--Gij kent mij niet, Simon. Ik heb dus tevergeefs al die boeken

geschreven en al deze rimpels gesneden in mijn voorhoofd? Het is

jammer, inderdaad. O kerel, wat een strijd van jaren en jaren werd er

gestreden in mij--God eenerzijds, en anderzijds de Duivel! Verbeeld

u mij als kind. Verbeeld u een kind zonder ouders, opgeleid door

een zwakke grootmoeder, die mij op vijftien-jarigen ouderdom alleen

op deze wereld achterliet. Geld? Ik had een handvol geld! Ik had een

handvol geld! Zij hebben 't mij afgetruggeld, natuurlijk. Heeft iemand,

een enkel iemand maar, ingezien de ontzaglijke kracht welke opgroeide

in mij, die gratie uit den Hooge? Het was waarlijk een wonderbare

gratie, die mijne woorden tot vlammen van liefde blaken deden. Mijne

schoonheid kunt ge niet jeugd heeten noch eenvoud noch onschuld. Mijne

schoonheid lag in het vuur van mijn vleesch, hetwelk, door een wonder

van heiligheid, tot gistenden geest gedijde. Begrijp dat goed. Ik

was niet grondelijk bewust van mijn macht. Evenmin kent de schelle

pioen den gloed van hare kleuren. Ik was de drager van iets. Voelt

ge, mijnheer, dat dit het geheim is van mijn rampzalig leven? Ik was

de drager. Het ware kinderachtig hierop dieper aan te dringen--het

ligt bloot en klaar dat mij eene zending is toevertrouwd. Ik zelf

kon dàt niet weten--maar gij, gij allen die ooren hebt en oogen, gij,

tot wie ik als een spektakel gezonden werd, uit angst en uit lafheid

hebt gij niet willen zien en niet willen luisteren. Hemel! het ontbrak

mij nochtans niet aan woorden noch aan daden! Ik was een jongeling,

mijnheer, zooals alleen een is, die gemerkt gaat met Gods vinger en

beladen met Zijn wil. Ik was groot, struisch, helder en moedig. Nadat

ik twee jaren, als leergast, bij een boekbinder had vertoefd, verliet

ik dezen farizeeër, die zich mestte met mijn zweet. Ik was kort daarna

echter verplicht bij hem terug te komen, want de bloedhond had heel

de stad opgejaagd tegen mij en alle werk bij een ander meester werd

mij geweigerd. De boekbinder betaalde mij een loon van twee en dertig

stuivers in de week. Hij heette Ignaas Vierendeels en was een klein

mannetje met een gladden kop, een grauwen bril, een paarlemoeren

snuifdoos en korte broeken met gespen. Al liet hij mij weinig vrijen

tijd over, ik slaagde er in één boek te lezen op de tien, die ik binden

moest. Ik las Fransche en Engelsche romans en enkele Nederlandsche

bundels, die mij, om hunne stijfheid en onnatuurlijke techniek, zeer

ongenietbaar leken. Ik las de boeken van den goddelijken Pascal en de

slijmerige prullaria van het onding Renan; ik las Thackeray en Dickens,

die te handig zijn om boven het peil van een soort commercieële kunst

te stijgen; en ik las Victor Hugo, dien kafmolen, en Emile Zola,

dat varkensjong. Gij weet wat ik thans over de letterkunde denk. Als

boekbindersgast heb ik oordeelen geveld, die ik na zoolange jaren

niet heb moeten wijzigen. Op een uchtend, een zondag na de vroegmis,

kocht ik een pen en een koker, en op omslagpapier probeerde ik

het, zelf wat te schrijven. Ik schreef een voortreffelijk artikel

over de armzalige balletkunst van den troglodiet Leconte de Lisle,

en later een kritisch essay naar aanleiding van de protestantische

uitboezemingen van een Hollandschen wijsneus. Beide studiën werden

in alle tijdschriften geweigerd. Hoe raar! toen juist besloot ik

mijn krachten uitsluitend aan de letteren te wijden. Mijn schriften

werden met lachbuien, misprijzen of onverschilligheid bejegend, en ik

begon een leven van onzeggelijke mizerie. Maar ik was gezonden als een

toonbeeld, om alle leed, alle schande te schorsen. Ik duldde honger,

koude, oneer, vernedering. Eene vrouw die ik liefhad, bedroog mij met

een letterkundigen blikslager, en ik werd rechterlijk vervolgd omdat ik

ze, tot haar straf, uit het venster gooide. De dagblad-eigenaars en de

hooge geestelijkheid vonden dat ik te "brutaal" was. Ik heb éen voor

éen de sympathie van allen verloren, omdat ik te "brutaal" was. Men

liet mij, ter ontbinding, ploeteren in mijn schrikkelijke armoede; maar

ik bleef "brutaal." Ik bleef naïef de waarheid zeggen. De waarheid,

helaas! mijnheer! Ik zei de waarheid omtrent alles en aan iedereen, en

ik bekreunde mij nooit om de gevolgen. Dit is, zal u wel toeschijnen,

heel uw wezen blootstellen aan alle mogelijke vernietigingsalaam. Ik

verdomde 't. Ik stelde me vast voor, altijd onhandig, mateloos en

onvoorzichtig te zijn, en ik zou, allentwege te werk gaan met eene

eindelooze, gloeiende, vrije overdadigheid! Ik heb zeer veel geleden,

mijn waarde Simon....

Mijnheer Lazare teekende met zijn duim een halven cirkel in de ruimte,

langs een golvend gebaar dat zijn wensch beduidde, om al die jaren met

een schrap van zijn hand weg te vagen. Zijne wimpers zegen langzaam

als een vool, over zijn vurigen blik. Hij sprak, na een poosje:

--Door al die mottigheid van mijn leven en door de misten van mijn

zoekend gedacht, straalt, gelijk een dag-vol-zon, het gelaat en het

hart van mijne tweede vrouw. Wanneer ik denk aan haar, zijn vol licht

mijne duisterende oogen. God, om mij moed in te geven, heeft mij een

zicht willen toonen van de Hemelsche Gewesten, en hij schonk mij den

blik van mijne vrouw. Om echter het geweten van mijn zendelingsplichten

te scherpen en mijn ijver niet in luiheid van geluk te laten vertragen,

overlaadde Hij die tijdelijke klaarte met de schaduw van Zijne

onverbiddelijke hand. Zijne inzichten zijn zooals de schaduwen van

het Onbegrepen Woord en Zijne hand is gebenedijd. Mijne vrouw stierf

op een vrijdag, even na Laetare-tijd. Wij woonden toen te Dilbeek,

een dorp vol vooroordeelen in een struisch landschap van het kloekste

Brabant. Daar lag een tuintje met rozenperken en kleine wegelkens vóor

ons huis. Juist blonk er een lieve Junimorgen, bepereld met zilveren

dauw en omdaan met lichte floersen opalen licht. De venstergordijn

was klein en geel, gespikkeld met paarse ringen, en het hing sierlijk

gevouwen tegen de blikkerende vlakte van de dag-blanke ruit. Blij

klopte er de zon. Het was vroeg en frisch daarbuiten, maar in de kamer,

die lauw was en zwaar, haperde de trage nacht. Ik draaide het lamplicht

omlaag, en de zon viel levend binnen, blauw en gulden. Kort daarop

stierf mijne vrouw. Het laatste vaarwel dat, zwijgend en wonderlijk,

uit hare oogen mijwaarts blonk, was reeds beschenen met een voorglans

van Gods heimelijke glorie. Toen voelde ik me plots zoo alleen en

eendelijk zijn. Toen keek ik naar het kind. Toen weende en bad ik. Het

kind lag roze en rustig op hare borst, zijn handjes uiteen en omhoog,

gelijk twee kleine wanhopen naar den hemel gericht ....

--Ge beziet me ernstig, mijnheer, hernam Lieven Lazare, wellicht

toetst ge aan een teeken van mijne woorden den Goddelijken oorsprong

van mijne rampen? O! gij kent mij niet geheel, want in u schuilt een

deel van den Vijand, dien ik met scheldende waarheid bevecht. Allen

die mij liefhebben, zullen mij kennen, en zij zullen de uitverkoren

vrienden zijn van God. Maar ik wil probeeren mijn doen begrijpelijk

te maken bij u .... Ik bleef dus, na den dood van mijne vrouw, alleen

met het kind. Het was een lief en minzaam kind, en het werd weldra

de schat en het eenig stoffelijk genot van mijn leven. Verbeeld u

nu wat ik al voor mijn dochtertje te dragen had. Stel u voor dat

ik haar, spijts de ongelooflijke tegenkantingen van eene bedorven

kerk en de principiëele hardvochtigheid der zoogenaamde vrijdenkers,

tot een meisje van kristelijke, zegge menschelijke waarde wist op

te leiden! Onuitsprekelijk mirakel! Waar thans Lesbos en Sodoma met

openbare hondschheid worden bezongen en het Gulden Kalf majestatisch,

op een zonderlinge berrie van platte harten, gedragen wordt door

al de Joodsche mestbuiken en bloedzuigers--waar het dogma der Logen

omkleed is, als met een arlekijnspak, met Gods Woord, daar heb ik,

mijnheer, doen rijzen de zuivere klaarte van zulk vrouwenfiguur

.... Veronika! Veronika, mijnheer, ja. Maar ziet ge ten minste, in de

donkerheid van uwe verbeelding, iets dat lijkt op de afgrijselijke

hinderpalen, welke mij hebben in den weg gestaan? Ziet ge iets van

die vuiligheid en iets van mijn moed?

Mijnheer Lazare stond recht. Zijn breede gestalte steeg somber

tegen den witten kalkmuur en zijn gelaat blonk uit met kracht. Van

op de lagere huisverdieping klonk, boven het gewone straatlawaai,

een langzame mannenstem. Ze was niet fraai, noch helder. Ze droeg, als

uit eene holte, de eentonigheid van een traag lied en ze deed waarlijk

vreemd, gelijk een die zal gaan huilen in een najaarswind. Mijnheer

Lazare bracht stil zijn linkerhand over zijn voorhoofd, terwijl de

andere, zeer bleek, op den bruinen rug van zijn stoel rustte. Hij

zeide:

--Laat toe dat ik niet met versche woorden de herinnering aan mijn

laatst ongeluk verlevendige. Veronika is me ontstolen en zij is nu

zooals hare moeder: zij heeft me een uiterst vaarwel toegestuurd. God

heeft niet gewild dat ook dit vaarwel belicht werd met het goud van

Zijne gratie: Hij heeft geboden dat het uit de modder van menschen

tot mij komen zou. Zijn gebod is allergenadigst, en ik ben Zijne

zorgen onwaardig. Spreek mij nu nooit meer van die akelige dingen,

Simon. Ik heb niets te vergeven en niemand te vonnissen. Ik ben het

werktuig van God, en mijne dochter is dood.

Op dit oogenblik boog Simon Peter voorover, als eene voorbereiding

om hierop antwoord te geven. Zijn baard veranderde ineens van kleur,

wijl een straal van de Julizon juist zijn donkere glansen taakte. Maar

mijnheer Lazare weerde met een beslist gebaar van zijne beide handen

den stillen aanval af.

--Neen, Simon, sprak hij een beetje korzelig, dring niet aan. Het ware

spijtig, wanneer ik iets bij dit alles moest toevoegen, en den toon

overschrijden misschien, die past bij onze aangename vriendschap. Wat

ik u verteld heb, moet voldoende zijn om u te laten raden wat ik

liefst verzwijgen wil. Ik houd mij, voor de rest, aan deze verklaring

die onherroepelijk is: mijne dochter is dood in lijve en ziele--en

ik ben slechts een onbeschaafd werktuig van den aandachtigen God,

die werkzaam is door alle eeuwen der eeuwen.

Daar de holle stem op de lagere verdieping nu met versche klankbuien

opschoot, begon hij te lachen, kwam op Simon af en vatte hem bij de

schouders. Een traan blikkerde op zijne wimpers.

--Jongen, lachte hij luchtig, het weer zal veranderen. Als die

kleermakerszoon aan het zingen gaat, is het zeker dat het regenen

zal. Morgen valt er water.

Inderdaad, op de tweede verdieping woonde de kleermaker. Zijn oudste

zoon, die onnoozel was, had een vreemd en instinktmatig gevoel der

weersverwisselingen. Dan zong hij wilde, langzame wijzen, zooals, naar

men verhaalt, sommige fijngesnaarde en zinrijke dieren doen, welke

leven in verre gewesten, onder den vrijen hemel en het woeste gewas.

VI.

HET ONTSTAAN EN DE ONTWIKKELING DER VOLKSPARTIJ.

Te dien tijde was Brussel het brandpunt van eene geweldige ekonomische

beweging. Daar gistte eene kiemende revolutie, ontstaan uit de

eigenaardige verwikkelingen van den politieken toestand, en het is,

voor het verder verloop van deze geschiedenis, noodzakelijk dat

uitvoeriger hierop gewezen wordt.

Twintig lange jaren had de katholieke partij, dank zij eene

merkwaardige inrichtingstucht, met de steenen kracht van eene

overwegende en gehoorzame meerderheid het bewind kunnen behouden. De

liberalen, die vroeger hadden geregeerd, stonden nu machteloos met

een al te geestelijk, al te onpraktisch programma tegenover deze

klerikale behoudheidskracht. Het werd hun weldra geheel onmogelijk,

in eenige mate zelfs, op de zware, roerlooze massa der katholieke

overmacht te reageeren, en zij zochten een steun in de opkomst van de

sociaal-demokratische partij. Deze sociaal-demokratische partij, geleid

door mannen van onbetwistbaar talent en niet-geringe wetenschappelijke

waarde, had zich rasser in het stugge Walenland kunnen ontwikkelen

dan in Vlaanderen, waar eene blinde vroomheid en een eeuwenzwaar

godsdienstige beijvering de bevolking onder hare macht hield. Hare

richtinge scheen echter zoo voortreffelijk en haar ideaal zoo nieuw,

zoo breed, dat zij zich in alle standen al de ontevredenen, al de

verlaagden en vernederden, de gebrekkigen en de onwetenden dadelijk

aansloot. De sociaal-demokratische instelling berustte weldra op de

werking van den Werkmansbond eenerzijds,--machtige vereeniging van

Waalsche proletariërs, waarbij zich seffens de groote arbeiderskringen

der Vlaamsche dokken en weversfabrieken kwamen voegen--en anderzijds

op de meer verstandelijke, meer zich-zelf-bewuste medewerking der

Joden. Nu ijverde ze hardnekkig om over het Vlaamsche land het geweten

der verdrukte agrariërs in opstand te brengen.

De zonderlinge politische gebeurtenissen, welke ineens aanleiding

gaven tot de revolutionaire gisting, ontstonden, zeer onlangs, uit den

volgenden toestand: eene splitsing had eindelijk de massale eenheid

der klerikale regeering verbroken, en op deze heerlijk-harmonieuze

politische bewerktuiging kwam, uitbuitend en ontbindend, de "Unie der

vooruitstrevende katholieken" aanwassen. De gevolgen hiervan waren

onverwacht. Het liberale doktrinarisme, welke in dit feit niet ten

onrechte de onmiddellijke zegepraal van de geweldige sociaal-demokratie

raadde, verzaakte onverwijld zijn toevallig verbond met de proletariërs

en sloot zich aan bij de behoudheidsgezinde katholieken, terwijl nu de

overige min-opportunistische liberalen geen reden meer hadden om zich

niet dadelijk en algeheel bij de sociaal-demokratie in te lijven. De

ministeriëele klerikalen en de doktrinaire liberalen vormden nu wat

men het centrum placht te noemen. Dit centrum, hetwelk, om de vredige

volksomwenteling te keer te gaan, de meest achterlijke politische

beweging inzette, verhaastte de revolutie.

De oude hoofdman der katholieken en de ziel van het centrum was de

staatsminister Dissel. Mijnheer Dissel moest meer dan zeventig jaar

oud zijn, maar hij zag er uit als een klein levendig en vlug mannetje

van ver onder de zestig. Rond en kaal en gladgeschoren was zijn hoofd,

waar, gelijk twee stalen schichtjes, roerden zijn grijze oogen. Zijn

uitzicht was dat van een goedig en aandachtig mensch. Hij kon, zoo

bijzonder innemend, zijn onrustig kopje almeteen laten neerbuigen,

even schuins, zoodat het daar zoetjes en vlijtig te peinzen hing

op zijn enge borst. Hij was de bewerker geweest der wonderlijke

katholieke tucht, en hem was het te danken dat de behoudheidspartij

tot hare groote macht kon geraken. Gedurende twintig jaren had zij de

verschillende ministeries gevormd tot een verduldig alaam van zijn

scherpen partijgeest. Hij zelf had nooit een portefeuille willen

aannemen, maar hij was de eenige leader en het geheele ministerie

zelf. Zonder hem werd niets aangedurfd en zijn wenk, in alles, gold

als eene onverweerbare wet. Men kon hem een groot man noemen. Zijne

inzichten echter bevorderden een breed-menschelijk en hoog-philozofisch

ideaal, evenwijdig met de onmiddellijke voordeelen van een egoïstischen

en partijdigen welstand. Hij was een godsdienstige fanatieker, geheel

verbonden met de Roomsche kerk. Hij onderhandelde rechtstreeks met

het Vatikaan, en de benoeming van Belgische bisschoppen en prelaten

geschiedde naar zijn advies. Zijn beheer, dat daardoor zoo goed

als uitsluitend 's lands eenig beheer uitmaakte, berustte op de

ongemeene handigheid van zijne vele en verscheiden intrigen. Niemand

had vertrouwen in de middelen, welke hij tot de benadering van zijn

doel aanwendde, maar iedereen meende toch dat zijn doel bereikt zou

worden. Hij werd gevreesd door allen. Al had hij geen vrienden, talrijk

waren zij die zich zijn vrienden noemden, omdat het wel te gissen was

dat alle kansen aan zijn kant waren. Men wist niet recht goed hoe hij

zulke ontzaglijke macht verworven had. Hij had ze verworven. Hij was

waarlijk een machtig man, oppermachtig over alle anderen. Het volk

trosselde bedelend om hem heen.

Mijnheer Dissel kon de liberale partij niet als een ernstigen

hinderpaal aanzien. De sociaal-demokratie gaf hem meer zorgen. Hij

voelde dat zulke inrichting de stevigheid van de zijne in gevaar

kon brengen en dat hij al zijn knapheid zou noodig hebben om den

aanval te keer te gaan. De leidsman der proletarische beweging

was een Jood, genaamd Otten. Mijnheer Dissel meende te merken dat

mijnheer Otten uitzonderlijke hoedanigheden bezat en alleszins een

vijand was, waarmede men zou af te rekenen hebben. Nadat hij later

de overtuiging had opgedaan dat mijnheer Otten geholpen werd door

onbekende medewerkers, die bleken bedeeld te zijn met niet minder

politisch vernuft dan mijnheer Otten zelf, besloot hij van dan af de

sociaal-demokratische taktiek te storen.

Wat ook zijn plan was en hoe handig hij het had opgevat, het kwam

te laat: de heerschzucht van den oud-minister Wolf van Dueren stond

hem daar onverwachts in den weg en leidde plotseling zijne aandacht

anderwaarts. Mijnheer Wolf van Dueren kon het mijnheer Dissel niet

vergeven dat hij hem als minister had doen afdanken, en bereidde

achterbaks de opkomst van de "vooruitstrevende katholieken." Aldus

kwam de splitsing, en mijnheer Dissel was verplicht zich het

hoofd van het liberale doktrinarisme, mijnheer d'Ardoye, tot een

bondgenoot te maken. Het centrum ontstond van zelf, en het docht

iedereen dat hierdoor de opgang der sociaal-demokratie, voor een

tijdje ten minste, zou geknakt wezen. De uitslag echter was dat

de proletariërs, verontwaardigd door de onzedelijke toenadering van

Dissel, den fanatieker, tot d'Ardoye, den vrijmetselaar, als onder een

zweepslag opsprongen. Vrij geweldige meetingen werden overal gegeven

en groote optochten ingericht. Door overmoed aangespoord of door angst

gedreven, beantwoordde het centrum de rumoerige werkersbeweging met

de stemming van brutale partijwetten en de stelselmatige verdaging

van alle demokratische hervormingen. Zulke handelwijze, die het

volk verkrachtte zonder het te temmen, zou tot noodlottige gevolgen

leiden: na anderhalf jaar aanval en verweer was het blijkbaar dat de

revolutie aanwoei.

Het ultimatum van mijnheer Otten was overal nu, op duizenden plakkaten,

te lezen: algemeen stemrecht--belasting op het kapitaal--iedereen

soldaat--verplichtend onderwijs--taalgelijkheid. Maar de macht

van mijnheer Dissel steunde op het bedorven functionarisme en het

verslaafde leger, en het ultimatum van mijnheer Otten bleef voorloopig

een wensch, van welken men niet kon zeggen dat hij ooit eens zou

worden in aanmerking genomen. Onder dergelijke omstandigheden woei

de revolutie aan.

De arbeidersbond besloot in Mei 19.. tot eene algemeene

werkstaking. Die poging mislukte geheel en een tiental opstokers werden

met gevang gestraft. In September van hetzelfde jaar brak een oproer

los in de kolenmijnen van Mariemont. Veertien man werden gedood in een

hevigen strijd met de gendarmen, en de hulp van het leger moest worden

ingeroepen. Dit nog verliep zonder verdere politische gevolgen, en de

winter ging in betrekkelijke stilte voorbij over het land. In de maand

Februari deed mijnheer Dissel met den steun van het eensgezind centrum

een verkiezingswet stemmen, die zonder omwegen de redelijkste rechten

van de lagere volksklassen aan kant stiet en de Joodsche burgers zoo

goed als buiten de natie plaatste. Deze ongenadige behandeling was,

in den grond, eene grove fout: ze zette de vergramde minderheid tot

daadzakelijke en wanhopige werking aan.

Geheime komiteiten kwamen tot stand. Het zou nu een strijd worden op

leven en dood. Overal broeide in duisternis de gretige omwenteling. De

nachten die kwamen over de steden en de dorpen, gloeiden van eene

ongemeene koorts, en de lucht hing zwaar van wordende gebeurtenissen en

naderend geweld. De revolutionaire vergaderingen werden met de meeste

zorg en de grootste voorzichtigheid belegd. Alleen hoofdmannen van

aanzienlijke groepen of dezer zeer omzichtig gekozen afgevaardigden

liet men er toe, en, terwijl het nagenoeg zeker was dat de regeering

iets van den gevaarlijken toestand vermoedde, vreesde men algeheel

niet dat zij het gevaar mocht kennen vóor het onweerbaar in aantocht

zou zijn.

Maar de scherpzinnige mijnheer Dissel was niet met zulke middelen te

verblinden. De wijze, waarop hij de revolutie in hare wording trachtte

te verijdelen en zich tegelijkertijd de "Unie der vooruitstrevende

katholieken" tot een werktuig maakte, sluit zich rechtstreeks aan

bij de ontwikkeling van dit verhaal.

Korten tijd na de splitsing van de klerikale partij, trad een jonge

"unionist" [4] naast mijnheer Wolf van Dueren op het voorplan. Het

was een katholieke priester en heette Pezza. Zijn ouders waren

Belg-geworden Italianen en hij zelf had zijne theologische studiën

voleind in het Klein-Seminarie van Roeselaere. Hij had zich heel

veel bezig gehouden met de Vlaamsche beweging en was een warm

voorstander van de taalgelijkheid. Hij werd als onderpastoor benoemd

te St. Gooriks-Waaigem, een klein dorpje nabij Deinze, en sleet er,

met zijne zuster Lucia, een armoedig leventje, dat hij verdeelde onder

de verschillende bezigheden van zijn herderlijk beroep en de studie

van de Nederlandsche letterkunde. De parochianen praatten over hem

als over een stillen jongen, die nooit uit zijn humeur geraakte,

zeer spraakgierig was en vrij menschenschuw leek. Door onbekende

invloeden geholpen slaagde hij erin de aandacht van het heerschend

ministerie op hem te vestigen, en hij verliet al meteen de kleine

pastorij van St. Gooriks-Waaigem om een post van boekbewaarder in de

Bibliotheek van Burgondië te Brussel waar te nemen. Kort daarna sloot

hij zich aan bij de scheuringsgroep Wolf van Dueren, welke juist

in verzet was gekomen. Hij hield zich weldra, met niets anders dan

met politiek bezig, nam zijn ontslag op de bibliotheek, was op alle

meetings aanwezig, sprak overal klinkende redevoeringen uit, liep

Vlaanderen als een kristelijke bode van nieuwe maren om en omme. De

boeren hoorden voor het eerst het woord vrijheid uitspreken door een

die er niet dadelijk op liet volgen: weg met de papen! Hij was zelf

een paap. Hij werd beroemd. Hij werd de lieveling van die trage kloeke

bevolking, welke zich nu ging vernederd voelen en onder zijne leiding

hare rechten en haar geweten veroveren. Hij werd door de Vlaamsche

landbouwers naar de Kamers gezonden en pleitte er, met een ongemeen

vuur, voor de stoffelijke en geestelijke bevrijding van het Vlaamsche

volk. Hij stelde zich aan als tegenvoeter van het anti-flamingantsch

doktrinarisme en inzonderheid van mijnheer d'Ardoye die, op zichzelf,

een tamelijk volledige verpersoonlijking was van zijn partij.

Toen eindelijk het oproer aan het zieden begon, werd pastoor Pezza

onmiddellijk, als een onmisbaar element, bij het revolutionaire

komiteit ingelijfd. Hij was er zeer werkzaam, toonde veel aanleg voor

het instellen van duistere samenzweringen en scheen geestdriftig met

de zaak ingenomen. Hij werd geheimschrijver benoemd, vergaderde met

Otten en zijn vrienden, nam beslissingen op eigen hand voor het beste

profijt van de proletarische beweging. Hij betrok in het komplot den

majestatischen oud-minister Wolf van Dueren, die anders geen zin had

in dergelijke avonturen en toch maar aannam, met de hoop dat de uitslag

van dit alles de simpele halsrechting van mijnheer Dissel mocht zijn.

In Mei 19.. [5] stonden de zaken goed: vermoedelijk zou het geweld

in den loop van den naasten winter uitbreken, misschien vóor of zeer

kort na de algemeene verkiezingen. Den 30sten Mei werd een buitengoed

van mijnheer d'Ardoye bijna geheel vernield en in lichterlaaie

vlam gezet. Den 4den Juni vond men op den drempel van het huis

van mijnheer Dissel een blikken kistje met een dampende wiek. Uit

een chemisch onderzoek bleek dat het kistje eene vervaarlijke bom

was en dat mijnheer Dissel aan een zeldzaam toeval zijn leven te

danken had. Den 7den Juni werden mijnheer Otten en mijnheer Wolf

van Dueren tijdens eene nachtelijke bijeenkomst met drie betaalde

oproerstokers aangehouden. De dokumenten, welke men bij hen ten huize

vond, bewezen op afdoende wijze dat zij tegen de grondwettelijke

nationale instellingen samenzwoeren. Zij werden veroordeeld en in een

cel gestoken. De unionisten verhieven pastoor Pezza tot hun hoofdman.

Men kan niet zeggen dat de veroordeeling van Wolf en Otten de algemeene

gisting in het land verhaastte. Zij vertraagde ze ook niet, en het

zomergetij ging om, en de ingetogen gramschap van het volk zwol

en spande, barstensgereed. Sommige komiteiten braken nochthans af

met het hoofdkomiteit, waar nu in alleenheerschappij pastoor Pezza

fungeerde. Hiertoe werden zij achterbaks aangezet door Simon Peter,

die in het Joodsche midden veel invloed en heel wat te zeggen had. De

reden welke hij opgaf, berustte op de, naar zijne meening dubbelzinnige

houding van Pezza dien hij een avonturier noemde en verklaarde niet

langer te willen vertrouwen.

Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven · 第 7 / 35 段