gretigheid onthaald, want zijn taal was vloeiend en zingend, en hij
koesterde zoo eigenaardige gepeinzen. Hij had eene wondere manier om
de aandacht te boeien, en iedereen zweeg terwijl hij sprak. Hij sprak
met goesting en nogal veel, meestal over kunst en politiek. Hij was
niet buitengewoon diepzinnig en zaakrijk in zijne woorden. Hij was
een maker van stemmingen en hij tokkelde met zijne rake volzinnetjes
op het weeke gevoel van het gezelschap. In enkele huisgezinnen
stond te allen tijde zijn bord op de tafel. Hij maakte van die
gunst geen misbruik en deed liefst na het dîner zijn intrede. Het
docht hem dat de menschen, na het eten, een malscher terrein waren
voor de oefeningen van zijne bijzondere welsprekendheid. Bij de
Chanteraine's echter zag men hem zeer dikwijls middagmalen. Hij
had veel gehouden van mevrouw Chanteraine, omdat hij veel hield van
zwakke en lijdende zielen, en hij was een groot vriend van mijnheer
du Bessy en van Simon Peter, omdat hij zijn vrienden zocht onder
de praatziekste even graag als onder de diepzinnigste mannen. Om de
twee dagen deed hij zijn spelletje schaak met mijnheer du Bessy, en
hij schepte een pittig genoegen in de mythologische zinspelingen van
den ouden baronet en in zijne vrijzinnige opvattingetjes van liefde
en politiek. Ze waren het nooit over eenig onderwerp eens, maar geen
van beiden zou die liefelijke oneenigheid tot een ongemak drijven. In
dezen handel met mijnheer du Bessy vond pastoor Doening eene rustige
verpoozing na den geestelijken arbeid overdag. Hij vond er ook het
genot van het nuttelooze, wanneer het nuttelooze een vorm wordt van
den luxus. Juist dat ijdel en sierlijk gepraat streelde hem als een
zonderlinge luiheid, die zooals eene zacht-duizelige geur is of zooals
een teer-grijze half-tint. Hij leunde languit in den lagen zetel,
zag het helle licht vlekken en glanzen op du Bessy's hoofd en volgde
onwillekeurig de vorming van zijne pantheïstische beelden. Francine
zong bij het klavier. De gulden friezen boven den wand blonken gelijk
metallische linten. Een marmeren klok met onyx-zuilen roerde op den
schoorsteen zijn korten slinger rap.
Boven zijne liefde tot de menschen reikte zijne bewondering voor
mevrouw Verlat. Hij kon lange kijken naar heur en voelde dat zij groot
was in hare gebaren. Hij bewonderde de effenheid van haar gemoed,
waarlangs zij eene verdraagzame teederheid van gewaarwordingen
en gevoelsdaden uitweefde. Zoo spreidde zij over al haar doen en
denken, gelijk langzame voolen, de langmoedige trezoren van haar
hart. Pastoor Doening had ten opzichte van mevrouw Chanteraine eene
gemakkelijker genegenheid in zich opgewekt. Meer ingewikkeld was,
jegens Vere, zijne gevoelige houding. Sommige oogenblikken ervan
herinnerden hem aan eene vreemde ernstigheid, die Renildeken in den
laatsten tijd van haar witte leven vertoond had. Andere riepen hem
het hobbelige voorhoofd van Gezelle vóor den geest, in de dagen van
passie en verslagenheid. Hij dacht er dikwijls aan en hij was bang
dat, al indringende langs dien sentimenteelen weg, hij eens de klare
waarheid zou raken, die een ontgoocheling moest zijn.
Op een schoonen Junidag kwam mijnheer du Bessy bezoek brengen aan
pastoor Doening. De oude Doka nam seffens het schaakbord en zette de
thee, als naar gewoonte. Het was, sinds de begrafenis van mevrouw
Chanteraine, de tweede maal dat zij bijeenzaten. Ernest en Vere en
Francine waren weggevlucht in een stille villa aan zee om er, bij 't
gedruisch van het machtig water, van lieverlede te bedaren. Mijnheer
du Bessy was met de kinderen niet meegegaan en te Brussel gebleven,
deels omdat hij de zee niet verdragen kon, deels om den troost van
de woelige stad niet te missen. Na een maand schreef hij aan Doening
om de vroegere partijtjes maar weer aan te pakken; en nu zat hij bij
den haard, vóor het donkere speeltafeltje waar de witte en zwarte
pions opstaken als de boomtronken van een winterlandschap. De gele
gordijn was vóor de veranda weggeschoven en de sterke zon viel met
geweld binnen. Ze drong echter niet tot op den schoorsteen. Haar
verste tipje blekte tegen den koperen kandelaar, die met een hooge
witte kaars op den hoek van de schrijftafel stond.
Mijnheer du Bessy was weer de oude luchtige mijnheer du Bessy. Zijn
haar lag zwart en glimmend van 't blanketsel, in eene rechte streep
tot in zijn nek, van waar het, naar beide kanten schoon opgekamd,
tot ten halve over zijne ooren, in den vorm van een krulletje kwam
liggen. Zijne snor was hard en vol. Zijn rouwpak deed de blanke
scherpte van zijn hoog halsboordje uitschijnen. Hij had losse,
sierlijke gebaren.
--Mijn waarde vriend, zei hij met voorname stem-effekten en
eene deftigheid die, als 't ware, tot het gewicht behoorde van
zijne woorden, denk niet dat ik mij, voor de beoordeeling van de
hedendaagsche politiek, meer dan het noodig is, mijne eenigszins
aristokratische afstamming herinner, of dat ik mij zou laten
meesleepen in een gewarrel van kleine hatelijkheidjes; ik bekijk en
begrijp en bestatig. Het zicht der moderne stroomingen maakt op mij
een ongunstigen indruk, en ik weet niet welke lafheid mij belet te
verklaren dat ik de afschaffing der slavernij betreur. Let wel, ik
denk op dit oogenblik aan de serven, de onvrijen en de patriciërs,
zooals zij een voortreffelijke maatschappelijke combinatie vormden,
onder de eigenaardige leiding der olympische goden. De menschen van
dezen tijd missen inspiratie. Zij loopen op hol, langs de bedriegelijke
wegen van hunne redeneering. Zij kunnen niets opofferen en willen aan
alles een voedsel geven. De Spartanen dachten anders daarover. Maar
welke zijn dan toch ónze uitslagen? Het is nog niet zoolang geleden
dat het hartje der wereld de zegevierende opkomst van een tiers-état
bewonderde. Wij zijn nu getuigen van de kletterende inbreuk der
proletariërs, een vierden staat, zal ik maar zeggen. Morgen heeft
deze ook zijn zatte bekomste, en dan rijst een vijfde staat, de
geweldige massa van zieken en gebrekkigen, achterlingen, idioten,
dwergen en gedrochtelijken. En zoo, mijn goede pastoor Doening,
wordt al talrijker de staat der onvolledigen, de staat die aan het
gebeuren is, al talrijker en talrijker, naarmate de redeneering
hooger holt. Dat noemt gij vooruitgang. Maar zeg mij, bid ik u: wie
gaat in zulke omstandigheden vooruit? Tegenover éen die vooruitgaat,
zijn er duizend die achterblijven, en gaat hij, eenling, verder voort,
al tien duizend blijven achter. Verstaat ge dat? O! het schrikkelijk
zicht van den staat der achterblijvers, als die het ook eens al te
gelijk voelen dat ze honger hebben en d'r bovenop moeten!
Mijnheer du Bessy keek zonder aandacht op het schaakbord naar de
witte koningin en den zwaren koning en deed een zwakken zet. Hij
hernam dadelijk:
--Spreek mij niet anders en oolijker van ekonomische wetten,
die berusten op de koude ervaring der dingen. Ik zeg het u: uwe
volksemancipatie gaat bankroet! Gij meent dat ge de menschheid
vooruithelpt, en gij maakt achterlingen! Ik zeg en ik zeg het u,
mijn beste vriend: zelfs de wetenschappelijke vooruitgang kan niet
opwegen tegen het vreeslijke feit, dat zij al grooter en grooter
meerderheid achter laat in den dompel. En moet die meerderheid eens
regeeren? .... Ge glimlacht. Inderdaad, het is om mee te lachen. Ik
neem uw paard, mijnheer, en zet uw koning schaak!
--Dat is erger, zei pastoor Doening dubbend, terwijl zijne vingeren
over de satijnen knoopjes van zijn kleed kriebelden en hij stille
schartte, met zijn linkerhand, over zijne kin. Het spel stond
ineens slecht voor hem. Hij begon heel nauwkeurig over het spel na
te denken. De oude Doka slofte een oogenblik in de veranda. De zon
lag er roerloos.
--Nu, sprak mijnheer du Bessy al draaiend met zijne duimen, we mogen
het wel bekennen. Europa is rot, en ik verlang met ongeduld naar
de deugdelijke aftakeling die wij vanwege een geïnspireerd ras te
verwachten hebben. Dat komt wellicht nog vroeger dan ge meent. In
afwachting is het me leed dat een brave jongen, zooals Simon, zich de
zaak zoo nuchter aantrekt. Wat bedoelt hij daarmee? En wat gaat hij
zich wegsmijten in een revolutionaire beweging, waar hij zijn beste
vermogens verteert? Want het zal u niet ontsnapt zijn dat Simon Peter
zeer erg met de Joodsche onlusten ingenomen is en er uitziet alsof
hij in geheime kringen oproer stookt. Ik vrees dat hij nooit in de
gratie der goden herkomt, de dwaze, die zijn schoone jaren verlauwt in
zottigheid, terwijl de liefde en haar lusten optrekken, onvoldaan. Hij
lijkt wel op dien armen Lieven Lazare, welke oud geworden is te midden
van zijn steenen princiepen, en daar nu ligt gelijk een zuur hoopken
droog mos. Ha! ha! dat is de bekende straf van Anteroos, den wrokkigen
God der wedermin, die, zooals ge wel weet, gevierd wordt met allerlei
liefelijkheid in Thespiae, aan den voet van den Helicon.
De blauwe theekopjes stonden op een bleek schenkbord met den
ronden buik van den tinnen theepot. De zilveren suikerschaal
was van zeer zuiver Japanneesch fabrikaat, fijn bewerkt in de
teekening der versiersels en in de uitvoering van de verschillige
metaaltinten. Mijnheer du Bessy dronk een slokje en pastoor Doening,
nadat hij den leelijken zet behendig op het schaakbord beantwoord
had, sprak:
--Ik ken, geloof ik, dezen Lieven Lazare beter dan gij hem kent, du
Bessy. Het is een zeer goed man, maar hij is onstuimig en eenzijdig
in zijne liefde. Ik kan u van hem menige aardige historie vertellen,
waarvan niet de minst mooie betrekking hebben tot uwe lichtzinnige
ekonomische bespiegelingen en juist slaan op wat gij daar van steenen
princiepen zegt. Mijnheer Lazare is een katholiek uit éen stuk,
zooals gij een pantheïst zijt uit honderd versmeten brokkelingen. De
stugheid van den eenen is even onredelijk als de mozaïekgeest van den
anderen. Begrijp goed dat ik u niet tegenover malkander plaats. Mijne
vergelijking berust op eene wending van woorden, die mij aangenaam
is en welke gij me moet vergeven. Ik vrees niet dat gij eens tot den
grond van uw wezenlijken aard terugkeert, want gij zijt een kristen
en gelooft in den eenigen God. Ik ken den pleizierigen draai van uwe
gepeinzen. Zij zijn zooals de kermismolen en zij hebben een spel
van blikkertjes en zilveren franjen, en al de paardjes dragen een
flinke kleur. Daarom komen de kinderen errond staan, neem het mij
niet kwalijk. Maar ik wilde u over mijnheer Lazare spreken. Gelooft
gij niet met mij, dat het nu tijd wordt om den koppigen man met zijne
dochter te verzoenen?
Mijnheer du Bessy, al spelend met zijn lepeltje op den rand van het
theebord, was van meening dat dit, voor zijn part, gebeuren mocht.
--Ik had gewenscht, wedervoer pastoor Doening, dat gij mijn voorstel
gretiger aannemen zoudt, mijn beste du Bessy. Gij weet dat Lazare op
zijn kamertje in eigenzinnigheid zijn hart opvreet, en dat mevrouw
Verlat zeer lijdend is. Het ware een goede daad. Mijn vriend, ik heb
dezen ouden man in deze kamer op een avond zien binnenkomen en het
zal mij bijblijven zoolang ik leef. Het regende tamelijk. Hij droeg
een grijze overjas en de regen perelde erover. Zijn vilten hoed was
malsch en zwaar. Zoo kwam hij. De avond kleurde hard-blauw in de
veranda en ik herinner me goed, dat de kandelaar, die altijd daar op
den hoek van mijn schrijftafel staat, dien avond op uitstekende wijze
te glimmen stond. Ik heb Lazare zien huilen als een wild dier. Hij
stiet met zijne vuisten tegen zijn kalen kop, hijgde en jamerde,
en de druppels vielen gelijk rappe perels langs de plooien van zijn
grijze overjas. Daar buiten regende het inderdaad en ik kon de vlaag
hooren pletsen op het steenen voorpleintje van den tuin. Dat was de
dag, waarop zijne dochter hem verlaten had. Sindsdien is hij als een
gewonde leeuw. Hij woont in de Steenstraat op de derde verdieping van
een oud huis en schrijft er voort zijne oproerige boeken. Nader hem met
geen hulp. Hij haat al de menschen en gebruikt gruwelijke woorden om
het uit te roepen. Geef hem geen geld. Doe hem geen onrecht, want hij
wantrouwt u allen. Maar kunnen wij hem zijne dochter niet wedergeven?
De belangstelling van mijnheer du Bessy was algauw opgewekt en hij
trad het plan van pastoor Doening geestdriftig bij. Alles gebeurde bij
hem met onverwachte schokjes. Zijne eerste onverschilligheid was nu
eene ijverige belangstelling geworden. Er werd dus dadelijk besloten
dat mijnheer du Bessy, des anderen daags, bij Lieven Lazare zou gaan
aankloppen om hem tot de gewenschte toenadering aan te sporen.
Nog heel warm door zijn edelmoedig voornemen verliet mijnheer du
Bessy het huis van pastoor Doening en trok, vóór hij middagmalen
zou, de lage stad in. Hij zette zich, aan de terras van een groot
koffiehuis op de Anspachlaan, in een rieten zetel en bestelde een
glas port. Er was veel volk te been en de zon speelde schuins langs
de roerende massa's van menschen en rijtuigen.
--Het is, dacht mijnheer du Bessy, eene mooie zending. Ik ben verheugd
dat ik een zoo lieven dienst aan onze goede Vere bewijzen kan, en
het doet mij, jegens den ouden Lazare, ook deugd. Jammer dat de man
zoo brutaal-katholiek is.
Zoo dacht hij en dronk, met kleine slokjes, den rooden port. Hij lonkte
naar de dames die in hun versche zomertoilet voorbijliepen. Enkele
hadden een karmijn-rooden hoed met purperen bloemen. Andere droegen
witte kapelienen licht-beladen met gele en moeren druiven. Ze liepen,
zich even schorsend, op hunne hooge hakken voorbij.
--De mode, dacht mijnheer du Bessy, zal dees jaar naar eene zeer
zeldzame bordeaux-kleur overgaan. Ik kan daar een paar lijnen in mijn
dagboek over schrijven.
Wanneer zijn glas ten halve ledig was, vroeg hij een blad papier en een
bode. Hij nam zijn gouden potlood, dat aan zijn horlogeketting hing,
en stelde een lang telegram op, voor Simon Peter. Hij verzocht hem
om zonder uitstel eens bij mijnheer Lieven Lazare binnen te loopen
en den ouden man over eene algeheele verzoening te polsen. Ik berust
met gansch mijn hart op u, schreef hij, om, met de hulp der Goden,
dat zaakje in orde te brengen.
Toen dronk hij, tot op den bodem, zijn glas ledig en ging uitzien
naar het dîner.
Pastoor Doening, van zijn kant, at in de veranda een pastei met
ossenvleesch en een geurig duifje. Tot laat in den avond zat hij
te werken. De studeerkamer was rustig. Het witte hoofd van Gezelle
heerschte er stille en volmachtig, en pastoor Doening boog over de
blanke boeken zijn zilverig haar, waarlangs het gaslicht blikkerde.
Het was niet verre van middernacht, als hij zijn bril neerlegde
en opstond om slapen te gaan. Hij stak de hooge kaars aan en trad
langzaam de trap op. Hij zette den kandelaar op het marmeren blad
van de kleine toilettafel en bleef een tijd te midden van de kamer
staan. Zoo deed hij gemeenlijk. Hij herzag in zijn geest het werk en de
daden van den vervlogen dag, en dacht daarna aan de dierbare wezens,
die zijn leven vervulden met hunne beelden van liefde. Zijn smal bed
stond rond en gezellig onder de klare bedekking. Een zwarte vacht
lag ervoor. Een portret van vader Doening en moeder hing aan den
wand erboven. In een hoek van de kamer stond op een kleinen eiken
altaar een koperen Kristusbeeld. Pastoor Doening dacht aan Vere,
de dochter van Lieven Lazare, en hij dacht aan den dooden dichter,
en hij dacht aan Renildeken. Hij had dien avond een zeer klaar zicht
van Renildeken. Hij zag ze heel klein en nauw aan gindschen groenen
boord der Schelde staan, in de wijde groene meerschen. De Schelde was
als een zilveren lint met violette ondertinten. Het westen straalde
geel en oranje om den struischen kop van den Kluisberg en de hemel
was bebouwd met een wonderbaar kasteel van goud en opaal. In haar
spannend kleedje stond daar Renildeken. Haar plat-zijig haar lag
glanzend op haar porseleinen hoofdje. Ze keek vreemd en goedig ....
Dan ging pastoor Doening naar den eiken altaar, waar het koperen
beeld zijn vlammende armen reikte, en knielde op het lage bankje,
dat vooraan stond.
Het was een ongelijk bankje op vier lompe pikkels. De plank was glad
van ouderdom; want hoe lange was het al niet geleden, dat Emanuel
er zat, onder de glyciene van het priëelken, naast Renildeken, die
droomend haar licht handje op zijn knie lei, als een asem of een
geur ....?
V.
MIJNHEER LIEVEN LAZARE, PAMFLETSCHRIJVER, EN MIJNHEER JOHAN DOXA,
GOTHIEKER.
De Steenstraat komt uit op de Henegouwlaan en de Koolmarkt, in het
centrum van de lage stad. Ze is zeer smal en de kasseide hobbelt er,
zoodat de kleine trottoirs hier en daar met trappen zijn gebroken. Ze
is vuil en grijs overdag en erbarmlijk verlicht in den avond. De gevels
hangen voorover, alsof ze wat te vertellen hadden aan de huizen van
den overkant. Een arm volkje neringdoeners woont er--schoenlappers,
fruit- en groentevrouwen, strijksters en herbergiers.
Daar woonde ook mijnheer Lieven Lazare. Hij had twee kamers gehuurd
op de derde verdieping van een oud huis, juist onder het dak. Op de
tweede verdieping huisde een kleermaker met zijne twee zoons, waarvan
de eene geheel onnoozel was en de andere half-kreupel. Op de eerste
leefde eene gepensioneerde dame met drie zwarte hondjes. Zij kweekte
ook konijnen en verpestte de trap met een zuren dierenreuk. Beneden
was de huurmeester, een klein-winkelier, die achter zijne vierkante
ruiten een veelsoortig visschersgerief verkocht. De huurmeester
duldde geen huurders met kleine kinderen; maar hijzelf nestte in het
achterhuis met negen springlevende jongens, waarvan de oudste binnen
een half-jaar zijne eerste kommunie zou doen. Hij heette mijnheer
Josse. Te oordeelen naar de bijzondere lijvigheid van madame Josse,
was het duidelijk, dat hij zich niet aan het negende schreeuwerken
zinnens was te houden. Het leek een wonderlijk huis, als ge u wilt
herinneren, dat de gepensioneerde dame van 't eerste een kweekerij
voor konijnen hield, hetgeen door mijnheer Josse veroorloofd werd.
De kamers van Lieven Lazare waren zeer naakt, vooral de kleine
slaapkamer die langs een schuinsch dakvenster uitzicht gaf op de
ongezonde achterbuurt. Er stond een ijzeren bed, een tafel met een
schotel, een waterkan, een stuk zeep op een speelkaart, een kam en een
tandenborsteltje. Twee stoelen leunden tegen den muur, waar, in een
grove lijst, het beeld hing van den heiligen Franciscus van Assise. Het
tinnen wijwatervaatje was aan de lijst van de deur genageld.
De andere kamer was grooter, luchtiger en, evenals de slaapkamer, met
witte kalk bestreken. Hier werkte mijnheer Lazare. De tafel was vol
met dagbladen, boeken, kohieren en brieven. Hier zat hij gewoonlijk
in een lagen zetel, zijn breeden rug gebogen over het tafelberd,
zijn ellebogen breed uitgezet en zijn kaalronde hoofd naar voren,
wroetend in de vele papieren. Het was een groot man met bol gelaat,
een klein neusje en een dikke grijze snor daaronder. Hij had een
helderblauwen blik. Dien morgen snuffelde hij over de tafel, waar de
Junizon alles overhoop gooide met haar jeugdig licht. Na een tijdje
rechtte hij zenuwachtig zijn zwaar lijf, wierp zijne pen op den
vloer en begon zeer knorrig zijne harde knevels om te draaien. Hij
had mooie witte handen, niet groot, een beetje poezelig.
--Verrekt! riep hij uit, laat ze stikken in hun schande! Waar bemors
ik mijn geest mee, o God!
Hij stond op en ging naar het venster, dat breed was en verguld met
al het zonnegeweld. Hij kon van daar een randje zien van de straat
en de hoofden der menschen die er voorbijliepen. Een zware wagen
waggelde over de steenen. Het koffiekopje, dat op een stoel stond,
rinkelde. Hij keerde zich verwonderd om en zag het witte kopje op den
stoel staan. Een grove boterham lag er nevens. Hij glimlachte droef,
ging weer neerzitten en schoof den stoel bij zich. Hij at, maar de
koffie was koud en het brood bezwaard met harde korsten.
--Dieven, mompelde hij.
Toen werd er tweemaal op de deur geklopt.
Het leven van mijnheer Lieven Lazare was de voortdurige herhaling van
dezelfde hoop en dezelfde zorgen. Hij had altijd de armoede gevlucht
en was er nooit in gelukt. Daarom haatte hij de menschen. Hij
haatte de menschen om hunne betrekkingen tot wat hij noemde "het
gouden kalf." Met een hart dat naar rijkdom schreide, bezong hij
de kristelijke weelde der armoede. Hij had een zeer mooien roman
geschreven, waar hij de zoetheid van de armoede tot een deel van Gods
genade verhief. Zijn echt persoonlijk werk was een ruwe geesel-arbeid
en hij gaf bijtende pamfletten uit tegen al wie bezat en vergaarde. Hij
voerde, ten dienste hiervan, eene heerlijke taal. Zijn proza was hard,
klaar, ijzig, zeer voortreffelijk gedokumenteerd. Deze arme man was een
geleerde theoloog en een schelder. "Mijn leven is te kort om elkendeen
zijn stamp te geven," schreef hij, en dat meende hij werkelijk. Om
zulk een toestand ineens begrijpelijk te maken, moet ik wijzen op de
vele verbitteringen, die hij alreeds in zijne vroege jeugd te verduren
had. Hij was van aard eenigszins eerzuchtig. Hij bewonderde de pracht
die met geld is te bereiken, en de macht die steunt op het geld. Zijn
brandende liefde vond geen uitweg in de armoede, waar hij zijne hopen
verteerde. Hij wilde groot zijn en mild. Hij had de passie der aalmoes.
Hij werd bedrogen. Zijne makkers bedrogen hem en hij was te eerlijk om
het hen niet, als een zweepslag, in het aangezicht te slingeren. Hij
beminde, op twintigjarigen leeftijd, een vrouw die hem bedroog. Hij
wierp ze, uit eene hoogte van acht meters, door het venster op de
straat. Hij was te gevoelig om den minsten aanval niet dadelijk
te merken, en niet lenig genoeg om hem, als ongemerkt, te laten
voorbijgaan.
Met een dergelijk karakter moest hij seffens buiten de algemeene orde
gesmeten worden. Dat gebeurde. Nadat hij zich bij alle katholieke
dagbladen en tijdschriften als redakteur had aangeboden en bij
alle, door de schuld van zijn onbewimpelde handelingen, van de hand
werd gewezen, keerde hij zich met vreeselijke woede tegen allen
tegelijk. Het werd zoo erg dat de rijke priesters die hem weleens
toeschoten in nood, voorgoed hunne deur en hun beurs gesloten
hielden. Ook tegen die richtte hij zijne toornige schriften.
"Kijk nu, schreef hij ergens, naar dees dorre land, waar de stank nog
walmt van de vluchtende honden. Dat noemen zij de aarde van God! Hier
hebben zij Gods woord gepreekt! O, zal God in zijne lankmoedigheid,
tot koude asch het vuur laten vallen, dat Gods Zoon op zijn hart heeft
gedragen? Of wil hij, in zijne geheime gepeinzen, de toekomst vrijwaren
voor de kinderen der lasteraars? Ze stikken in de onwetendheid van
God. Gods woord sterft als het hun tongen raakt, en daar ligt nu,
als een modder, de doode Mare, die eens blakende liefde was. Dat heb
ik twintig jaar lang gekondigd, doch wat baat mijn krijtende ellende
in deze woestenij van ontbinding? Ik heb gedacht dat er nog eene
kerk was, dat er nog een priester was, dat er nog een getuigenis
was van God. IJdele hoop! Alle aardsche toevlucht is onmogelijk en
het lijkt alsof God rilt in mij, vol verachting, verlangend om ook
die laatste vesting te verlaten .... Mijn God, uw wil geschiede,
en uw voornemen is beminnelijk! Uw altaar wordt bezoedeld met al de
smerigheid der vleezige zatheid. Uw heilige naam raakt de gekankerde
tanden van ketterij en ontucht, en zie! de handen van de verlaagde
priesterschap veinzen in de pestlucht het goddelijk gebaar van Uwe
zegening! Zal het duren? En is het U zoet dat ik, van op het bloote
stroo der armoede, met mijn kleine woorden Uwen geweldigen toorn hun
in het aangezicht slinger?--O God! Uwe inzichten zijn verborgen en
Uwe blikken hebt Gij van ons afgewend! Wees mij genadig ...."
Er bleven hem eindelijk maar drie vrienden meer over: Pastoor Doening,
Simon Peter, de beeldhouwer, en de schilder Johan Doxa.
Deze Johan Doxa was een klein dik ventje met een ronden kroezelkop
en malsche putjes in zijne kaken. Men kon er al niet meer van zeggen
dan dat hij goedig was, niet zeer vernuftig, zwak en oprecht. Deze
gezamenlijke hoedanigheden maakten van hem een dompelaar, niet
bestand tegen de luttele aanvalletjes van het gewone leven, een
schamelen menschenschuwe en, op slot van rekening, dan toch nog een
gelukkigen jongen. Hij was het altijd geweest, van kindsbeen af. Al
was hij op school de zondenbok en er onvermijdelijk aangewezen om alle
muilperen, die zoo maar uit lol in de lucht omklonken, met een lachje
en een schokje langs een van zijne bolle waggelkaken op te vangen,
toch leefde hij uit puur genot, vet wordend en heerlijk-lui. Hij
was, op twintigjarigen leeftijd, een oude, trage Johan Doxa met
een dikken kinderkop, grijze cirkeloogen en blonde krullen in zijn
nek. Hij schilderde. Hij schilderde portretten op kleine doeken,
werkte maanden en maanden daaraan, likte en overlikte de gladde
olieverf en hield niet op voor dat alle detailleering haarfijn was
nagebootst en rot gepenseeld. Hij bekwam, op die manier, uitslagen die
niet zonder verdienste waren; maar hij bleef, dank zij deze langzame
bewerking, een zeer arm kunstenaar. Lieven Lazare was uitermate met
Doxa's schilderijen ingenomen en hij verklaarde, na enkele weken,
dat Johan Doxa zijn eenige en waardige vriend was. In zijn boek
"Ploerten" schreef hij hieromtrent: