte over de stad, die ongemeen daaronder

rumoerde. De lange huizenreken wasemden nattig weg, en het scheen

wel of ze eindeloos boven de blinkende straten uitrezen. Vol roerend

geverf klaarde de zeeverige lucht.

Gelijk een onrustig dier rumoerde de stad. Een angstige menigte

donkerde allentwege, slierde langs de gevels, daalde van de hooge

buurten naar de middellanen af. Ze kwamen in trage trossels grauwe

gedaanten en de bleeke gezichten blonken eenderlijk en akelig

nevenseen, terwijl ze blikten naar links en naar rechts al bijzende

over de schouders en de ruggen. Daar was soms muziek bij. De klare

kopers knetterden in den valen dag, en rythmisch daverden de holle

trommen. Dan wiegden al die zwarte lijven op gelijke maat langs de

waterglanzende kasseide en de witte voorhoofden schokten in kadens.

De regeering had sinds lang een ministeriëel besluit afgekondigd,

waarbij verboden werd in 't openbaar de roode vlag te hijschen. Al

die duistere mannen, die zwart wentelden in den grauwen uchtend,

droegen een roode dahlia op de borst of hadden zich een rooden lap

om den hals gesnoerd. De roode vlekken gloeiden vaak zeer warm in

de blauwe effenheid van het droomende kleurgezicht. De lage hemel

druppelde traag.

Van overal kwamen de gonzende troepen. Zij kwamen als uit den nacht

te voorschijn, en ze waren als de somber-aanzakkende davering van den

dag. Groepen vermengden zich, en dubbele groepen sloten verder weer

met dubbele groepen aan. Ze waren eindelijk een wemelende massa,

die in de wijde middellanen zich thoope drong. Op de Beursplaats,

waar insgelijks de donkere menschenstroom uit de lage stad al

ronkende kwam aanspoelen, was 't een dompige krioeling van koppen

en wit-klarende gezichten, waarlangs een schelle kleur of een harde

kreet soms als een schicht ging uitschieten. Het groote geelgrijze

Beursgebouw somberde opwaarts achter een wuivende floers van regen,

en mauve schaduwen gaapten tusschen de hooge gladde frontkolommen. Het

woog daar, boven de beweeglijke menigte, als een geweldig pak natte

verve binnen glimmende zuilen in een vierkant besloten.

Het raasde. 't Slierde hier langzaam naar twee richtingen uiteen: dikke

drommen lawaaiden noordwaarts, naar de statie; andere stuwden met trage

gedrongenheid naar de Kapelleplaats op, alle kleine straatjes door,

en kwamen aandaveren vóor het Volkshuis. Op het statieplein echter

woelde de meeste drang, die met de aankomst van manifestanten uit de

provincie voortdurig toenam. Het groote uitgangsportaal van het station

was bewaakt door een dubbele brigade politieagenten die, vóór de

breede drempelzuilen, eene wijde plaatsruimte open hielden. Nu stormden

overhand, bij 't inrijden van elken trein, de zwarte mannendrommen de

trappen omlage en stuwden in de zwelgende menschengaping op het plein

uiteen. Dan werd wederom de ledige plaatsruimte vóór 't portaal door

de politie vrijgedrongen. Het station was als een monster van steen,

dat, bij gorgelende geuten, een krioelende ploege koppen en lijven

uitspuwde in de stad.

De mannen waren stil. Ze kwamen meerendeels uit de noordergewesten,

van omtrent Antwerpen en Limburg, of uit Vlaanderen vandaan. 't

Waren Kempische mijnwerkers en Vlaamsche agrariërs. Ze hadden bleeke

vierkante voorhoofden, die uitglommen met een zonderlinge kracht in

het natte spel van de mistige Septemberverven. Ze keken stoer en wild

op naar voren, belast van binnen met een wil van wanhoop. Zij waren

lijk kudden, die men drijft langs enge wegen en die nu ineens op de

breede weidevlakte vrij zich smijten.

Maar ze waren zeer stil. Er kwam als een angst uit de holte van

het stationsportaal. Enkele benden waren door een troep muzikanten

vergezeld. De muzikanten speelden in de vochtigheid en de koperen

knettermaten klopten met eendelijke woestheid over de donkere

schouders heen.

Traag roerde heel die woeling van rakkers en dompelaars, wiegde gelijk

een werking van golven over het plein, breidde zich uit en gleed,

met pakjes bijeenloopers, langs de lanen, langzaam naar het Volkshuis

op. Om het station zelf verminderde de drang nauwelijks.

Een tijdje vóor de aankomst van den express-trein uit Oostende, kwamen

twee rijtuigen zich door de menigte een weg banen en stilstaan in den

kring der politieagenten, vlak tegen de ledige portaaltrap. Simon Peter

en mijnheer du Bessy sprongen uit het eerste rijtuig en liepen haastig

de spoorhalle binnen. Op het perron stond mijnheer du Bessy te blazen,

en wuifde met een blauw-zijden zakdoekje over zijn aangezicht.

--Simon, sprak hij, we hadden er een ander dagje kunnen voor uitkiezen.

--Och ja ....

--Dat moest gij toch vooruit weten, gij, die u ook aan die

plebejerszaak vuil maakt. Gij had ons deze akelige koers langs zwarte

lijven en het zicht op deze onzeggelijke mizerie kunnen sparen. Het

zal straks een heele toer zijn om er met de dames en de reiskoffers

door te geraken.

Hij snoof den reuk van zijn zakdoekje op, mompelde:

--Nu komt de express daardoor natuurlijk een hoop tijd over zijn uur

.... Maar zeg eens, Simon, is dat toch waarlijk waar dat ge u met dat

revolutionaire zooitje hebt laten inspannen? Wat meent ge? Dat alles is

een misverstand. Gij kent het volk niet en het volk weet niet wat gij

tot zijn voordeel bedoelt--en zoo slaat gijlie samen een verbond! Het

volk, kerel, is een willekeurige som van grove instinkten. Men kan

er wel over redeneeren en hare samenstelling met wetenschappelijke

nauwkeurigheid bepalen--maar men kan het volk niet genadig zijn. Het

ideaal van een volk is de volmaakste uitdrukking der middelmate,

eenerzijds begrensd met den nood panem en anderzijds met de begeerte

circenses. Daarrondom wilt gij nu gaan liegen, en in theoretische

bewoording of bespiegelende dichterlijkheid omschrijft ge al dat lage

gedoe. Ik vraag u: Wat meent ge toch? Wat maakt u het groote leven zoo

gebrekkig, dat ge u met zulke alverterende ijdelheid bezighoudt? Denk

er aan dat ge jeugdig zijt, mijn beste. Ik zoude u kunnen vertellen

van den jongen Narcissus, zoon van Cephissus en Liriope, die gedurig

naar zijn droomen tuurde en, evenals gij, nievers grooter genot vond

dan het spektakel van zijn eigen gepeinzen. Zoo dichtte hij de ideale

wereld, waarvan hij tegelijk schepper en verbruiker was. Dagen aan

dagen lag hij in de bosschen van Thespiae in Beotië op den oever der

stille vijvers, en hij boog met gretige liefde over het spiegelgladde

watervlak. Hij zag zijn beeltenis in de klare afgronden, en hij blikte

in zijn eigen oogen, en hij bewonderde de vlugge ideeën, welke overhand

er uit schoten of zoetig opstreelden of lui-grijs wegschemerden in

een rimpeling van het vijvervenster. Maar de wondere nimfe Chloë had

hem lief, dezelfde van dewelke men leest, dat ze geboren was uit de

paarlemoeren schelp van Aphrodité, moeder van Eroos. Hij zag niet

naar de teedere Chloë om. Ook Myrtô, de blanke kleindochter van Zeus,

verlangde naar hem. Ook Nausikaa, de dansende, die was gelijk een

rozeblad in den wind van den uchtend, kloeg opdat hij haar bezitten

zou. Ook andere nog. Zij waren allen liefelijke nimfen, die het lichte

geluid zijn der luchten in de bosschen van Thespiae. De peinzende

Narcissus boog over het gladde water, en hij hoorde de zuchten der

liefde niet. Echo, de aandoenlijke, beminde hem, maar ze droogde uit

in onvoldane liefde en, een harde rots geworden, bewaarde slechts hare

stem. Toen, Simon, kwamen alle nimfen te zamen en ze zonden een bode

uit naar Anteroos, den gekwetsten God der Wedermin, en deze werd zeer

boos, zoodat Narcissus tot zijn straf in eene wiegende lischbloem

veranderde. Dit gebeurde vóor den eersten aanval van de Cyclopen,

welke vergeefs de bergen stapelden op de bergen om de Goden op den

blauwen Olymp te bereiken.

De express kwam aan. De lokomotief naderde hijgend en pafte in de

grauwe halle hare dikke damppluimen open. Simon liep schielijk naar den

coupé, waar Ernest Verlat door het neergelaten raam al lachend uitkeek

en vriendelijk wenkte. Mijnheer du Bessy stak zijn zakdoekje weg en

trippelde zeer voornaam achteraan. De trein stond met een schokje stil.

--Hee! Oomken! wat zijt ge vet geworden!

Juffrouw Francine sprong, in éen wip, de portière uit en Simon Peter

voorbij. Ze viel in mijnheer du Bessy's armen en lachte, terwijl ze

zeer ondeugend zijn mooie snor in de war bracht.

--Lieve, lieve dikkerd!

Toen merkte ze Simon, die mevrouw Verlat uit het rijtuig hielp,

en ze bloosde meteen.

De oude Ko en Mariëtte waren ook van de reis. Ze droegen de pakjes

en de kleine koffers. Mijnheer du Bessy verhaalde seffens van het

"plebs-gewoel" op straat en dat de boel nu leelijk ineenzat, hetgeen

allemaal te danken was aan de misdadige ophitsing van utopische

volksleiders. Toen vroeg hij aan Vere, die stille toelachte, of ze

binst het reisje veel geleden had, en toen zij verzekerd had dat ze

zich zeer lekker voelde, verklaarde hij met uiterste distinktie,

dat hij daaromtrent tamelijk bezorgd en nu vrij gelukkig was. Zij

leunde, traag-stappend, op den arm van Ernest. Hij bad haar dat zij,

om de trap af te gaan, ook zijn arm zoude tot steun nemen, en zij

deed het zeer gaarne.

Juffrouw Francine was in druk gesprek met Simon. Wanneer zij op het

plein het sombere volk zag wiegelen als een zee, bleef zij benauwd

staan en legde haar handje in Simon's breede hand. Toen spoedde

zij zich om in het rijtuig te stijgen. Ko schikte de koffers boven

op de kappe en kroop bij den koetsier. Ze keek nog even rond en

blikte, al schrikkend, in het koperen gelaat van een vreemd man,

wiens oogen met ongemeene scherpte op haar gevestigd waren. Simon

bemerkte dat ze huiverde en vluggelings zich wegdook in een hoek van

de koets. Terwijl ze voortreden--juffrouw Mariëtte zat rechtover hem

met een hoop pakjes op haar schoot--vroeg hij aan juffrouw Francine

of ze dien bruinen man kende. Ze zeide dat ze angstig was geworden

en dat hij een leelijk gezicht had. Ze rilde:

--Ik hoop maar dat ik hem nooit ken, deed ze fluisterend.

Simon kende hem zeer goed. Hij verhaalde dat hij een vreemdeling

was, een Indische slaaf. Hij kwam dikwijls in het Volkshuis en sprak

nooit met iemand. Juffrouw Mariëtte keek zeer onverschillig uit langs

het raam, en zag af en toe een bende manifestanten stil-koutend de

straat opgaan.

Toen ze thuis kwamen, vonden ze in het salon, een heerlijken tuil

orchideeën, met een kaartje van mijnheer Rupert Sörge aan het adres

van juffrouw Francine Verlat.

In den namiddag, en spijts de herhaalde vermaningen van mijnheer du

Bessy, vertrok Simon Peter met het inzicht om de avondzitting in het

Volkshuis bij te wonen. Het volk was overdag zeer bedaard geweest,

en de manifestatie liep als een vredige ommegang af. Te vespertijd

werd de stad buitengewoon rumoerig. De herbergen waren stampvol

en de menschen zouden gaan onlustig worden. Vanaf zes uren in den

avond werd de ordedienst met militaire manschappen aangedikt, maar

nievers nog was eene ernstige tusschenkomst der politie noodzakelijk

geworden. Groepen Vlaanderaars liepen zingend de lage stad rond;

andere dansten op de maat van een schokkend straatorkest; andere

nog volgden arm aan arm een harmonika-speler en een triangelluider

en riepen, zonder recht te weten wat dit te beduiden had, dat ze het

ministerie met ooren en pooten zouden omvergooien. Een paar roekelooze

Limburgers, die in twist waren geraakt, werden voor een tijdje in

een hok van den Amigo gestoken.

Simon Peter stapte langzaam door. De dag was niet zoo mooi voor hem,

als hij hem zich had ingebeeld. De thuiskomst van zijne vrienden was

lauw geweest en het genot zeer beneden zijne verwachtingen. Francine

was zeer lief met hem. Hij had echter gehoopt dat hare houding geheel

anders zou zijn. Hij voelde dat in dit huis een groot misverstand

gesponnen werd, en hij was bang dat hij dit eens tastelijk ontdekken

zou. Hij dacht niet zonder ongemak aan de prachtige orchideeën,

welke de kamer vervulden met eene mooie sierlijke angstigheid. En

hij zag ook in zijn geest het koperen Indisch gelaat van Takker,

den geheimzinnigen knecht van Rupert Sörge.

Toen glimlachte hij, terwijl hij merkte dat hij zelf alle zaken

leelijk maakte en ze dan tot een vreeslijk spook opstapelde rond

hem. Hij liep rapper door.

Op de Kapelleplaats en vóor het hooge Volkshuis was de ruischende

menigte zoo dicht op elkaar gedrongen, dat men er nauwelijks en met

alle moeite doorheen drummen kon. Op den gevel van het Volkshuis was,

in een elektrisch-verlicht opschrift van vlammende ontzaglijke letters,

de opsomming te lezen van al de rechten, welke door het volk werden

geëischt. De kleurige klaarte stortte als de glansen van een fellen

band op de roerende golving van de donkere menschenmassa; ze glom

op de ruiten van de huizen aan den overkant en verfde, met roze en

licht-gele straling, de ogivale vensters van de Kapellekerk.

In de groote zaal van het Volkshuis, waar 't zoo druk was dat

men noch binnen noch buiten meer kon, zag Simon Peter op den

hoogen katheder de slanke gestalte van pastoor Pezza in zwarten

rok oprijzen. Pastoor Pezza had een innemend gelaat en zijne oogen

schitterden ongemeen. Breed en medesleepend waren de wijde gebaren van

zijne lange duistere armen, waar zijne witte handen zeer voornamelijk

uitblonken en sierlijke bewegingen teekenden in de ruimte. Zijne

stem was vol, klankrijk en buigzaam. Hij deed ze zingen over de

luisterende oogen van dat roezemoezend gepeupel en ze brachten,

tegelijk met vuur en zoetigheid, de mare van de ganschelijke vrijheid,

die in aantocht was. Hij sprak lang en scheen niet moe te kunnen

worden. Wild gejuich en dof gestamp van voeten begroetten iederen

raken zet van de redevoering.

Hij sprak over de liefderijke leer van Kristus, hij sprak over de

oorspronkelijke gelijkheid, hij sprak over opstand en zegepraal. 't

Gejubel van het opgejaagd volk rolde door de zaal, en ronkte verder

op de straat en over de Kapelleplaats als een ver onweder uit.

Toen pastoor Pezza den katheder verliet, was de geestdrift een

wilde koorts geworden. Pastoor Pezza werd over de hoofden getild en

buitenshuis onder algemeen gekrijt weggedragen. Men riep:

--Ons Recht! Ons Recht!

Het stemgedruisch daverde in den avond en lengde zich als een vreeslijk

geloei uit. Men dacht eraan, met alle geweld en in dichte drommen,

het paleis van den Koning te bestormen. Het lawaai werd onstuimig.

--Ons Recht! Ons Recht! Ons Recht!

Toen werd, boven dat wringend lijvengedrang, een groote roode vlag

uitgestoken. De sterke klaarte, die van den gevel van het Volkshuis

nederpletste, vlekte er gelijk een vloeiend bloed. Een hoog gejuich

barstte almeteen los en donderde alle zijstraten omme. Duizenden armen

waren opgeheven en duizenden voorhoofden blikten onder het elektrisch

licht opwaarts naar de spokige vlag. En 't schokte alweer zonder ruste:

--Ons Recht! Ons Recht!

Allen wilden nu oprukken, allen duwden en stuwden vooruit, en langzaam

kroop dat geweldige duizendvoudige monster naar voren. Politiebrigaden

werden uit den weg gedreven en het was duidelijk dat het volk voor

geen hinderpaal wijken zou.

Op de vierkante plaats van den Grooten Zavel wachtten, met geladen

geweer, een honderdtal soldaten. De kapitein riep dat men de roode

vlag intrekken zou. Het razende monster donderde:

--Ons Recht!

Tot driemaal riep de kapitein dat de vlag weg moest en de stoet

ontbonden, of dat hij schieten zou. Niemand hoorde daar iets van. Het

monster riep tegen, in eenvormig geronk en voortkruipend met zware

lenden, riep immer maar:

--Ons Recht!

En de vlag, de duister-roode, klapperde in den avond. Twintig

soldaten schoten. 't Was een enkele, korte knal. Het monster zweeg. De

kapitein riep:

--Haalt de vlag neer!

De voorste mannen aarzelden; ze bleven staan, ze begrepen wel dat er

na deze laatste vermaning iets vreeslijks moest gebeuren. Ze weken

halvelings, schoven naar links en rechts, maar daarachter wilde men

vooruit en het monster, na een poosje, wrong zich trage naar voren. Het

daverde ginds alweer:

--Ons Recht! Ons Recht!

De vlag bleef pal.

Toen barstte een tweede harde schot en tien mannen vielen. Nu

aarzelde voor goed het koppige monster, de wiegende stemdavering was

gebroken en men hoorde de gewonden klagen. Het monster week. Een paar

revolverschoten klonken nog, de vlag streek omlage.

Met de wijkende massa moest Simon Peter medewijken. Hij werd

allerzijds gestooten en zette het eindelijk, evenals al de andere,

op een loopje. Hij stond ten laatste, haast geheel alleen op het

Fontainassplein. Het sloeg half-éen op de Rijke-Klarenkerk. Alle

herbergen waren gesloten en de Anspachlaan was leeg.

Simon Peter voelde zijn hart haastig kloppen en een onverwachtsch geluk

maakte zijne slapen heet. Hij had het nu van dichterbij gezien, hij

had pastoor Pezza de revolutie hooren prediken, hij had hem zien staan

aan het hoofd van het volk en, onder het dreigend geweer der soldaten,

zien oprukken metterdaad. Nu wist hij zeker dat Pezza vertrouwbaar

was en dat hij hem ten onrechte had aangeklaagd.

Vlug stappend trok Simon Peter opwaarts. Hij deed even, langs de

Lakenstraat, een omweg, en kwam op het stille Begijnhof, waar, in een

wit effen huis, pastoor Pezza woonde. Hij was te wege den schelknop

te vatten en wilde weten hoe het oproer was afgeloopen, wanneer hij,

vlak vóor het huis, aan den overkant, een man op een drempelsteen zag

zitten. Hij herkende seffens Takker, keerde zich schielijk om en liep

Pezza's deur voorbij.

Het was Takker inderdaad. Hij zat zeer kalm op den drempelsteen. Hij

had pastoor Pezza tot hier gevolgd, had hem zien binnengaan,

had een tijd lang staan wachten, platgedrongen tegen een donkeren

huisgevel. Toen was zeer voorzichtig uit de Begijnhofkerk een kleine

man gekomen, had bij Pezza heimelijk aangeklopt en mocht dadelijk

ontvangen worden.

Takker wist volkomen dat deze kleine man mijnheer Dissel was.

VII.

MIJNHEER DU BESSY AAN DEN GANG.

Het atelier van Florjan Pacôme stond achteraan in een grooten tuin,

op de Defré-laan te Ukkel. Het was zeer praktisch aangelegd, groot,

luchtig en aardig gestoffeerd. Pacôme, die er van hield dat men

hem voor een fijn-zinnelijk artist zoude aanzien, had het op alle

plaatsen met een hoop lieve boudoir-dingetjes bezet--ivoren beeldjes,

doorzichtig porselein, zijden shawls en Indisch koper, 't blikkerde

en kleurde alom in gewilde wanorde en 't maakte eene stemming van

zoete vrouwelijkheid.

Lichte gordijnen hingen vóór de hooge ramen. Florjan Pacôme

schilderde vooral de wulpsche pikantigheid van bar-juffers en had

in dat bijzonder vak eenige beroemdheid verworven. Men kocht zijne

kunst om het gewaagde van het onderwerp. Hij was te verstandig om

dit niet op te merken en hij schikte zich zeer gewillig daarin. Zijn

doel was: rijk te worden. Het genre van zijne schilderijen, hetwelk

de koopbaarheid ervan vermeerderde, zou niet weinig medehelpen tot de

benadering van dit ideaal. Hij verkocht wat hij wilde. Hij stond vóor

het middenraam, leunend tegen het marmeren vensterblad. Zijn palet,

bestekt met de vele borstels, hing aan zijn linkerhand.

--Henriëtte, zegde hij, ge moet u absoluut wat beter houden. Ik geraak

nooit tot een eind met dat doek. Daar lig ik nu meer dan drie weken

over te zweeten en 't wil niet vooruit. Ge hebt de pose niet beet. Ge

maakt u moe en mij razend.

Hij sprak zonder drift. Hij bleef loom en lui aanleunen tegen

de houten raamlijst. Zijn aangezicht roerde noch kleurde, en de

woorden vielen rekewijs en traag alover zijne puntige kin, in de

stille ruimte. Henriëtte, een blond model, stond halfnaakt op een

lage tafel. Hare handen waren om haar nek saamgebracht, ze neeg even

haar hoofd en haar rechterheup bultte rozig onder een zijig floers

te voorschijn. Ze was niet leelijk, al lag over haar goud-blozend

gelaat eene uitdrukking van grove gemeenheid. Ze was groot.

Ze antwoordde niet op wat de lamme Pacôme gezegd had. Ze bewaarde

kommerloos hare vorige houding, onbeweeglijk en eenderlijk. Een kleine

adem van de lucht slierde zacht langs het lichte floers. Pacôme ging

voort met pezeweven:

--'t Kan mij niet verdommen hoe 't in zijn verf zal

zitten. Zottigheid. D'r moet een beeld uit geworden, en dat ligt aan

u. Ik kan uw beenen toch in mijn handen niet houden en, als gij u

niet soepel wilt dragen, heb ik er niks aan. 't Is nu al kwart over

vieren ..

Hij keek naar zijn zakuurwerk. Hij had een plat achttiendeeuwsch

zakuurwerk, zeer schoon met gouden roosjes besneden, en versierd,

op de cijferplaat, met oranje en zwarte sterrenbeelden rond een

rotsroode zon. Hij ging seffens vóor zijn doek staan en begon vlijtig

te borstelen. Na een tijdje sprak hij:

--Te zessen moet ik bij de Verlats op dîner zijn .... Apropos, hoe

zijn uwe zaken met het baronnetje?

--Halfbakken. De oude is weinig roekeloos.

--Hee! Hij is een aardige vent toch, een echt type van den kleinen

adel, en zijn neef is tamelijk rijk. Wat verlangt ge in Gods name

dan meer?

--Een beetje spoed, Flor.

--De belichting op uw schouder is geheel verkeerd geworden. Buig meer

naar voren, meid. Zoo.

Hij hernam onverschillig:

--Spoed, zegt ge? Ik herhaal het u, en denk daaraan: de neef en het

nichtje zitten in de boter.

--En ik op het takje onderwijl. Ik dank ervoor.

--Nu, ik kan 't bezwaarlijk helpen. Ge moet geduld hebben ook! Geduld,

dat is patiëntie, mijn kind, eene heerlijke deugd .... Foert! ik geef

het op.

Hij wierp het palet in zijn kleurbakje en liep naar de gulden

toilettafel, waar hij zijne handen waschte en zijn lang-kroezelend

haar recht in zijn vouwen schikte langs een platte middelstreep. Hij

bood Henriëtte een sigaretje en stak er zelf een aan. Even zetten

beiden zich vóor een groen-houten speelbankje en begonnen te kaarten.

Een gele lap van de schuinsche Septemberzon lag op het okergrauwe

Perzische tapijt, juist op een ornament van driehoekjes en

lotusbloemen. Rood en bruin-rood gloeide daar het verscheiden

ornament, en zijne heete kleuren waren hier een werkzaam middelpunt

in de dramatische toedracht van alle andere kleuren. De wanden

schemerden teer-groen uit, waarlangs zeer zacht het oude goud van

schilderijlijsten streelen kwam. Een zich uitrekkend plaasterbeeld

van de Victoria van Samothrace bleekte in doezeling van blauw-wit

en licht-mauve op, vlak tegen de zware gloeiing van een purperen

portière. Vooraan was het sombere speelbankje met de paarse fluweelen

deken. Het kastanjebruin vest van Florjan Pacôme donkerde vrij

gewichtig naast de teedere tinten-modulatie van Henriëtte's naakte

schouders en haar roos-doorzichtig peplum. Haar zwaar-blonde haar lag

zilverig in heur amberkleurigen hals, en hare bloote armen wiegden

in de poeierige klaarte, welke uit den roodgelen zonnelap van het

tapijt evenwijdig opmiezelde.

Pacôme stak en herstak tusschen zijn lange magere handen, die, als

vijfpootige spinnekobben, langzaam erover vingerden, de kaarten. Zijn

beenderig hoofd, geheel omkruld met droge lokken, hing boven het spel

gelijk een zonderlinge wolk.

--Hoor eens, Jetteken, zeide hij, daar mag geen sprake zijn van

du Bessy over boord te gooien. Dat in géen geval. Wij hebben den

kerel noodig.

--Gij hebt den kerel noodig, Flor.

--Wij. Wij zekerlijk, Henriëtte. Wat, duivel, is u vandaag

overvallen--er is geen rechten kant aan te vinden! Ge zijt onredelijk.

Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven · 第 8 / 35 段