Ze deed langzaam haar kamerjapon over haar lichaam glijden, liet het
neervallen aan hare voeten en, nadat ze het gele deken had weggeplooid,
steeg zij in bed. Ze dekte zich tot op haar gelaat en weende voort,
een langen tijd. Eindelijk bedaarde ze, scheen in te slapen en roerde
niet meer.
Ernest zat met gesloten oogen. Alles roezemoesde dooreen in zijn
kop. Het bonzen van dezen morgen en middag herkwam met versch gedreun,
en de pijn zinderde door zijne hersens. Hoe akelig scheidde de
dag! Hoe ellendig te moede bleef hij, na al de herrie en 't slameur,
over, daar zittend in een lagen zetel onder een bleek-groen licht,
terwijl alom gaande waren de stille nacht en de herinnering aan moeder!
Hij stond recht, naderde het bed, voelde de lauwte die opwalmde boven
de rond-bultige bedekking. Vere was met haar rug naar hem gekeerd. Hij
zag haar donker haar, op een dikke volte gestapeld, in een diepte van
het kussen zwaar-somberen. Hij hoorde haar adem leven. Hij verteederde
gansch, stak zijne handen uit naar heur, wilde hare bloote schouders
raken. Ze bewoog zich niet. Ze zei zeer zacht:
--Kom nu, Ernest ....
Droomde ze? Hij trok schielijk zijne handen terug, luisterde toe,
hoorde, gelijk te voren, haar kleinen adem leven. Toen schoof hij
langzaam en voorzichtig de sargie op zijde. Haar hals kwam diep-wit te
voorschijn; dan, onder het geborduurd hemdbandje, haar ronde schouders,
en lager haar weelderige arm. Hij werd week-zinnelijk. Hij boog zich
voorover tot de zwoele geur van haar warm lijf in zijn neus kwam
luwen. Hij had geen moed meer tot niets, tot niets in de wereld;
hij lispelde duizelig:
--Vere .... Vere ....
Ze draaide zich om, keek hem aan met natte oogen, keek goedig,
uitermate goedig, zooals altijd.
IV.
PASTOOR EMANUEL DOENING.
Pastoor Doening bezat, tot een graad van klare innigheid, de gave
van evenwicht. Hij had zich geen wet voorgesteld, maar hij leefde
ongedwongen volgens de eenige wet der natuur. Ik kan zeggen dat
er tusschen het wezen van pastoor Doening en den groei van eene
bloem alleen een verschil is van plan. Hij leefde naar het gebod van
zijn menschelijk instinkt--zijn genie bestond echter hierin, dat dit
instinkt van allen invloed was ontlast en als eene onfeilbare drijfveer
werkte. Hij leefde in de waarheid van zijn leven. Hij beredeneerde
noch zijn toestand in den tijd, noch de verhoudingen van de dingen
rond hem. Zijne teedere macht van intuïtie was de uitslag van een
inderdaad buitengemeen-helder gevoel. Weinige menschen bezitten
die helderheid van aandoening en kunnen zonder twijfelen handelen
naar zekere organische verordeningen, welke berusten op de geheime
roerselen van het humaan instinkt. Bij pastoor Doening was gewoonlijk
de rede een gevoel geworden. Zijne woorden waren, evenals zijne daden,
de onverlegen uitdrukkingen of uitslagen van dit zeldzaam gevoel.
Het is noodig dat hier het bestaan en de ontwikkeling van een dergelijk
gestel opgehelderd worde. Het is noodig en het is schoon de gronden aan
te toonen, waarop rustend en werkzaam was dees uitzonderlijk emotioneel
verschijnsel: een man getuige van zijne aldoor rhythmische gebaren en
toch, in geeste, niet de bewuste dader er van. Hij zelf zag de diepte
niet, waar borrelden, als ijsheldere fonteinen, zijne aandoeningen,
noch en raakte de wijdte tot waar reikten de trillende draden van
zijn gracelijk gevoel.
Hij werd geboren niet verre van Ronse, in dat heerlijke
Zuid-Oostvlaanderen, waar het vruchtbare land zich tooit met de
wispelturige sierlijkheid van heuvels en groene bergagen. Zijne ouders
waren eigenaars van uitgestrekte gronden, gelegen langs de levendige
Scheldevallei op bijna gelijken afstand van Ronse en Oudenaarde. De
groote hoeve, waar hij werd opgebracht, was eenig en groot in het
dal. Hare witte muren blonken als krijt in de groene verven van het
landschap en haar breed gebrokkeld schaliedak glansde warm en zwaar,
gelijk eene heete muts. De wolken aan den hemel voeren als reuzenadems
boven dat rustige huis ....
De oude boer Doening was een zwijger. Van 's morgens vroeg liep hij
op 't veld, tusschen het werkende volk, altijd op het onvermoeide
veld, dat zweette of dampte of walmde van korenaren, of ver uitruste,
uitgestrekt als eene doode, alles zoo naar den gang van het drijvende
seizoen. Hij was zeer stijf in zijne manieren en streng in zijne zeden,
en telkens als hij de groote kamer binnenstapte, waar moeder Doening
met Victorien en Emanuel speelde of anderszins bezig was, vielen,
gelijk een natte doek uit de zoldering, de stilte en de eerbied daar,
die alom den kouden boer vergezelden, 's Avonds zat hij denkend bij
den haard. Hij rookte nooit. Hij zat stijf op een stoel, de knieën
hoekig en recht naast elkander, de ellebogen tegen zijne zijden en de
breede, kneukelige handen even overeen op zijn mageren schoot. Soms
roerden zijne duimen. Maar stijf rechtop bleven zijn hooge hals, zijn
beenderig hoofd, en roerloos staarden zijne oogen, strakke beteekenis
van dit stugge peinzende boerenbeeld.
Emanuel's moeder was geheel een daartegenovergesteld wezen. Hoe deed
ze moeite, het lieve vrouwtje, om haar leutig gemoed en haar ruchtige
liefde, in Doening's bijzijn, te bedwingen! Ze had een klaar gezichtje,
omkranst met een zijig grijs haar, en verlicht met al de blijdschap
van hare gauwe blikken. Ze was niet groot. Ze placht te loopen rond
den huize, al dansend gelijk een jong veulen. Wanneer ze toornig
was--want aleens deden de meiden verkeerd in de keuken--neep ze,
plots rood-wordend, hare oogen dicht, bleef zoo een poosje, precies
te wege uit te barsten in schrikkelijke woede, en schoot uit in een
lach. Dat was het karakteristiek teeken van dat levendig menschje,
omdat ze, in alles, op die zelfde eigenaardige wijze, te handelen
scheen. Ze had een gulden hart.
Victorien was ouder dan Emanuel. Hij was een groote blonde jongen,
flink opgeschoten, met grove leden. Hij hield veel van het veldleven
en hielp mede aan het akkerwerk. Emanuel kon dat voorbeeld, spijts de
dringende wenken van vader Doening, niet volgen. Hij was teer-gebouwd,
keek droomend langs de groote huiskamer, waar moeder huppelde
met vlugge manieren. Hij droomde aan het venster. De verschillige
werking van het vierkante hof was gebeurende onder het gaande licht
van den verschilligen dag. De hennen pikkelden over den mesthoop. De
haan lengde zich uit boven zijne sporen en schudde zijne veêren eer
hij kraaien zou. De heerlijke mesthoop goud-glansde tegen de blauwe
kalkmuren. De stalknecht luibeende, allinks en alrechts zich bukkend
over klavergroen, of mooschend, met onlustige handen, in bruin-roode
beethoopen en witgele rapen. Hij was een oud man en heette Vinus;
tot zijn twaalfde jaar had Emanuel geen anderen vriend dan Vinus ....
Maar toen kwam op de hoeve Renildeken inwonen en de kleur der dagen
was verwisseld. Renildeken was acht jaren oud, en ze droeg een
spannend kleedje dat haar lijf nauw maakte als het kelkbuisje van
sommige leliën, en hare armen rilden gelijk de wiegeling van eenzame
halmen. Ze had heel kleine voetjes en een kopje van porselein. Na den
dood van haar vader, Doening's broeder, kwam ze nu op de vierkante
hoeve wonen en dadelijk was Emanuel zeer ingenomen met haar. Van
's morgens in den vroege waren ze saam. Ze liepen in den tuin, deden
allerlei zottigheid, speelden met Poelie den hond en met Djolle, de
geit. Daar was in den tuin een priëelken van glycienen. Vooraan gloeide
een begoniaperk en van weerskanten geurde een dubbele syringastruik. Op
een bankje zaten zij er nevenseen, beladen met de zoete donkerheid,
die onder het roerende loover wemelde. Het loover roerde, de wind
streek langs en over den tuin, er was een heerlijke golving in de
lucht. Emanuel en Renildeken zwegen. Hare hand rustte op zijn knie,
en ze keken naar het werkzaam gedoe van den wind en naar het spel van
de hemelklaarte. Soms hadden ze een kort praatje over de wolken. Ze
beeldden zich gaarne de verre ruimte in, waar varen de wolken als
schepen met volle zeilen. Ze raakten getweeën de duizelige aandoening
der eindeloosheid, terwijl de wijde wind boven het ruischend priëelken
zoefde en toog. Renilde schoof dichter bij Emanuel aan. Haar verwonderd
gezichtje blonk schoon uit boven haar nauw keurslijfje, want haar kleed
was gelijk een keurslijfje zoo nauw. Heel rond waren hare oogen. Hare
wimpers schaduwden eromme, en het was alsof een zacht poeier op hare
bleeke wangen lag. Zoo zag 't Emanuel, en hij voelde haar handje warm
en wegend op zijnen knie drukken.
Soms, na een leutigen rit door den tuin, waren heure haarvlechten
losgeschud. Dan vlocht hij het platte zijig haar weer tot strengen. Het
was hem een ongemeene weldaad, dat hij zijn voorzichtige vingeren
over haar broze kopke bewegen mocht, zoo in de vlakke zon, die de
lokjes deed glimmen en krullen. De zon spetterde overal en de struiken
waren, langs den grond, als vlammen van zonderlinge verve. De bijen
gonsden. Een koppel witte vlinders wipten in de heete ruimte over
malkander.
Het gebeurde ook dat de kwade regen hen binnenjoeg. Ze vonden
een lieve schuilplaats bij Vinus in den stal. Ze roken er den
zwaren geur der koeien, al zittend op een frisschen klaverhoop,
en Vinus kwam, rechtover hen, op den harden rand van zijn beddebak
leunen. Hij smoorde er en dampte langzaam. Een draadje was om
den steel van zijne pijp gewonden. Binst dat de ruchtige regen
neerspatte op 't voorhof en klepperde op de dakpannen, vertelde hij
wel eens een trage historie. Hij vertelde van Peer-Lapeu, of van
Jaakske-met-ze-fluitje of van de Zeven Prinsessen van Mississippi. De
koeien kauwden verduldig. Tusschenbeide draaide er eene haren grooten
kop en keek met droomende oogen uit de half-duisternis en haar muil
verging, zonder haast, van rechts naar links. Ze kluppelde met haren
staart. De dakgoten geraakten boordevol en begonnen lawaai te maken
op de vloerkareelen daarbuiten.
Wanneer echter de avond mooi was en de zon het ronde westen
beschilderde, gingen Emanuel en Renildeken langs de Scheldeoevers
wandelen. De Schelde was gelijk een violet lint met zilveren en gulden
blikkering. Ze voer wijd-kronkelend door de platte meerschen. Tegen
den hemel steeg bol, blauw en goedig, de struische Kluisberg en
achteraan wapperde de pracht van het avondvuur. Ze kuierden nevens
't water. De kikvorschen sprongen vóor hunne voeten uit het gras, en
bij elken stap steeg een wolkje muggen en kleine vliegen en sprinkhanen
rondom. De bleekroode kardamienen trilden tenden hunne hooge stengels.
--Nu denk ik aan de prinsessen, Mane, zei Renildeke, en in hare
strakke oogen leefde inderdaad een beeld van droomende wonderlijkheid.
--O ja, antwoordde Emanuel, dat is omdat ge al die kasteelen ziet
boven den Kluisberg.
Boven den Kluisberg hingen in roerlooze verscheidenheid de paarse
en purperen en oranje wolken. Zij vormden er een verre water, waar
opdook een eiland van goud. Schoon zichtbaar tusschen het teere loover
steeg daar, met zijn verschillige koepels en talrijke torens, een
hemelsch kasteel. Renildeken keek ernaar en zocht er de vensters, de
deuren, de breede gaanderijen, en de fonteinen die voor de middelpoort
opschoten in den vorm van een doorzichtigen waaier. Het eiland geleek
op een uitmuntend park, en het gewas stond er liefelijk geschoren of
gebeiteld in levend koper. De lanen lagen effen en klaar. Eene groote
stilte versierde het landschap.
--Nu merkt ge toch, sprak Renildeken, dat alles wat Vinus ons verteld
heeft, waar is.
Emanuel werd zeer ernstig en zei met een innig gevoel:
--Hoe zou het anders?
Hij drukte de kleine hand van Renildeken, die nevens hem stond in haar
donker smal kleedje, heel luttel en gracelijk midden de sterk-groene
weidevlakte ....
Maar 's winters, bij hard weder, bleven ze in de warme huiskamer. Ze
waren er meestal alleen met moeder Doening, want vader en Victorien
hadden hun werk in de schuren en stal. Moeder Doening liep, als
naar gewoonte, lachend of pruttelend over en weer, en ze maakte veel
gedruisch bij de ronkende kachel, onder de potten en de pannen. In
den namiddag stond de machtige ketel op 't vuur en werd de koedrank
gekookt. De sterke geur van ontdooiende beeten en bladersap walmde
om den huize. Emanuel zat met zijn nichtje bij 't venster, waar
blauwde de flauwe winterdag. Als het sneeuwde, tuurden ze naar
den gang der waggelende vlokken, en alles op de hoeve werd wit en
licht en doodstil. Andertijds las Emanuel voor uit een groot boek,
dat verhaalde van het leven der Heiligen. Hij had eene zachte stem,
en ze klonk eigenaardig in de keuken, geheel afgezonderd van moeders
rumoerig bedrijf. Renildeken hoorde niets dan deze lieve stem, die het
leven der Heiligen uitbeeldde in den droeven wintertijd. Ze zat op de
bank en leunde met haar porseleinen hoofdje tegen het raamberd, juist
in de witte plooien van de venstergordijn. Hare witte handen lagen
saamgevouwen op haren schoot, licht als een asem of een geur. Soms
schoot een zenuwrukje door hare leden en dan roerde haar nauw lijfje
gansch: dat was eene zonderlinge gewoonte bij haar. Wanneer Emanuel
onder 't lezen even opkeek, trof hij den peinzenden blik van hare
ronde oogen die, als een dubbel lichtsignaal, waren op hem gevest. Dan
glimlachte ze, en het waren gulden uren ....
Zoo, al naar den gang van den tijd, groeiden ze op. De schoolmeester
van het dorp kwam hun leering geven in de taalkunde en het rekenen en
de geschiedenis. Emanuel was zeventien jaar oud geworden. Vader Doening
riep hem in het koude salet en vroeg hem wat hij zinnens was te doen
in de toekomst. Van deze onderhandeling met zijn vader heeft Pastoor
Doening altijd eene zeer scherpe herinnering bewaard, omdat het de
eerste aanval was, dien zijne heerlijke kinder-illuzie te verduren had.
Hij voelde, onder de koude blikken van zijn vader, plots een schokkend
leed. Moest hij iets doen in de toekomst, dat niet de voortzetting
was van hetgeen hij nu deed en in het verleden dag aan dag gedaan had?
--Ge wordt nu een jonkman, sprak boer Doening; er kan geen
kwestie zijn van langer hier om te kuieren met sprookjesboeken en
meisjesgekheid. Het kan mij niet schelen wat er van u gewordt, maar
droomen in luiheid mag niet. Uw broer Victorien zal voor de boerderij
zorgen. Daar moet iets van een anderen aard verzonnen worden voor
u. Ik heb er met moeder al over nagedacht. Moeder is in die soort
van zaken nog al oolijk. Zij meent dat het u best zou staan, als ge
priester wierdt.
Het viel Emanuel zeer hard. Hij dacht aan Renildeken, aan al de mooie
dagen die hij doorbracht met haar. Hij zag ze in haar smal kleedje
en zag hare zoete wangen, die bepoeierd schenen met een geurig meel
van zeldzame bloemen. Heur bleek-glanzend haar lag plat en in twee
rechte strengen gevlochten. Hij vroeg aan vader Doening wat deze met
Renildeken zou doen.
--Wel drommels, jongen, viel Doening uit, waar bekommert ge u
mede? Renildeken blijft bij ons. Ze heeft geld en zal later wel een
jongen boer vinden uit de streek. Ondertusschen zal de schoolmeester
haar nog maar wat onderwijs geven. Dat komt alles wel in orde. Het
staat met u lang zoo genadig niet.
O! neen, dacht Emanuel, het staat met mij zoo genadig niet. Ik heb
zoo langen tijd aan mijn ongeluk gesponnen en de ellende van mijn
toekomst voorbereid. En hij voelde het massale noodlot, zooals dat in
het Heiligenboek beschreven staat. Vluchtig zag hij de oude letters
en de zware prenten, en speurde hij den reuk die uit de malsche
bladzijden opstoof.
--Vader, sprak hij, ik zal er binst deze week over nadenken.
Hij dacht er inderdaad van den morgen tot den avond over na, en 's
nachts insgelijks, behalve binst de weinige uren, welke hij slapend
sleet. Al die diepe mijmering bracht hem eindelijk tot de zekerheid,
dat hij het buiten Renildeken's aanwezigheid niet lang uithouden
zou. Hij vluchtte haar om zijn gedachte zelfstandig te maken; doch
hij voelde zich immer inniger met haar verbonden dan toen hij haar
verlaten had. Ze merkte het ongemak dat hem kwelde, en op haar peinzend
gezichtje lag, gelijk een nieuw en delikaat gepoeier, de zoetigheid
van haar medelijden.
Eens zat ze alleen en heel bleek op de gladde bank van het
priëelken. Emanuel slenterde langs daar en hij was waarlijk verschrikt,
omdat zij er zoo treurig uitzag. Hij vatte seffens haar handje,
dat killig was en daar rustte op haar zwart kleedje gelijk een koude
manestraal.
--Rene, zijt ge ziek?
Ze wachtte, eer ze hem antwoord gaf. Al de geluiden van den tuin
tikkelden uitermate duidelijk op in de lucht binst deze korte
stilte--en niet het minst de schokkende tjirreling van een koninksken,
dat in de linker syringa zat. Toen sprak ze:
--Ik weet het niet, Mane; maar het is me helder geworden, waarom ge
sinds dagen zoo vreemd te moede zijt. Ik heb geraden dat ge verhuizen
moet ....
Hij keek haar aan. Het trof hem dat ze verhuizen zei. Hoe akelig juist,
hoe scherp-waar klonk dat woord! Verhuizen, dat is in een ander huis
gaan, een ander nest ievers maken, en het oude hangt ledig, terwijl de
wind en het onweder het aanvallen langs allen kant. Het schoone leven
dat hij met Renildeken gesleten had, schoot met levende kleuren door
zijn geest. Hij werd week en aangedaan. Hij voelde haar killig handje,
en zijn tranen rolden ....
Toen begon hij het geval uit te leggen. Ze luisterde en sprak geen
woord. Haar gewoonlijk zenuwrukje snokte door al hare leden. Ze
knikte. Ze tuurde alover den tuin, waar de zon losbandig bezig
was. Poelie, de hond, lag lang uitgestrekt bij het hek en hapte
soms naar een lastigen horzel. Het koninksken wipte al meteen in den
rechter syringastruik.
Nadat Emanuel alles verklaard had, zei ze:
--Mane, ge moet een priester worden, ge moet een heilige worden,
zooals die velen uit het oude boek.
Ze weende niet. Ze was een oud vrouwtje, heel nauw-gespannen in
haar keurslijfje, heel klein en broos, met een kopje van doorzichtig
porselein en oogen vol met verduldige ervaring ...
Wanneer dus Renildeken aan hare vlugge ziekte gestorven was, verliet
Emanuel de witte hoeve en sloot zich op in het Seminarie. Hij werd
priester, doceerde een tijd de theologie te Leuven, en, na den dood
van zijne ouders, maakte gebruik van het niet geringe vermogen
dat zij hem achterlieten, om te Brussel een zindelijk huis op te
trekken en er stille, door het rumoerige stadsleven heen, zijne fijne
emotiviteit te oefenen. Hij had geen bezigheid: hij ontwikkelde met
eene instinktmatige zorgvuldigheid de machten van gevoel, welke hij in
zijne kindsheid had vergaard. Hij bebouwde dat aandoenlijk eigendom
en legde er zich met onbewust vernuft op toe om het kostbare zaad,
dat God in hem had neergelegd, tot vruchten van liefde te doen gedijen.
Het huis dat hij te Brussel bezat, was een der fraaiste van de
Hamerstraat. De wijk was buitengewoon rustig. Eene burgerlijke
voornaamheid maakte er de lucht eenvormig-grijs en benevelde, met
een toonlooze deftigheid, de verschillige stadsluchten. Van de effen
huisgevels, waar de vensters als beloken oogen schenen te slapen,
viel de grijze kilte op den grijzen steenweg neder. De deuren stonden
glanzend in hunne versche verve en de loerspiegeltjes die tallenkant
naast de ramen uitstaken, waren het eenig teeken van de bedrijvigheid
der bewoners. Het was eene doode straat en, gelijk wolken, stoof er
de nagalm van het ronkende leven dat, ginder tenden, op de breede
lanen woelde.
Pastoor Doening had deze wijk gekozen omdat hij ze, op haar uiterlijk
beschouwd, vereenzelvigd voelde met de stemming, waarin hij,
zooals een spinne te midden van hare web, schoonspinnend te leven
zat. Hij voelde zich hier eenzaam en zelfstandig. Zijn huis was met
sobriëteit aangelegd, maar het droeg niet die magere strengheid,
die in vele pastorijen zoo killig aandoet. Het was helder, innig,
geheel modern in zijn bewerking, en 't had een uitzicht van mooi
bedaren. In de breede kamer, waar hij meerendeels zat en die met gele
gordijnen van de luchtige tuinveranda gescheiden was, had hij eene
mahoniehouten bibliotheek geplaatst en al de overige meubileering,
die keurig en eenvoudig was, had hij in halve ronde om den wijden
open haard geschikt. Op het schouwblad stond een marmeren borstbeeld
van Guido Gezelle. Er boven hing een oud tafereel van Giorgione,
de Heilige Magdalena bij het Kruis.
Lange uren zat hier pastoor Doening. Hij deed veel aan Vlaamsche
literatuur en toetste de troebele opkomst der Vlaamsche letteren aan
de fijne kritiek van zijn onfeilbare zinnen. Hij had een kultus voor
Gezelle, dien hij als een Europeesch genie aanzag en een der zuiverste
dichters van de XIXe eeuw noemde. Hij had op het kollegie Gezelle
gekend en hij wist de strijdende machten die, in hun worstelend
geharrewar, den groot-menschelijken Westvlaming gedurende zoovele
jaren tot zwijgen hadden gedwongen. Ze waren een tijdlang vrienden
geweest, en deze vriendschap had niet weinig bijgedragen tot de
organische ontwikkeling van Doening's gevoeligheid. Toen Gezelle
stierf, bleef hij lang denken aan den witten dood van Renildeken;
want met Gezelle verloor hij, op een andere schaal van zijne kultuur,
het eender iets dat hij met Renildeken verloren had.
Hij ging gaarne om met de menschen. Als hij zijne ivoren eenzaamheid
verliet, wandelde hij op de Louizalaan onder de menschen. Hij had
de menschen lief, de onbekende menschen die wandelen of loopen en
lijden of vroolijk zijn. Hij keek ze vluggelings in het aangezicht,
kwam in rappe voeling met allen, bewaarde van allen een beeld van
kleuren of lijnen. Hij lachte op de kinderen die ommendom de blanke
schorten der meiden speelden. Ruiters reden hem voorbij. Automobielen
en mooie gespannen gleden haastig over het makadam. Een verloren
hondje snoof, onder de boomen, de lucht op. Pastoor Doening ging,
kort-stappend en alles beloerend, en hij had een groot genot aan
het zicht der bonte dametoiletten, die de laan zoo heerlijk levend
maakten onder de gouden zon. Hij had nooit een stok mede. Hij droeg
gemeenlijk in zijne linkerhand een paar zwarte handschoenen van zeer
zachte zijde, en hij deed ze wiegen of stillekens slaan tegen zijn
kleed. Zijn rechterhand was altijd vrij. Hij vingerde ermede langs de
kleine satijnen knoopjes op zijn borst, juist boven de platte plooien
van zijn sluier. Zijn hoofd was even gebogen en klein waren de randen
van zijn hoed. Zijn haar was niet gansch wit, maar het zilverde op
de krullen van losse lokken zeer kostbaar.