"Hij (Johan Doxa) kon een groot kunstenaar worden, maar wat moest

mij dat schelen, als ik alleen dát aan hem hebben zou? Hij was een

katholiek. Daarom had ik hem lief en daarom bewonderde ik hem als

eenen broeder. Had God hem op mijn weg geplaatst in de regeling van

Zijne allerzoetste voorzienigheid? Niets gebeurt buiten de wenken van

God en ik dankte Hem, omdat het Hem behaagd had mijne eenzaamheid

met eene onverwachte vriendschap te troosten. Ik bezat dus een

vriend. Het docht mij dat hij, alover de vele jaren van ketterij en

laster, rechtstreeks uit de kinderlijke middeleeuwen naar mij gekomen

was. Inderdaad, hij was een kind. Hij lachte stil als ik hem dat zei,

en zijne oogen herinnerden mij aan de zaligheid der cherubijnen. Hij

toonde, wanneer hij schilderde, het geduld van een gothieker. Hij

was arm, evenals ik, en ik gaf hem eten."

Te dien tijde bewoonde Lieven Lazare, in de Kathelijnewijk, een

zeer ongezonde kamer, welke hij zes maanden nadien "om wille der

monsterachtige schraapzuchtigheid van een éenoogigen huismeester"

verliet. Dit gebeurde in 1883. Lieven Lazare had, éen jaar daarvóor,

een zeer minzaam meisje ontmoet en was er nu mede getrouwd. De

schrikkelijke armoede, waaruit het schrijven van een paar boeken

en het opstellen van een tiental pamfletten hen niet vermocht te

redden, ontbond de groote liefde niet, die het vunzige kamertje van

de Kathelijnewijk ophelderde. Lieven Lazare beminde hartstochtelijk

zijne vrouw en vond dat ze met alle kristelijke gratiën te gelijk

versierd ging. Dit was ongeveer de waarheid, want geene vrouw heeft

ooit zoo ganschelijk en zoo belangloos haar echtgenoot aanbeden,

en geen man ter wereld was ooit maar half zoo grillig-desperaat, zoo

klagend-toornig, zoo ingewikkeld en moeielijk van humeur tegenover

haar. Ze stierf in het kraambed en liet Lazare een rood kindeken na,

dat hij Veronika noemde, naar den wensch van de lieve doode.

Veronika werd geboren te Dilbeek en Johan Doxa was haar peter bij de

doopvont. In "Ploerten" vind ik de volgende aardige bladzijde:

"Johan was stralend van eene vreemde vreugde, die zijn aangezicht met

eene onbegrijpelijke klaarte belichtte. Hij had twee putjes in zijne

kaken en zijne oogen waren niet zoo hel-grijs meer, maar beladen met

eene sombere en diepe gloeiing, welke mij meer dan eens ontstelde,

dien heugelijken dag. Het was duidelijk dat de Inzichten van den

Goddelijken Wil hem bezighielden, gelijk een wonderlijk alaam, voor

Gods lusten. Dit denkbeeld overstelpte mij, en ik drukte geestdriftig

Johan's hand. In de kerk echter steeg mijne aandoening tot barstens

toe, als een zonderling onweder, in al mijne leden op. De moeder

van Johan, die ik met vroomheid gedenk in mijne gebeden, hield het

kind boven de vont. De priester naderde met Gods Woord, en Johan

stond, zwijgend en innig, als Gods Woord zelve--.. O mijn kind! o

begunstigde, die onder zulke heerlijke omstandigheden den Eersten

Troost hebt ontvangen, wat zal ik doen voor u, wanneer het den Hemel

belieft mij in den roes van mijne zonden en de bitterheid van mijne

armoede te verlaten? .... Maar wat zal er geworden van u, indien uwe

doode moeder, ginder hooge, niet met de zoete wenken van haar hart

uwen onzekeren wandel begeleidt langs deze aarde van ellende!"

Veronika groeide op. Ze werd een lief meisje, zacht, gedienstig

en minzaam. De strenge zorgen van haar vader omsloten haar in de

regels van een fanatiek-katholieke opvoeding, waarnaar zij zich,

in den beginne geleidelijk, gehoorzaam wist te schikken. Ze was

inderdaad eene uitmuntende natuur, uitzonderlijk begaafd en, naarmate

ze opschoot en flink werd, steeg ze boven het overdreven en wilde

geweld van vaders opvattingen.

Ondertusschen was Johan Doxa ook getrouwd. Hij had zich overgegeven aan

eene middelmatige vrouw uit het volk, weduwe van een politieagent. Dit

gebeurde op zeer geheimzinnige wijze en was de oorzaak der eerste

ruzie, die tusschen hem en Lieven Lazare ontstond. Johan, die zich

geheel als eene kreatuur van Lazare beschouwde, had den moed niet

om aan zijn vriend de toestemming tot dat huwelijk te vragen en

durfde nog minder tot de simpele verklaring overgaan, dat hij, zelfs

zonder die toestemming, zinnens was "er een eind aan te maken." Een

eind aan wat? Dat wist hij niet, maar hij werd, jegens Lazare, zeer

verlegen omdat hij 't doen moest. Het huwelijk was, in zijn idee, iets

dat men doen moet, iets waartoe men gedwongen is. De vrouw van den

politieagent woonde in het huis, waar hij een zolderkamertje met een

duivenkot gehuurd had, nummer 82 op de Papenvest. Hijzelf gebruikte

het duivenkot niet. Hij had het aan den politieagent afgestaan, die

er, om zijn pleizier, dakzitters in kweekte. Johan hoorde gaarne,

terwijl hij over de fijn gestreken kleuren van een afgebeuld doek

gebogen zat, het zachte getroetel der duiven of hun ruischenden

vleugelslag, als ze, langs den witten kijker, hun vlucht namen over

het grauw-roode spel van pannen en schoorsteenen. Maar de politieagent

stierf schielijk, hetgeen Johan zeer betreurde, want hij ging reeds op

een vriendschappelijken voet met hem om [1]. Men bracht den armen man

op eene berrie naar huis. Zijne vrouw die niet leelijk was en Juliëtte

heette, werd wanhopig en viel over zijn roerloos lijk aan het weenen.

Nu merkte Lieven Lazare dat Johan Doxa er sinds eenigen tijd zeer

neerslachtig uitzag. Hij ondervroeg hem daaromtrent. Johan lachte

even, schuw en angstig, sprak niet, kuchte en speekte. Op een morgen

besloot Lazare zijn vriend eens forsig aan te pakken en kost wat kost

van hem te vernemen wat hem zoo zwaar op het hart lag. Hij verliet de

kamers, die hij voor een tijdje in de Broekstraat bewoonde, en begaf

zich naar de Papenvest. Hij kende het huis, al was hij er maar eens

binnengeloopen, sedert lang. Hij klom de steile trap op, struikelde

over een hoop kinderen, die er speelden, rook den viezen geur die

alom walmde. Hij kwam vóor het lage deurtje van de zolderkamer,

en klopte. Hij klopte eene tweede maal. Hij riep Johan door het

sleutelgat.

"Ik hoorde [2] nu duidelijk een roezemoezend bedgescharrel en Johan's

gedempte stem. Ga weg, loop weg, smeekte Johan dof, kruip in de

kast, kruip in het duivenkot .... o Heere! hoort ge dan niet, Lazare

staat vóor de deur! .... Ik stond versteend. De twijfel knelde mij

als een stalen gesp en ik voelde mij ineens precies door God zelf

verlaten. Johan was daarbinnen, overgegeven aan de gemeenste der

zonden, want niets, meer dan de onkuischheid, verlaagt den mensch

in het aangezicht van God. Ik hoorde het spottend gegichel van

eene vrouw. Ik schreeuwde: Doe open! Een vreeselijke klank droeg

mijn woord en ik herkende mijn eigen stem niet. Toen--dewijl hij

bang was, niet zonder reden--deed hij open, en ik zag hem, tegen

den muur gedrongen, zijn vuile buik als een mestzak daar hangend,

onder het scheefgetrokken hemd. Ik zag de roste haarpijlkens stekelig

rechtstaan op zijne bloote dikke beenen en tegelijk zijn ronden kop,

bleekglimmend van laffen angst. Op het bed lag zij. Zij was zeer

onverlegen, en hare naakte armen lengden zich op het hoofdkussen in

hare donkere haren, en hare keel was wit en lang, gelijk eene baan van

melk. De duiven, achter de berden, deden een zoet geruisch. Ik sprak

niet in den beginne. Ik wachtte naar de schrikkelijke vermaledijding,

die de Hemel mij zou ingeven. Ik hief mijne hand op en werd gewaar

dat ik ging losbarsten in tranen. God vernedert mij uitermate, dacht

ik. Zijn naam is gebenedijd."

Het bleek seffens dat Johan Doxa zich aan geen de minste misdaad had

vergrepen. Hij was wettig en kerkelijk getrouwd. Hij had dat zoo

stillekens gedaan, en zijne neerslachtigheid, die daarop volgde,

had geen andere oorzaak, dan dat hij 't over zijne tong niet kon

krijgen om het aan Lieven te bekennen.

Lieven bleef langen tijd zonder nog naar Johan te willen omzien. Zijn

boek krioelt van profetische vloeken naar het adres van den "verloren

vriend, welke zijn goddelijk instinkt heeft overgegeven aan al de

hoererijen van zijn zwakheid." Zijn dochtertje die vóor dien tijd met

mijnheer Doxa speelde gelijk met een verduldig kind, mocht zijn naam

niet meer uitspreken, en Lieven jammerde maar door, met een Elias'

passie, over de bitterheid van "den kelk met eindeloozen bodem,

kostbare tastelijkheid van Gods wil." Daar kwamen dagen van diepe

armoede, dagen vol met den last van leven, dagen zonder lust en

zonder troost. Er moest worden geld gebedeld om brood te koopen. De

beenhouwer gaf geen krediet meer en de wereld scheen, op den drempel

van het kamertje, dichtgemuurd. Lieven schold, in donderende brieven,

de menschen uit die hem eertijds hadden de hand gereikt en hem nu, moe

van geven tegen ondankbaarheid, een stuk van honderd frank weigeren

dierven. Aan een jongeren dichter, die hem ter inzage zijne verzen

zond, schreef hij:

"Ik ben zonder moed. Gij zegt dat ge mij zeer bewondert, en gij stuurt

mij een manuskript. Wanneer zullen zij een daad doen zij, die mij

een groot man noemen? Vergeef mij dat ik mijn brief ongefrankeerd aan

de post toevertrouw. Mijne laatste centen heb ik dezen morgen in de

klauwen van een kalen bakker gelaten. Ik heb er een droog pasteitje

met krenten voor gekregen, dat mij door mijn dochtertje Veronika werd

gevraagd. Zij vroeg het, mijnheer, met een bevend stemmetje, hetwelk

gij niet kent en mij buiten alle mate aandoet. Ik heb geen schaamte dat

ik u dat schrijven moet. Ik ben zonder moed. Ik roep het u en allen,

nog en nogmaals, zooals ik het al sinds twintig jaren doe. Maar het

behaagt God, mij in Zijne nabijheid te behouden, want niemand helpt

mij uit dezen staat van mizerie. Ja, mijnheer, God buigt zich, op

deze stonde, boven mijne schouders en ik voel zijn adem van liefde,

en ik ben, in waarheid, zeer verwijderd van u. Zijne besluiten zijn

allerbeminnelijkst. Wat moet ik hier bijvoegen? Ik ken u niet. Ik

wacht tot ge iets doet, dat u mij kenbaar maakt.

Op een kersmisdag ging hij met Veronika bij Johan Doxa. De ontmoeting

was eigenaardig. Lieven was koud en voornaam. Hij werd zeer liefelijk

ontvangen en mevrouw Doxa deed haar best om er minzaam uit te zien. Ze

scheen ganschelijk te hebben vergeten dat mijnheer Lazare's vroegere

behandeling wel zeer beleedigend was geweest en wilde zelfs nu niet

merken dat zijne houding vrij stijf en hoogmoedig leek. Mijnheer

Lazare inderdaad stelde zich dees bezoek voor als een verplichten

stap in de modder en hij spreidde om geheel zijn wezen en staatsie

een minachtend medelijden ten toon, dat duidelijk beteekenen wilde:

"Zie, nu kom ik hier, gedreven door God, als een zendeling, die

dankbaar het kruis draagt van vernedering en gehoorzaamheid." Hij

stond op den drempel. Zijn groot lichaam schaduwde breed en massaal

in het klare deurgat, en hij zei, kijkende naar Doxa:

--Welnu, Doxa?

De profetische klank zijner stem trof Doxa uitermate. Deze zat bij

het venster, naast eene wit-houten tafel en vóor een klein doek,

dat hij verduldig aan het beschilderen was. Zijn rond palet was

bestekeld met eene menigte puntige penseelen en op het tafelbord

hief een porseleinen koffiekan haren lekkeren buik in het zilveren

winterlicht. Zijn mond werd ineens droog en zijn keel raspig. Hij

glimlachte nuchter en dwaas-verwonderd, terwijl zijn kop boven de

koffiekan bollig uitstak. De kan was vet in haar witte verve.

Nadat mevrouw Doxa een flesch met cognac had opgehaald en seffens de

geurige grogjes deed dampen, sprak Lieven Lazare die zich nederzette

bij het vuur:

--Ik ben dus, Johan Doxa, bij u gekomen, met het inzicht van den

Eersten Persoon. Ik heb alles doodgewrongen wat in mijn lijf van

passie zich opwierp tegen deze vreemde toenadering. Wees er mij niet

dankbaar om. Ik ben het middel, terwijl het doel, dat van daarhooge

is aangewezen, mij onbekend blijft. Het moet u verwonderen dat God

zich verwaardigen wil te neigen over u? Het is de waarheid, noch

min noch meer. Het woord dat ik voer, is een stoffelijke gedaante

van Zijne barmhartigheid, want Hij zal zich uwer ontfermen. Wees

bedaard. Spreek niet. Roep niet. Wij zijn blind als de bedelaars

van de parabel. Het oog van God straalt, onzichtbaar, boven ons,

door alle tijden der Eeuwigheid.

Mijnheer Doxa blikte benauwd naar mijnheer Lazare. Even bibberden de

fijne penseeltjes langs het ronde palet. Tegen de blanke vensterklaarte

krulden zijne bleeke lokken en zijn hoofd was als dat van een

engelachtig kind, dat naar een vreeslijk sprookje luistert. Spreken

of roepen, daar was bij hem geen kwestie van; maar nu geloofde

hij het toch, terwijl Lieven hem tot bedaren aanzette. Moest hij

roepen? Holderdebolder klepperden dooreen in zijn bange hersens de

kleine verwarde gepeinzen, die hij, gelijk sprinkhanen, opjoeg.

--Johan Doxa, zei Lieven Lazare, ontdoe u van den ouden man. Ontdoe

u van de besmetting der zonde. Werp u, naakt en schreiend, in de

meren van berouw, die ik u toon, den Hemel zij dank! Ik merk dat

ge het beeld van Kristus op dit bonte doek wilt konterfeiten en dat

geen vrome aandoening uwe vleezige hand geleidt. O arbeid niet in de

duisternis; buig niet uw voorhoofd over de zwarte schimmen van uwe

menschenverbeelding; kijk op, en schud uw beladen lichaam. Ik zeg

het u: gij zijt zwaar van smerigheid.

Mevrouw Doxa was van meening dat hierop moest geantwoord worden. Ze

zette hare vuisten in hare heupen en ging te midden van de kamer

staan. Men moest zich zoo toch niet laten uitschelden. En dan nog

in uw eigen huis! Nee, dat was kras. Johan Doxa keek wanhopig naar

zijne vrouw, en beurtelings naar Lieven Lazare. Er viel een schoone

stilte, waarbinst de prettige koffiekan haar glimmenden buik stille

deed waggelen. Mevrouw Doxa plofte door deze fijne stilte, gelijk

een okernoot door een spinneweb. Ze kwetterde hare verontwaardiging

uit en hare lippen werden nat, karmijnrood en rap-roerend.

--Neen, mevrouw, wedervoer mijnheer Lazare afwerend, op dit terrein

zal ik u niet volgen. Wees niet toornig, bid ik u. Alleen de klank

mijner stem is mij eigen--de woorden, mevrouw, zijn van God.

Hij dronk eene helft van zijn walmend grogje, likte langzaam over

zijne dikke knevels en zette het glas, met een tikje, op het steenen

blad van de schouw. Veronika zat nevens hem op een lagen stoel. Ze

droeg een donker kleedje dat in rechte plooien openvouwde op hare

knieën, en een wit-pelsen manteltje dat ze had achterover geleid,

op den rug van den stoel. Ze scheen niet te hooren wat rond haar

gebeurde. Ze tuurde droomend naar de kachel die half-rood stond en

die ronkte bijwijlen, vol geheimen. Bij den aschbak lag een klein

oud hondje. Hij lag in een ronde mande, op een stuk gebloemd fluweel,

en zijn grijsmuiltje rustte over den rieten rand.

--Johan, sprak mijnheer Lazare, ik ben niet gekomen met, in mijne

handen, de warme herinnering van onze vroegere vriendschap. Ik ben

gekomen met de Goddelijke inspiratie. Ik ben arm. Ik draag in mij

de gratie der armoede. Ginder ligt het pak dat ik heb medegebracht,

en hier is Veronika.

Hij wees naar een bruin-papieren pak, dat hij achter de deur

neergeleid had.

--Ik heb dit pak medegebracht. Het is àl mijn goed, Johan. Het bevat

enkele handschriften en een beetje linnen. De rest is weg, verkocht,

gestolen--mijne kostbare boeken, mijne prenten en zeldzame houtsneden,

mijne kleederen, de geheele meubileering .... enfin .... ik ben beroofd

van de wereldsche bezittingen en alles is ijl rondom mij. Het is mij

ingegeven dat ik bij u komen zou. Zoo ben ik dan gekomen, niet omdat

gij zoudt deernis hebben met mij, maar omdat gij u zoudt bekeeren,

naar mijn voorbeeld en naar Gods wil.

Mijnheer Doxa was waarlijk gelukkig, toen, in den namiddag, de zaak

op een volle verzoening afliep. Mijnheer Lazare en zijne dochter

bleven elf dagen inwonen bij Doxa, die weldra aan het spelen was met

Veronika zooals voorheen. Hij vertelde haar wondere sprookjes, welke

hij vóor de vuist verzon, de lange winteravonden langs. Hij ging met

haar dagelijks de konijnen bezoeken die hij, in zijne slaapkamer, op

het duivenkot kweekte. Van duiven had hij geen verstand. 's Morgens

ging hij uit wandelen en Veronika vergezelde hem iedermaal. Zij

kuierden door het park, bleven bij de breede waterkommen verwijlen,

liepen tusschenbeide het muzeum eens binnen, waar 't lekker warm was

en soms zoo eenig-stil en gezellig. Hij droeg een kort winterjasje dat

op zijn ronden buik spande, en zijne smalle broekpijpen slodderden

op zijne grauwe rijgsnoeren thoop. Hij lachte altijd, werkte nooit,

had het schilderijdoek achter de kast gestoken en zijne borstels zoo

maar in een waterbak gedoopt.

Op een middag was hij met Veronika in de versche sneeuw gaan daggeren,

de breede Tervurenlaan op. De kille wind had in hun wangen gebeten en

ze kwamen rood en glinster-oogend thuis. Ze vonden mijnheer Lazare op

den drempel. Hij was aangekleed en droeg zijn bruin-papieren pak met

een rood-en-grijs touwtje aan de linkerhand. Doxa vernam dat zijne

vrouw zich "als een prij" gedragen had en dat Lazare, op staanden

voet en voor eeuwig, het huis verliet.

--Dit gebeurde op een sneeuwdag [3]. Ik nam Veronika bij de hand,

en het arme kind begon stil te weenen. Ik merkte ook dat Johan Doxa

in schijn zeer droevig was. Hij sprak niet, boog het hoofd. Het weer

was klaar. De schuinsche zon speelde hoog in de lucht. Ik had mijne

manuskripten en mijn linnen in een bruin pakpapier gewonden, en 'k

hoorde den zenuwachtigen stap van mevrouw Doxa om en weer de houten

kamer kloppen. Nadat ik mij tegenover Johan Doxa verklaard had en,

als onvoldoende verontschuldiging, zijne schuchtere bewering "dat

zijne vrouw waarschijnlijk zwanger ging en raar deed" ontvangen had

met een schouderophalen, nam ik dus Veronika bij de hand en trad de

trap af. Ik haastte mij niet. Ik wilde hem ten minste den tijd laten

tot bezinnen. Ik hoopte, in mijne goedheid, dat deze man, eindelijk

door God getaakt, mij zou achternasnellen, mij met een raak woord

of een smeekend gebaar tot den vrede zou terugbrengen .... Neen, hij

bleef daar hooge bij den drempel. Hij zweeg. Hij roerde niet. Buiten

was de winter bezig. Waar moest ik nu gaan, met dat povere kind,

o mijn God! Ik had geen geld, geen uitkomst. Die vent, dien ik mijn

vriend waande, had mij de deur uitgesmeten ...."

De avonturen die daarop volgden, waren àl droefheid en ellende. Het

was in dien hachelijken tijd pastoor Doening, die hem eindelijk

uit den nood redde. Lieven Lazare betrok een klein huisje te Evere,

dat mijnheer Doening voor hem gehuurd had en leefde er een langen

tijd. Daar was het dat hij zijne dochter tot vrouw zag opgroeien en hij

dien heerlijken roman schreef: "Een Keerpunt." Het leek alsof hij zich

aan geen pamfletten meer vergrammen zou. Die toestand veranderde echter

na de komst van Simon Peter, den Jood, tegen wien hij op theologisch

en ekonomisch gebied met beroerde geestdrift diskuteerde. Lange

stonden zaten ze te zaam in het priëelken van den tuin te praten

en te twisten, maar, hoe zonderling ook, de ijver van Lazare ging

nooit tot toorn over. Hij kon met Peter niet hatelijk doen en, na de

hevigste woorden, voelde hij toch zeer innig de deugdelijke warmte

van Peter's aanwezigheid en was hij telkens treurig, als Peter het

Eversche huisje verliet. Hij was minder ingenomen met Ernest Verlat,

die, na een tijdje, de wekelijksche wandeling naar Evere mededeed.

Ernest Verlat sprak niet veel met hem. Hij zat gewoonlijk in het

zonnig voorkamertje, waar er een breede Vlaamsche schouw was, geheel

met tinnen potten en aarden teelen bezet. Hij zat onder het violette

schouwkleed, sprak met Veronika die, bij het vensterlicht juist tegen

de getafelde venstergordijntjes, borduurde ....

Lieven Lazare had den gladden rand van zijn koffietas met zijn duim

geraakt, toen er op de deur van het zolderkamertje geklopt werd. Eer

hij zich omkeerde, had Simon Peter reeds de klink gedraaid en stond

hij, goedig-glimlachend, in de zwarte deurgaping.

--Nu, ouwe kerel!

Ze drukten malkander stevig de hand en Simon legde zijn strooien hoed

op de tafel neder.

Hij trok langzaam zijne handschoenen uit en streek met zijne struische

vingeren, die zeer wit waren en spierig, over den zwarten glans van

zijn baard. Mijnheer Lazare ging rechtover hem zitten, kruiste zijne

beenen, maakte 't zijn eigen seffens gezellig. Hij trommelde zacht

op den rug van een dik boek. Naderhand boog hij zich om een sigaar op

te nemen uit den lederen koker, dien Simon hem overreikte. Simon zei:

--Het is niet, omdat ik haastig ben, dat ik met de deur in huis wil

vallen, mijn vriend. Ik ben niet haastig om weg te zijn van hier,

maar ik haast mij u een boodschap te brengen, die ik van harte heb

aanvaard. Ik heb ze met gretigheid aanvaard, Lieven, en ge zult dit

wel willen bezien als een teeken van mijn genegenheid voor u .... en

de uwe ....

--Ik ben alleen, weet ge toch, gromde mijnheer Lazare.

Hij had de sigaar aangestoken en pafte breede wolken in de lucht. Ze

krulden vettig en traag, wuifden heerlijk open, schoven in de

zonnelagen, die dweers door de ruimte hingen. Wattige walmen bleven

haperen in zijne snor.

--We moeten vandaag kalm blijven en aandachtig, wedervoer Simon. Het

helpt niet als ge vijandig naar mijne woorden loert en mijne inzichten

verwaarloost. Men heeft u gekrenkt; maar uw gezag blijft ongeschonden,

vermits men alles vergoeden wil .... Neen, Lieven, val nu om Gods

wil niet uit tegen ons. Het is zoo ellendig en onnoodig.

--Waarom zegt ge "ons?"

--Laat me uitspreken. Ik zeg "ons" met reden. Ik begrijp u erbij

insgelijks. Wat wilt ge hier zitten als een gewond dier, u zelf

opknagend met uw haat tegen alle menschen? Kom, man. Werp af dat

misanthropisch Nessuskleed. Ge stikt immers daaronder .... en ge hebt

een dochter die u liefheeft! Ze vraagt naar u. Uwe plaats is ginder

aangeteekend. Uw zetel staat bij den haard. Doe nu een natuurlijke

daad. Hier gelden geen princiepen.

Mijnheer Lazare had geglimlacht. Hij luisterde verduldig, knipte

zenuwachtig met de punt van zijn pinknagel de asch van zijn sigaar,

deed zijn pantoffel wippelen op den top van zijn teen. Hij zweeg nog,

als reeds Simon ophield met spreken. 't Was of hij zich aan meer

verwachtte en positie had genomen om meer te hooren. Hij keek nu in

eens op, blikte vragend: "Uit?" en bracht toen zijne beide handen

overeen op zijne knie.

--Daar schuilt veel, mijnheer, zei hij in uwe weinige woorden. Het

blijkt dat ik thans verplicht ben uw geheugen wat op te frisschen. Ik

walg dat ik het doen moet. Over die zaak hebben wij 't nog nooit gehad,

omdat gij 't niet geraadzaam hebt gevonden voor uw vriend Verlat in

de bres te springen. Nu doet ge 't voor uw vriends vrouw. Dat is eene

andere stelling. Ze is echter even zot. Het zal u misschien verwonderen

dat ik de onzeggelijke lafheid mijner dochter heb aangenomen als een

bijzondere en uitgelezen gifte van God. Het heeft God behaagd mij

op die manier nog meer aan Hem te hechten. Hiermede heeft Hij mij

niet gekastijd, maar Hij heeft mij bewezen dat niets op de wereld

mij mag onoplettend maken of verkoelen in mijn liefde tot Hem. Het

is bijna een mirakel, mijnheer; want ik beminde mijn kind zooals de

menschen zeggen dat zij hunne kinderen totterdood beminnen. Ik wil

u dit Goddelijk verschijnsel van naderbij aantoonen.

Hij hief zijne sigaar op armslengte boven het tafelberd, zag de kleine

krulling van de uiterste dampwalmen al trillend opwiegelen. Hij liet ze

nadien stille neervallen op een wit schrijfblad, waar de doovende asch

uiteenstoof en vlekte. Hij bekeek dan mijnheer Peter in het aangezicht,

en zijne ronde neusvleugeltjes, welke zeer fijn waren en doorzichtig,

roerden een oogenblik. Hij zuchtte en sprak:

Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven · 第 6 / 35 段