of dat hij mij treft in mijne genegenheid voor u? Onzin, onzin. Hij
is heel anders dan gij. Hij beweegt zich op een gansch verschillend
terrein. Hij is zoo schrander en zoo fijngevoelig, zoo uitmuntend
hedendaagsch. Is er iets dat moet verdedigd worden bij hem? Simon,
zeg het mij. Wat hapert er?
--Maar, lieve vriend, ik ben heelemaal op zulke vragen niet
voorbereid. Daar komt ge nu ineens mede voor den dag. Ik ben zeer
verwonderd. Ik weet niet wat ge bedoelt. Ik herhaal: ik weet het niet,
Ernest. Wat wilt ge mij doen zeggen? Ik waardeer Sörge zeer. Hij is
een allergevoeligst man en een sterke geest. Al oefent hij in schijn
geen kunst, hij is grooter kunstenaar dan wij allen: zijn onweergâlijk
meesterstuk is hij zelf. Ik stel hem hoog op prijs. Dat hoort ge
nu. Maar ik voel me niet, in losse genegenheid, aangetrokken door hem.
--O! daar heb ik u! Daar hapert iets.... zei ik het niet?
--Om met de bloote waarheid uit te pakken, Ernest--ik ben bang voor
dien man.
--Nee, geen raadsels .... ik heb hoofdpijn.
Simon stond recht, kwam over Ernest bukken, legde zijn breede zware
hand op zijn schouder. Ernest keek op en zag den genegen glimlach in
Simon's zwarten baard. Simon vroeg:
--Willen we nu rustig blijven en een poosje afbreken met onze ijdele
ontledingsgewoonte? Laat, vandaag, de avond naderen. In den peiselijken
avond kunnen we altegare uwe verleden moeder gedenken, en, binst de
stilte, uit ons ganscher hart, haar hulde brengen gezamenlijk. Ik ben
bij u gekomen om u in de eetzaal te brengen, waar iedereen wacht op u.
En hij lachte goedig, drukte op den schouder van Ernest, sprak gedempt
en overhalend. Ernest vatte zijne handen ....
Maar gelijk een rap windje kwam Francine binnen stuiven. Ze bleef
palstaan, als ze Simon zag, bloosde en opende zeer wonderlijk hare
groote groene oogen. Terwijl Simon achteruit week, sprong ze naar
voren en viel in de armen van Ernest. Ze weende, dook haar hoofdje
in zijnen hals, kuste hem. En aldoor snikte ze onderwijl:
--Mijn arme broer, mijn arme, arme broer! Ach Heere! hebt ge nog
zoo'n hoofdpijn?
Ze streelde hem met hare kleine handjes over zijne kaken, over zijn
blonde snor, in zijn bruin-blonde haren. Had hij inderdaad nog veel
pijn? O! het was zoo'n lieve, dierbare moeder! En had hij gezien de
krokussen, die zij had medegebracht voor moeder? Maar het was zoo
akelig-donker in de groote zaal, waar moeder was. Waarom hadden ze
't toch zoo buitenmate donker gemaakt? Zij zou nooit durven in de
eendelijke zaal gaan. Nooit meer in haar leven!
Hij stilde haar, zoende heur goud-geurende lokken, omsloot in beide
handen haar mooi kopje, dat traande en kloeg. Hij keek minzaam in haar
aangezicht, tot ze bedaarde en te glimlachen begon. Ze glimlachte
schuchter, kinderlijk; hare tanden perelden in de halve schemering
en hare natte lippen glansden. Ze lachte eindelijk zeer vrij,
vertelde dat ze goed gewend was aan hare nieuwe kamer en dat ze wel
verlangde om niet naar het groote huis op de Regentielaan te moeten
teruggaan. Ze zou al haar klein gerief door Mariëtte doen halen en
't was niet eene zeer groote vracht. Ze kon 't wel missen, maar ze
had het toch ook wel noodig. Vere stelde zich met eene te simpele
toilet tevreden. Het allernoodzakelijkste ontbrak bij Vere. Vere
had ook geen kamermeid. Vere wilde geen kamermeid. Hoe deed Vere,
om dan toch degelijk gekleed uit hare kamer te komen? Beeld u dat in.
Zoo was ze aan den gang. Ze blikte somtijds naar Simon Peter,
die bij de roode venstergordijn stond en, alover Ernest's hoofd,
droomend staarde op Francine. Ze verlieten alle drie tegelijk de
studeerkamer. Ernest had zijn linkerarm om de leên van zijn zusje
geslagen en zoo gingen ze de trap af.
Het avondmaal was uitzonderlijk stil. Mijnheer du Bessy zat alleen
aan een kant van de groot-vierkante tafel. Vere zat naast Peter,
rechts, en links zat Ernest met Francine. Een kant bleef ledig. Een
stoel stond er en een bord. 't Was, juist rechtover mijnheer du Bessy,
de open plaats van pastoor Doening.
Oomken sprak niet, at met moeite een zierken. Hij tuurde onnoozel
rond, tuurde een heelen tijd naar de twee mooie vijfarmige kandelaars,
die op het blak-witte ammelaken en langs de glazen en schotels hun
roerende klaarten wierpen. Hij zat te dubben op het pasteitje-met-kip,
dat op zijn witte bord lag, juist te midden. De oude Ko had het juist
te midden geleid. Het had bruin-gerookte randen en de gulden saus
glom er over heen. Mijnheer du Bessy merkte het goed, staarde als een
die niet weet wat nu daarmede te beginnen. Hij moest zich werkelijk
bedenken, eer hij het pasteitje met mes en vork aandurfde. Soms
luisterde hij naar de korte gesprekken, viel er te onpas in, ja
zeggend, of nee-hoor! of gunstig knikkebollend. Ko bracht hem altijd
versche spijs. Hij hief zijne oogen op naar Ko, blikte dwaas in het
onveranderlijk-droef gelaat van Ko, en dankte zonderling. De spijzen
hadden voor hem ongewone uitzichten. Hij belonkte ze met schijnbare
belangstelling, liet ze een lange poos ongetaakt op zijn schotel,
scheen er eindelijk kennis mede te maken. Maar dan juist had hij geen
trek, en hij tuurde alweer naar de mooie kandelaars. Hij schrikte
als iemand hem aansprak. Vroeg Francine:
--Oomken, smaakt het niet?
Dan schrikte hij, stak zijn kop nuchter vooruit, mummelde met
werktuigelijke beleefdheid:
--Als het u belieft?
Seffens was hij weer weg in gepeinzen. Hij hoorde Simon Peter
kalm spreken van het schoone meiweder, en Ernest kalm antwoorden,
en Vere spaarzaam medepraten, en boven alles, er tusschen in als
kinder-wispelturigheid, het heldere getater van Francine. Hij zag
overhand alles na en, dadelijk alles vergetend, herzag en herzag. Op
den schoorsteen stond een hooge spiegel in gouden lijst, en vooraan, op
een kleine klokkekast, een blauw-groen porseleinen meisjeskopje. Tegen
den diep-bruinen wand, aan de beide zijden van den spiegel, hing
het geschilderd portret van moeder en van den ouden heer Verlat,
haar eersten gade. Hij keek bij voorkeur naar den spiegel en het
porseleinen kopje, dierf niet kijken daarnaast, waar de portretten
zacht te voorschijn kleurden. Zijn geest echter was vol met die twee
gebeurtenissen, en hij had schoon het klokkekopje te bezien en te
beletten, hij geraakte er niet toe om gansch erop zijne aandacht te
dwingen. Dan zonk hij achterwaarts, in het verleden. Hij wist nog
goed hoe diep de brave heer Verlat zijn nichtje beminde. Hoe oud was
ze toen? Wacht, dat wist hij te berekenen. Negentien. De du Bessy's
waren niet rijk, Verlat integendeel had flinke renten. Hij kwam alle
avonden zijn hof maken, en, al was hij niet zoo jong meer, men ontving
hem hartelijk. Verlat werd du Bessy's beste vriend en hij zou trouwen
met het nichtje. Dat was besloten. Hoe eerlijk zag er het nichtje
uit in haar witte huwelijksgewaad! Ha! Ha! du Bessy had een beetje
geweend dien avond. Ze was zoo jong, zoo jong.. Maar Verlat was een
uitstekend man, een man met een hart van louter adel. Wel! ze zouden
gelukkig zijn, had du Bessy gezeid. En du Bessy begon een leventje
van een lichtmis, woonde heel alleen, bezocht haast nooit zijn goeden
vriend en zijn kostbare nichtje. Maar hij wist toch heel goed dat ze
gelukkig waren. Deed hij niet? Ja wel. Hij ging op informaties. Toen
kregen ze een zoontje, en naderhand een dochtertje. De kinderen
groeiden op en du Bessy werd oud; du Bessy woonde nu zeer, zeer
alleen, voelde 't zoo smartelijk, hunkerde naar dat kleine jongetje
en dat broze meisje. Ha! Ha! du Bessy weende nog af en toe een beetje
.... Verlat stierf.
Verder mijmerde Oomken niet. De rest was een vage veeg in den
verstreken tijd. Hij herbegon liefst, van vooraan, den droom langs
het lieve nichtje dat trouwde met den ouden vriend, en hij zat
daar, met zijne vork in zijne hand, te staren op het blauw-groene
porseleinkopje. Ineens--juist hing eene ongemakkelijke stilte over
de tafel--zei hij:
--Wil ik eens wat vertellen?
Zijn kop bloosde. Zijn zwarte knevels en zijn geitebaardje blonken
als voorheen. Ook zijne oogen waren met een nieuw leven beroerd. Zijne
wangen echter hingen flets en groeven rimpelden op zijn voorhoofd. Hij
blikte iedereen in het aangezicht, keek verward en zijn halsboordje
stond wit en stijfrecht, langer en smaller in schijn dan het was.
--Wie ooit, sprak hij dof, zal den naam kennen van dien geel-harigen
faun die dagen aan dagen aan den oever van Oceanos' rijk, in het hooge
lisch te loeren zat? Hij zat waarlijk in het hooge lisch, terwijl hem
niemand daar vermoedde, en hij floot, op rieten, aardige deuntjes,
van vroeg in den morgen dat hij te loeren zat. Maar zijn deuntjes waren
lang niet vroolijk, en het leek wel alsof niemand in het lisch leefde,
tenzij de kleine wind die door de halmen kloeg en verder wegstreek,
gelijk een zucht, alover de zee.. Alover de zee.
Francine vestigde op hem hare groen-blinkende oogen glimlachte half,
had seffens eene groote aandacht voor het witte sprookje dat Oomken
zoo schielijk in de grijze stilte deed optikkelen. Oomken scheen zich
te bedenken, belonkte zijne tien vingeren, die al te zaam rond den
gebloemden rand van zijn dessert-schoteltje lagen, herhaalde nog:
"alover de zee" en:
--Dat is toch jammer, hee? fluisterde hij, dat is toch jammer.... dat
ze gestorven is.... dat ze gestorven is....?
Men keek hem aan met verbazing. Mijnheer du Bessy voltooide in
gepeinzen het vertelseltje dat hij begonnen had. 't Ging vlug en jagend
door zijne hersens; doch hij kon niet weerstaan aan de gewoonte die
hem sinds lange jaren beheerschte, om alles wat hij dacht of voelde
met mythologische decoratie te omhangen.
En zoo ging in hem de gebeurtenis van een faun die wachtte op Dione, de
jonge dochter van Oceanos, god van het schuim en de baren. Ze placht
in de nabijheid te dartelen op het roerende rijk. Ze was schoon,
en geen nimfe was schooner dan Dione, dochter van Oceanos. Maar de
faun was onbekend. Wie zal hem ooit kennen, vraag ik u?....
De hazelnoten lagen binnen hunne roode sluts op een kristallen
schaal. Een zeldzame meloen rondde zijn oranje bulten op onder het
kaarsenlicht, en vroege kersen bloosden op een stapelken in een
zilveren kom. Vere staarde Oomken aan. Van deernis kwam haar gemoed
vol, en ze was te wege hem te omhelzen en te sussen als een kind,
tot hij bedaren zou.
--Welnu, dacht Oomken, daar kwam op een morgen Zeus over het water,
en hij werd op Dione verliefd. Alzoo kaapte hij Dione, dochter van
de zee. Van blijdschap weende de faun in het lisch. Ja juist, van
blijdschap. Sindsdien, oud geworden en half-blind, blijft hij gedoken
bij den oever, dagen aan dagen, en schuifelt op zijn rieten tuig zijn
zonderlijke deuntjes, alover de zee. Kent gij hem niet? Zijn gele haar
is gelijk den gloed van de avondzon. Hij luistert naar 't gespeel
van Aphroditè, op de baren; want alle uchtends komt dartelen op het
roerende rijk Aphroditè, de hemelsche, dochter van Dione en van Zeus.
--Verder! Verder! lispelde Francine, terwijl ze in de uitlengende
stilte verrukt hare handjes samenbracht.
--Mijn kind, sprak Oomken, glimlachend, het is al zoo langen tijd
geleden .... Ik weet het niet meer.
Hij glimlachte vreemd, en 't was alsof hij weer zeer hoofsch en
zeer galant werd. Hij was zoo ineens met zijn vertelsel in de stilte
gevallen, had met kleine gebaren zijne woorden omsierd. Hij deed gelijk
vroeger, brillant-sprekend en traag-voornaam. Maar zijne oogen droomden
zonderling, en als hij met vertellen ophield, droomden ze voort,
alover het glimlachje, waarmede hij Francine bejegend had. Nu echter
stapelde op de wit-glanzende eettafel de stilte hare onzichtbare
lagen ongemak. Mijnheer du Bessy bemerkte niet dat iedereen hem
verlegen aankeek en niet wist hoe die onverwachtsche verzinsels uit
te leggen. Hij tuurde naar een trossel druiven, die Vere op zijn
bordje geleid had, en overhand naar de kristallen kom met water,
ernevens geschoven. Werktuigelijk plukte hij de blauwe druiven
en doopte ze herhaalde malen in de glinsterende kom. Hij zoog het
frissche sap. Soms hing een druppeltje in zijn snor, en 't biggelde
daar, en 't viel op zijn witte servet. De toppen van zijne vingeren
glommen. Hij zweeg. Hij had zich in nieuwe gepeinzen verwijderd.
Simon Peter wilde de ondragelijke lucht breken en de stemming redden
door behendige gezegden. Hij probeerde met eene lichte toespeling op
het mooie verhaaltje van mijnheer du Bessy. Zijne korte, gemaakte
volzinnen ploften in de ruimte als in een poel. Nog zwaarder werd
de lucht. De lucht werd inderdaad benauwd. Hij kwam vol met de
verschillige bangheid van allen, tot, op een einde, eeniglijk er
waarde het beeld van moeder, die overleden was. Al de oogen waren
schuchter op het ammelaken gevestigd, staarden naar het lichtgespeel
langs de glazen, de schotels en het rijk-beverfde fruit. Al de
geesten drongen integendeel door den nacht heen, slenterden over
het donkere kerkhof, zagen de versche aarde, waaronder moeder haren
eersten doodnacht doorbracht. De oude Ko stond, achter Oomkens stoel,
stijf overeind. Langzamerhand zakte zijn hoofd op zijne borst neder,
en zijne blikken lagen vast op de blanke tafelbedekking, met al de
andere blikken, en tusschen de schoon-uitgebeitelde voeten van de
vijfarmige kandelaars.
Zoo vond pastoor Doening het treurende gezelschap. Hij kwam binnen
zonder gerucht, groette stil, verwonderd. Hij was een groote zwarte
gestalte in het licht. Zijn grijze hoofd kleurde zilverig, taakte,
gevoelig, de angstigheid die in de kamer aanwezig was.
Vere en Ernest begaven zich te bed, als iedereen reeds was gaan
slapen. Hunne kamer was niet zeer hel verlicht. Twee gaspitten onder
mat-groene bokalen vlamden op het breed-marmeren schoorsteenblad en
wierpen in de ruimte een zacht-groene klaarte. Het bed lag onder haar
blauw-satijnen met kant overladen sargie toegedekt.
Ernest had zich op een lagen zetel, in een hoek van de kamer,
neergezet. Zijne knieën staken op, zijn rug duwde tegen de malsche
leuning. Na dezen vermoeienden dag, voelde hij zich lam en lui
en ontzenuwd. Hij kon zich niet inbeelden dat hij vandaag nog bij
moeders praalkoetse had gestaan. Het docht hem dat het langen tijd
was geleden. Hij zat uitgeput. De beelden van zijn smart konden niet
meer inwerken op hem en aandoeningen verwekken. Al zijn geestelijk
bedrijf lengde op eene lijn uit in kleurlooze schemering.
Hij zag nu hoe Vere zich zindelijk uitkleedde, hoe ze een oogenblik
half naakt stond, in wit-licht hemd, op hare donkere onderjaponnen,
die om hare voeten waren nedergevallen. Haar struisch-gewichtig lijf
schaduwde door het fijne linnen. Hij zag hoe ze seffens haar kamerkleed
aantrok, en dan, met groote zorgvuldigheid, hare rokken een voor een
van den grond nam en plooide en ordelijk over den breeden stoelrug
hing. Ze deed en ging geluideloos. Dan kwam ze vóor den spiegel van
de toilettafel staan, ontstak een hooge kaars zonder lichtscherm, en
ontvlocht langzaam hare bruine haarstrengen. Ze streek een enkele maal
met een kam erover en wrong ze saam tot een dikke torsade, die donker
op-pakte in haren hals. De kaarsvlam wippelde in de luchtbeweging
van hare breede pagode-mouwen en deed de blauwe schaduwen over haar
roomgele kamerjapon schuiven en uitrekken, mede met de gebaren van
hare uit het kleed naakt-rozig oprankende armen.
Ernest keek peinzend toe. Traag gleden door zijn geest voorbij
de opeenvolgende gebeurtenissen, die hij met deze vrouw beleefd
had--hunne eerste liefde, de philosophische gesprekken met den
uitstekenden schrijver Lieven Lazare, haar vader, de in driftige
foltering volbrachte ondergang van Vere, haar vlucht van huis onder
vaderlijken vloek na de bekentenis van hare zwangerschap. Het was
alles, goed nagekeken, eigenlijk zeer burgerlijk aangelegd en 't bleef
een lamme boedel. Wel had hij Vere lief. Hij kon echter zijn eigen
bekennen dat die liefde niet zoo echt-zuiver was en dat ze, in ruime
mate, met hartstocht en deernis was vermengd. Het zou, al meer en meer,
een troebel gevoel worden, zwaar van vreemde invloeden. Hij zou het
niet anders dan door veel wilskracht, gesteund op veel redelijkheid,
kunnen in leven behouden. Hij had buiten haar geëvolueerd. Buiten
haar had hij zich gansch ontwikkeld, en hij was nu een ander man, die
zich, ten opzichte van haar, alleen nog herinnerde dat hij, in een
tijd van geringer sensatievermogen, haar sterkelijk bemind had. Zoo
meende hij. De waarheid lag daar in eene grijze effenheid als eene
vlakte zonder rimpels. Hij verlangde Vere niet eens meer. Hij zou het
zich tot eene gewoonte opdwingen haar lief en ernstig te behandelen,
en van zijne hoogere begripskracht zou hij gebruik maken om haar met
zorg te verbergen dat hij haar niet zooals vroeger liefhad. Dat was
eenvoudiglijk zijne plicht. En dat was dan toch, evenals liefde zelve,
een daad van deugddoende schoonheid.
Hij had over die soort gewaarwordingen aleens met Sörge
gesproken. Sörge voelde de verhoudingen fijner dan hij. Hij wist
de minste roerselen van vertwijfeling te omhangen met passende
woorden. Hij placht te zeggen, terwijl hij zich, als naar gewoonte,
achterover neerlegde in zijn zetel: "De hoop duurt langer dan de
liefde. Hoe zonderling! Maar waarom ook houden wij ons aan éene
vrouw?" Hij zei het oolijk, met een lachje, alsof hij een luchtig
fantazietje verkocht. Ernest zag nochtans de gronden van zulke
zetten zeer goed, en hij verwonderde zich dat hij 't zoo goed zien
kon, in Sörge's aanwezigheid, en, buiten Sörge's bereik, zoo gansch
verschillig handelde. Nu voor het eerst, al gingen zijne gedachten
nog zoo kleur- en vormloos om, toetste hij duidelijk de gebreken
van zijne verhouding tot Vere. Hij was uit de gewone betrekkingen
opgegroeid, en Vere verwijlde er te midden-in. Hij had Vere gekend,
toen hij nog geheel onder Peter's invloed zijn leven bedreef. Die
liefde voor Vere was inderdaad een vrucht van Peter's gezelschap.
Het was een daad geweest van louter goedheid. 't Gebeurde ook in die
periode van "eerlijke omwenteling," juist na het leelijke geweld der
boemeljaren. Het was een daad geweest, gelijk Peter er altijd plegen
zou. Maar Peter zou ook nooit opgaan in schooner verfijning en zich
verheffen boven de burgerlijkheid van zijne zeden en gebruiken. Het
kon in zijne kunst insgelijks worden opgemerkt. Zijne kunst was
massaal en zwaar-lomp. Het zat zóo in de vizie, niet alleen in
de uitwerking. Zijne beelden waren neerdrukkende vormen, gedaanten
zonder doorzichtigheid, eene gebeurtenis in lengte en breedte, zonder
diepte. Hij zou burgerlijk blijven.
Vere keerde zich om naar Ernest, bekeek hem lang, ging buigen over
hem en, zwijgend, kuste hem op zijn voorhoofd. Dan knielde ze vóor
het bed, viel voorover op de gele sargie, waar ze in hare saamgevouwen
handen haar aangezicht dook, en begon stille te bidden.
Ze bad zoo elken avond. Het leek Ernest dat zij 't echter vandaag
zoo bijzonder-theatraal aanlegde en het krenkte hem ineens. Hij vond
het theatraal. Hij was nochtans gekrenkt, omdat hijzelf niet anders
dan theatraal had kunnen handelen en zich bij moeders dood als een
komediant had gedragen. Nu zag hij Vere's gebaar. Hij was op het
oogenblik te zwak om in te zien dat ze eerlijk deed. Het leek hem
theatraal. Had hij zóo niet willen wezen en had hij niet een akelig
theaterbombast gespeeld? Hij werd prikkelbaar. Zijne knieën staken
puntig nevenseen en hij tokkelde met al zijne vingeren erover. Hij
zei kort:
--Doe niet gek. Ik ben niet in staat om het aan te zien.
Ze schrikte en stond schielijk overeind. Nog nooit had hij haar
op deze barsche manier aangesproken. Ze schreef het seffens
toe aan zijne overspanning, keek hem goedig in de oogen, blikte
ongeloovig-verwonderd. Hij voelde dat hij niet zoo ruw had moeten
uitvallen, voelde zijn ongelijk. 't Maakte hem nog korzeliger. Wat
moest ze zich zoo onecht aanstellen, en thans weer, terwijl ze hem
aankeek, wat moest dat overdreven gedoe beduiden? Ze fluisterde,
verlegen:
--Ik geloof niet dat ge onrechtvaardig zijt, Ernest?
O! Het kon toch wel eens waar zijn, op een einde.
Zijn wrevel kon hem onrechtvaardig maken. Het was uit te leggen,
na die flauwe manieren, en die flauwe vraag daarop.
--Allemaal aanstellerij, kind! Ik mag toch hopen dat ge mijn toestand
een beetje in acht wilt nemen?
Hij sprong uit den zetel en stapte naar den anderen hoek van de
kamer. Dat ze hem niet antwoordde, was hem nog lastiger. Hij wilde
niet dat ze hem medelijdend aankeek. Hij wilde niet dat ze hem van zoo
hoog behandelde. Daar had ze geen recht toe. Wat meende ze toch? Hij
stak zijne handen in zijne broekzakken en wierp haar, met een gemeen
lachje, toe:
--Ge bidt natuurlijk voor moeder?
--Ja, Ernest, sprak ze, bijna hijgend, ik wilde voor uwe moeder bidden.
--Ha zoo!
Hij schokschouderde, voelde dat hij er niet bovenop geraakte, dat ze,
in de verhouding, den hoogsten kant behield. Met brutaliteit zou
zijn toestand nog verslechten. Een redelooze toorn ziedde in hem,
kookte op en spande brandend om zijne slapen. Hij hakkelde dof:
--Het mag wel--inderdaad--we kunnen er ons al biddend--beter aan
gewennen--dat wij ze met ons wanbedrag--hebben doodgedaan....
Nog steeds stond Vere bij het bed. Haar roomgele nachtjapon bleekte
roerloos op tegen de gulden verve van de met lichten kant overwalmde
sargie. Ze kwam nu, zwaar-tredend op hem af, vatte zijn arm, wilde
hem dwingen op te kijken. Haar boezem zwol sterk en vlug.
--Nee, zei ze, nee, Ernest, dat meent ge niet! ....
--Waarom zou ik het niet meenen? Het is toch de waarheid.
Hij snauwde haar toe, om er gauw van af te zijn.
Hij was niet meer in staat zijn woorden te meten. Hij wist niet hoe
killig en bijtend zijn stem klonk. Hij zag niet op naar heur. Ze
drukte op zijn arm.
--Gij weet dat ik geen schuld heb, Ernest.
--Dat zegt gij maar ....
Ze werd koud onder het harde verwijt. Dieper drukte ze op zijn
arm. Haar adem schoof ruchtbaar over hare lippen.
--O Ernest, fluisterde ze, ik word bang voor u ....
Dat ontbrak er aan. Wat hoefde ze nu nog met haar angst te
kabotineeren? 't Zou schoon worden. Maar daar ging hij niet op in. 't
Was over-genoeg zoo. Hij wilde zich ontdoen van hare handdrukking,
schudde zijn arm en week tegen den muur. Ze wankelde en hij ergerde
zich al meer:
--Laat me los. Spreek simpel, of kruip in bed.
Ze naderde weer, vatte opnieuw zijne armen, begon met een pijnlijken
gil te huilen. Haar hoofd schokte op zijne borst bij elken snik. Zijne
gramschap schoot plotseling los en hij riep:
--Vere, breng me niet tot geweld. Laat me los. Ik kan het niet
uithouden.
Hij wrong zich tusschen haar en den muur vrij, schikte wrevelig zijn
halsboordje, blies het kaarslichtje uit, dat op de toiletkamer om
en weer wapperde. Haar weenen dreef hem tot een uiterste scherpe
woede. Hij kon 't niet weerhouden, keerde zich rap naar heur toe en
stiet ruw in haar gezicht:
--Ik heb me toch niet in uwe armen geworpen, geloof ik? Ik heb alles
niet zoo doortrapt aan boord gelegd? Hou nu maar op met komedie,
alsjeblieft. We zijn wettig getrouwd.
Terwijl hij sprak, besefte hij het laffe van zijn woorden. Toch was
hij verwonderd dat Vere wild opsteigerde en haar hoofd forsch recht
smeet. Hare wangen gloeiden koortsig. Hare stem was onherkenbaar:
--Denk er aan, Ernest, sprak ze, dat ik uw kind draag.
Daar hadt ge 't. Hij had er zich kunnen op verwachten. Het had nog
lang geduurd, eer ze er mede voor den dag kwam. 't Was er nu uit. Hij
keek een oogenblik verlegen toe, verlegen om de wanhoop die uit hare
oogen schoot. Hij zei zachter:
--Ga-slapen.
Maar zij lengde zich uit in het groene gaslicht, werd eene
breed-sterke gestalte en haar hoofd rees rots-hard op boven het bleeke
nachtgewaad. Ze werd rustiger, ze kon rustig spreken en sprak. Hij
wist haar niets meer te beletten. Hij stond verslagen en vernederd,
zei gedurig:
--Ga te bed .... ga slapen, om de liefde Gods!
Ze wuifde zacht met hare hand, vertelde, van den beginne af aan,
het gansche geval, en dwong hem, door den vreemden eenvoud van hare
woorden, tot stilzwijgendheid. Ze hield het echter niet tot het einde
vol. Wanneer ze haar vader herdacht, zijne gramschap en zijn vloek,
barstte ze in tranen los.
Hij gaf het op, om verder te twisten met haar. Hij werd ineens moe,
zuchtte nog, terwijl hij, zich neerzettend in den zetel, zijne
oogen sloot: