Hij schoof op de tafel de groote zilveren schaal zijwaarts,

welke vol met kaartjes en brieven stond, en deed Mariëtte de dikke

bloemenvracht daar leggen. Toen sprak hij, op zijn stille manier, van

de bloemen. Zij geurden zoo versch, zei hij. Ze waren zoo helkleurig,

zoo gansch mooi. Waar had ze zulke mooie gekregen? O dáar, op den

hoek van dat bloote plein? Zoo! Hij kende den winkel wel. Hij kende

de oude juffrouw wel, met haar jeleivette kin en haar honinglachje.

--Ja, ja.... lachte Francine, zóo is ze. Hoor eens aan, Vere, was de

juffrouw niet waarlijk zóo?

Stil sprak Simon van de bloemen. Het was nog niet de volle tijd van de

heerlijke bloemen, maar deze bleek-paarse tulpen waren zeldzaam. Had

juffrouw Francine die zelf gekozen? Francine knikte gretig. Simon

dacht het wel dat zij die gekozen had om hunne wonderteere kleur. En

deze ongemeene tubereuzen? Hield ze veel van tubereuzen? En mevrouw

Verlat? Hij hield meer van viooltjes. Die ruiken niet zoo sterk,

maar de herinnering ervan is trouwer. Francine zei met gulzigheid:

--Ik heb vooral viooltjes gevraagd, niet waar, Vere?

De lelies vond hij uitstekend. Hij prees ze zeer. Hij kon er lang

over praten. Mijnheer du Bessy was geneigd een vers uit het Ars

Amandi van St.-Gomair bij deze gelegenheid te pas te brengen. Hij

wist ook een hoop liefelijks van de leliën te vertellen en 't schoot

hem almeteen te binnen. Maar iets kropte ongelijk in zijne keel,

en hij zweeg. Hij voelde ook dat hij niet zoo bedaard en zacht als

Simon zou kunnen spreken. Hij luisterde meegaande. Vere insgelijks

luisterde met geveinsde belangstelling. Ze deden aldus getweeën mede

aan het broze werk, dat Simon langs eenvormige woorden optrok rond

Francine. Ze luisterden in gedwongen houding, terwijl elders hunne

bezorgde aandacht verwijlde. En krokus had juffrouw Francine ook

medegebracht. Hoe minzaam ziet er het fijne krokuskelkje uit! Krokus

doet zoo heerlijk tenger in een Kopenhaagsch vaasje, wist ze dat wel?

--Ik heb op mijne kamer Kopenhaagsch goed, eenig mooi, mijnheer Simon.

--Hewel, in zoo'n vaasje, laat er een trosselken krokus in

bellen. Francine zuchtte:

--Moeder hield zoo veel van die witte krokus ....

Ze stond dan ineens verschrikt recht en keek verward rond. Ze toetste

plots het heimelijk ongemak dat hier in huis spookte, en begon te

huilen. Niets troostte haar meer. Ze kreet dat ze bij moeder moest,

en dat al de bloemen voor moeder waren. Ze wilde naar boven ijlen, in

moeders kamer. Simon hield haar zacht tegen en Oomken, binstdat zijn

gemoed volschoot, schudde zijn kop. Moeder lag niet meer in hare kamer.

--Waar dan? Waar dan, als het u blieft? Waarom spreekt gijlie nu

niet meer?

Ze smeekte. Ze ging Vere kussen en weende op Vere's schouder. Simon

vertrok schielijk; hij zou eens gaan kijken, en ze moesten alle drie

wachten tot hij terugkwam. Francine bad:

--Wat hebben ze met moederken gedaan? Oomkelief, waarom moet ik

wachten? Waar is Ernest?

Oomken stotterde, mompelde tusschen zijne tanden, kon niets dan

schuddebollen. En Vere zweeg. Vere was uitermate bleek en hare blauwe

oogen waren als met een grijs floers omhangen.

--O, steende Francine, ik weet het wel, Vere, wat gij denkt. Ik mag

het wel zeggen wat ge denkt. Ge denkt dat moeder u niet liefhad. O,

ik heb zoo veel verdriet!..

--Neen, Fran, dat denk ik niet. God beware me, hoe kunt ge dat zeggen?

--Ik weet het. Ik zie het toch. Och, moeder heeft u misschien iets

misdaan .... in den beginne .... maar ze had u toch lief, nadien ....

--Zij heeft mij niets misdaan, Fran. Evenmin als mijn vader. Ik denk

aan mijn vader, Fran. Ik denk aan alles .... Ik denk ....

Koortsig sloeg Francine hare beide armen om Vere's hals en snikte. Vere

mocht niet boos zijn op haar. Vere moest haar vergiffenis schenken.

--Ik ben zoo diep ongelukkig, Vere-lief.

Simon kwam en gaf een teeken dat ze gaan zouden. Hij scheen zeer

bezorgd en keek steelsgewijs op naar Francine, die, snikkend en

betraand, met moeite al hare bloemen van de tafel opnam in hare

handen. Ze gingen zwijgend het breede vestibule door en zagen over de

deur van de hooge ontvangstzaal hangen de zwarte gordijnen met zilveren

franjen. Was het dáar? Francine werd bang en blikte verbaasd in het

stille gelaat van Simon. Ze voelde dat hare beenen zouden knikken en

dat ze te wege was lang-uit achterover te stuiken. Hare handen beefden

om de zware bloemenlading. Simon schoof de gordijn op zijde, opende

langzaam de dubbele deur en de groote kamer gaapte als een nacht.

Onder het gele licht van de twaalf kaarsen rees het praalbed. Links

zat pastoor Doening geknield en aan den anderen kant stond Ernest

staakrecht in zijn zwarten rok. Op het praalbed, in de opene kist

die nu haast onzichtbaar onder de vele kronen verkleurde, lag moeder,

wit, wit, bijna doorzichtig, licht-wit.

Vere boog, onder haar zwarte vool, haar hoofd, en bracht de handen

saam in biddende houding. Francine trad met rappe schokken vooruit,

ging stijf, stokkig-stappend, het gansche lijf als een rechten paal

voorover stekend. Ze reikte zenuwachtig de levende bloemen. Ze reikte

de bloemen terwijl ze nog voortschokte op hare klinkende hakken, en

haar mondje viel open, en hare groene oogen werden rond en uitermate

groot. Ernest keek niet op; maar pastoor Doening hief zich recht en

zijn grijze hoofd neeg naar Francine. Mijnheer du Bessy beet op zijne

lippen. Simon had stil de deur dichtgedaan.

III.

DE DOOD VAN MEVROUW CHANTERAINE

(Slot.)

Toen de kist in de statige lijkkoets was opgesloten kwam de

ceremoniemeester buigen vóor Ernest Verlat en mijnheer du Bessy, die,

getweeën, als eenige geleiders van den rouw, in de duistere kamer

waren gebleven. Ze hadden er de vele vrienden en kennissen ontvangen,

die al te reke het praalbed waren voorbijgeschoven, gelijk zwijgende

schimmen, al te reke malkander vooruitduwend en glijdend met witte

onverschillige gezichten .... De ceremoniemeester boog en dit was

het teeken, dat alles vaardig wachtte. Ernest trad met Oomken het

vestibule door en stond een oogenblikje verblind door het helle

straatlicht, op den drempel van de breede huispoort. Ook de poort was

met zwarte draperieën behangen. Ernest voelde hun zware somberheid

wegen boven hem, onder het geweldige licht. Hij pinkoogde in de zon,

merkte ineens al de hoofden van het toekijkende volk gericht naar

hem. 't Besef klaarde op in zijn geest, dat hij, op deze stonde,

de groote figuur was van de gebeurende plechtigheid. De oogen van

het volk staken op hem als naalden en, in een rappe gewaarwording,

vatte hij de vragende houding van al die geesten:

--Is hij aangedaan? Weent hij? Ziet hij er bleek uit? Is hij ziek? Is

hij waarlijk een boemelaar? Het schijnt dat zijne moeder van verdriet

gestorven is? Hij is verouderd, geloof ik?

Hij kwam zijn eigen vóor als een barakgek met uitgestalde smarte, ten

beste overgegeven aan het nieuwsgierig gepeupel. En toch, al voelde

hij diep het valsch-klaterige van zijn toestand, toch lette hij erop,

om sympathiek te blijven. Het streelde zijn leed, dat de menschen

zouden zien en zeggen: Arme jongen! hoe hard een slag is het hem! ....

Hij bleef dus een oogenblik op den drempel staan onder het wegend

zwarte floers. Hij zag vooraan, midden in de straat, den grooten

vierkanten wagen, van bovenaan, waar het kruis zilverblinkend

uitstak, tot over de wielen behangen met kransen en bloemen, sterk

schitterend tegen het grauwe gelommerte dat onder de olmenkronen

der laan te donkeren hing. Een leegte was rond den wagen. De grijze

straatsteenen waren er bekletst met zinderende zon en, dáar, eendelijk,

een beetje gebogen in zijn nauwe kleed en blootshoofds, stond

pastoor Doening. Verder krioelde, somber, massaal, laag-ruischend,

de menigte. Ernest trad vooruit, langs de blakke steenenleegte,

in de zinderende zon. De zon stortte op zijn voorhoofd en trilde,

gelijk tikkelende lichtdroppels, op zijne goud-omrande brilglazen. Hij

boog rijzekens zijn hoofd, ging onder al die blikken, als onder een

lage brug, heen en sloot half zijne oogen. Een zenuw trok de puntjes

van zijn mond omlaag naar zijne kin. Hij behield nadien met opzet de

drukking van die zenuw, en voelde daardoor over zijn aangezicht komen

een masker van innige, nu gelaten lijdelijkheid. Zoo was dan zijne

houding, die hem in overeenstemming moest brengen met het karakter zelf

van de pijnlijke plechtigheid. Hij deed het voor 't publiek. Hij kon

zich aan den drang niet onttrekken, om de nieuwsgierigheid van die

loerende koppen te beantwoorden. Hij veinsde niet zijn leed, maar

hij voelde zich gedwongen zijn leed te toonen. Hij wilde begrepen

worden. Hij kon niet anders ....

Hij behield deze aangezette uiterlijkheid heel den weg door. Hij

behield ze in de kerk, terwijl de zeven pastoors om het hooge

catafalque de lange, triestige zangen zongen, en terwijl, vóor

hem, en op een trage rij, al het zwarte volk ter offerande

voorbij slofferde. Hij keek er niet naar. Hij had, over de

fluweelen stoelleuning zijn aangezicht gebogen en bleef zoo,

onbeweeglijk. Hij zag, van al die opkomende menschen, alleen de

verschillige voetenparen. De voeten slierden op de blauwe kareelen

te voorschijn overhand, klein-stappend en ongemakkelijk, tot ze, in

het heengaan, vasteren gang kregen en rap wegzoolden al piepend. Hij

raadde echter de koppen die boven hem uitstaken, de bloote koppen,

met nuchtere gelaten, van lui, die akelig-ernstig uitkijken en gemeen

worden in plechtigheid. Allen wierpen gauw een blik op hem, dat raadde

hij. Het kleine gedacht, dat hij vermenigvuldigd voelde opduiken boven

die roerende lijn van koppen, speelde als een streelende schemering

om zijn hoofd:

--Och ja, hij is wel verslagen .... waarlijk, hij ziet er verslagen

uit ....

En zoo, eender gezegde aan eender gezegde, voort. Na den dienst in de

kerk, moest hij met mijnheer du Bessy en pastoor Doening in een rijtuig

stijgen, en ze reden de stad door, de voorstede en buitenwijken door,

eindelijk in 't volle veld, langs den Leuvenschen steenweg, naar het

kerkhof. Hij zag de gevels in zonnekladden voorbij blekkeren. Hij zag,

tegen de zwarte diepte van het rijtuig het droef-bleeke gezicht van

Oomken boven het glanzende boordje en de helwitte das. Daarnaast,

precies verder in de donkerte, het stilopklarend hoofd van pastoor

Doening, die droomend, langs de portière, uitkeek naar de zon. Hij

voelde altijd een onduidelijk ongemak, in de aanwezigheid van den

ouden droomenden man ....

Op het kerkhof, terwijl hij weer achter het lijk te voet tusschen

de vele prachtzerken heenstapte, herkwam in zijne hersens dat sterke

bonzen van dezen morgen. Was het dat de scheiding hem nu duidelijker

en pijnlijker docht? Er spookte iets om hem, iets dat hier in de

lucht hing, dat bedeeld was met de groote rustigheid van deze aarde,

zoo zeldzaam door hem betreden. Daar waarde een vlucht van onzichtbare

wezens, vlerken die ver zich uitrepten, alsof ze reikten boven aarde

en uren. Hier, in deze omwaaiende heimelijkheid, zou voortaan moeder

begraven zijn. Hij beeldde zich gedurig in, al starende naar de

zilveren franjen die waggelden over de kist:

--Daar ligt ze, zoo dichtebij ....

Hij raakte haast haar hoofd .... Hier zou ze liggen, onder het

verschillig bedrijf der seizoenen, jaren en jaren eenderlijk. Hij had

rozen om hare slapen geleid. Zoo zou ze liggen. En 't dreunde op zijn

schedelbeen, gelijk hamerslagen;

--Moeder.... moederken....

Droog bleven zijne oogen. In zijne borst, met zijn adem mee, zwoegde

een onstuimige golving. Hij onderhield ze met zijn droef-spekuleerend

gedacht, wilde zijn pijn langs een hijgenden omgang in eene warme,

lyrische hoogte brengen, waar hij zou kunnen weenen. Hij volhardde in

het gistend uitbeelden van moeders dood, voelde de zenuwsmart die de

klopping joeg door zijne hersens. En 't kwam alles op moeder neder,

op dat lieve ding, dat wit uitlengde binnen de harde kist en in den

drang van de stuwende menigte werd weggedragen.

Hij staat vóor het graf. De zwarte wagen staat stille vóor het

graf. Het volk ruischt aan, perst zich in een wijden kring, en wordt

gansch stil. Na het eenvormig wielen-gedaver en 't langzaam gekloef

van paarden, na het gelijke, aaneensloffend geluid, daarachter, van

al die slenterende menschenvoeten, valt nu, plotselijk, de stille

lucht alom. De stilte valt als eene schrikkelijke voorbereiding. Het

dunkt Ernest, dat de slagen harder en harder aanstormen tegen zijne

slapen. De kist wordt bloot uit de bloemen gehaald; op de berrie, laag

bij den grond, ligt de kist. De priesters, in wit gewaad, kleuren onder

de zon, de wierook walmt zwaar, de half-luide gebeden gonzen om. De

kist is het middelpunt van alles, ligt daar in haar geelbruinen eik,

en de zon leutert op elken koperen knop. Het zilveren kruis spettert

op de borst van de kist.

O moeder, vergeef het verdragen leed. Zie uw zoon aan, die bedwelmd

in zijn zwakheid ommeduizelt. Hij tracht zijn eigen te herkennen en

verliest zijn eenvoud in al zijne onmacht. Hij weet nog wel, lieve

moeder, uwe ontelbare weldaden, uwe goedheid die zonder einde was. Hij

herinnert zich zeer hoe hij u heeft miskend, hoe hij twijfelde aan

uwe zorgen en onverschillig bleef bij uwe wanhoop. Wat zal hij doen,

nu hij achterblijft met het beeld van uwe liefde en gij niet meer

komen zult om te zien hoe innig-trouw hij het bewaart? O moeder,

zie mij aan. Ik weet niet hoe te handelen met die menschen. Ik wil

vergaan in mijn leed, ik wil alleen zijn met u, ik wil u vereeren

met de hulde van mijne wroeging. Moeder, moeder, ik heb u verwoest

en ik heb u zóo lief!....

Krijscht daar niet eene koord om het hout? Gaapt

daar niet de sterke aarde? Het bonst, het stoot, het

dondert. Moeder! .... Moederken! .... Rustig gaapt de aarde, en

rustig staat, nevens de holte, de berrie bloot. Nu breekt het, nu,

eindelijk, breekt er iets in zijn hoofd, de felle warmte schiet

op rond hem en overdoet hem gansch. Een donkere man staat tegen

den gulden muur der zon, nadert zonder oogen, reikt bloemen en

bloemen. Het schemert en het danst alles in de ronde, wat oprijst

tegen den geweldigen zonnemuur. Ernest ziet nog, daar diepe, het

zilveren kruis op de borst van de kist. Hij raadt nog de koperen

knoppen, maar de eikenkleur smelt weg in de struische verve van den

grond. Hij laat de bloemen neerbladeren, staat een poosje versteend

met opgeheven arm. Oomken dringt hem zoetekens zijdewaarts en werpt

ook bloemen. Dan komt iedereen, en iedereen heft boven het graf een

trage hand, en de bloemen rijzen, kelkje na kelkje.

Pastoor Doening neemt Ernest onder den arm, klopt gemoedelijk op

zijne hand:

--Ween zoo niet, mijn jongen, zegt hij, uwe moeder is thans gelukkig

....

Hij kijkt verwonderd op. Hij blikt in 't kalme gezicht van pastoor

Doening. Ween ik? peinst hij. Hij spreekt niet. Hij staart onthutst,

merkt zeer duidelijk de droge lippen van pastoor Doening, en de zon,

metallisch, stippelend op zijn grijze hoofd. O ja, nu voelt hij

't. Nu is 't goed. Nu weent hij waarlijk. Pastoor Doening moet het

zien. Laat het hem maar zien. Hij drukt op den arm van den ouden man,

plots zeer vertrouwelijk. Hij durft nu opzien naar het zwijgend gelaat

van den ouden droomenden man ....

Heel den middag sliep hij. Hij was overmoede, had zich thuis seffens

ontdaan van Oomken, om gauw zijne studeerkamer te bereiken. De roode

gordijnen van het breede venster boven zijne leestafel, deed hij

dicht en de dag, die toch binnendrong, kwam om gansch de kamer een

rozige klaarte leggen. Hij zette zich in een lagen leunstoel en sloot,

al denkend, zijne oogen. Hij dacht over de gebeurtenis na, over de

verleden dagen en over de toekomst. Hij had een gevoel van ontlasting,

die zijne overspannen zenuwen bevrijdde en tevens de moeheid in zijne

leden verduidelijkte. De leelijkste uren waren voorbij, de rest zou

geleidelijk gebeuren. Hij was niet ontevreden over zijne houding sinds

moeder's dood. Ofschoon hij 't niet precies beredeneerde, streek eene

snelle streeling langs zijn geest: hij had zich goed gedragen. Hij

beschouwde 't inderdaad als een rol, dien hij had moeten vervullen. Hij

dierf zijn eigen niet in deze ware klaarte bezien, maar, hoe hij zich

ook beloog met romantische middeltjes, de klaarte schoot door zijne

gedachten. Hij wist dat hij "speelde." Hij veinsde niet, hij huichelde

niet: hij dichtte om bestwil, fantazeerde meegaandelijk, kleedde, naar

den eisch der omstandigheden, zijne minste aandoeningen. Nu, terwijl

hij in eenigheid te denken zat, kon hij zonder uiterlijke ornamenten

aan zijne moeder denken. Hij dacht aan haar met veel liefde; maar hij

verwonderde zich dat zij al zooverre van hem verwijderd was. Binstdat

een grijze vaak op zijne oogen kwam wegen, kon hij nog dit gevoel

ontleden, want werktuigelijk liet hij niets in zijn idee ongemerkt of

onbegrepen voorbijgaan. Hij bekende dat moeder hem al zoo verre scheen.

In der waarheid was moeder dood. Hij had zich dat van den beginne

af aan met redelijkheid opgedrongen, en de zenuwkoorts had hij er

met gevoelsbombast bij gehaald. De hartstochtelijke en plechtige

gevalletjes van de laatste drie dagen waren parasiet-uitslagen van

die zenuwkoorts. Het groote leed lag dieper en de gebeurtenis was

van algemeener aard. Moeder was dood. Het overige was ziekelijk

verzinsel en gestikuleerende romantiek. Iedereen moet eens sterven,

en moeder was gestorven. Daarom had hij er zich van kunnen overtuigen,

dat alles redelijk was toegegaan. Daarom ook docht het hem nu, na al

de vele smarteffekten en zijn verschillig opgewonden bedrijf, na de

vooruit beraamde plechtigheid en, tusschen-in, de kleine opborreling

van zijne waarachtige wroeging, dat het echte ongeval verder reikte

in het verleden en dat de doode zich reeds verwijderd had.

Hij sliep in, langzaam en zacht. Als hij wakker schoot, was de

venstergordijn doffer geworden. De gloed, binnen de kamer, voer

doezelig om, begrauwd met de twijfelachtige schaduw van vespertijd. Hij

schoot wakker met een schok, en seffens herviel hij, rond moeders

afsterven, in gepeinzen. Zijn hoofd werd rustiger. Hij voelde zich

verkeeren op eene plaats van overgang. Het gebeurde was af. De toekomst

zou gebeuren met een versch en ongeraden gelaat.

De sukkelige Ko, stijf in zijn rouwpak, bracht een schotel met

brieven. Terwijl hij weer vertrok en zijn ronden zwarten rug opstak

in het klaardere deurgat, ging Ernest hem na. 't Was of hij denken zou:

--Hoe speelt deze zijn deel in de komedie?

Hij had gelet op het zeer treurende aangezicht van Ko. Ko zag er

oprecht uit, maar het was misschien een simpel teeken dat hij zich

goed uitdrukken kon. Ko werd, reeds vóor twee-en-twintig jaren,

in den dienst van mevrouw Chanteraine aangenomen. Het was niet

onwaarschijnlijk dat de oude kerel zich aan zijne meesteres gewend

had of gehecht. Hoelang zou zijne droefheid duren?

De zilveren schotel stond vóor Ernest, en de witte brieven schervelden

er over elkander. Daar lag weer een stapel uiterlijkheid van

spelende menschen. Daar moest hij doorwoelen en nieuwe gezichten

voorbereiden. Als hij die menschen ontmoette ergens, zou hij weer

maskeren en jagen, in overeenstemming met wat elk van hen geschreven

had. Hij kon zich daarvan niet bevrijden. Het was gek en onmenschelijk,

maar hij wist toch goed dat hij het doen zou. Hij nam enkele brieven,

brak den omslag, keek naar de handteekening of alleen naar het

geschrift, en lei ze op zijde, om later te lezen.

Hij deed zoo met velen. 't Waren brieven van nauwbekenden, korte

woorden van hooge lui of lange plattigheidjes van onderdanen Een

brief was er van Florjan Pacôme, den schilder van bar-meiden. Hij

herinnerde zich ineens dat hij de smalle puntschoenen van Florjan

over de blauwe kerkkareelen had zien ter offerande doorschuiven. De

jongen schreef nu over zijne deelneming in Ernest's verdriet. Ernest

glimlachte even. Hij zag hoe Florjan het briefje had geschreven:

lang en mager, gebogen over een taveernetafel, met zijne fijne spitse

vingeren alle tien op het geurend papiertje en onhandig de pen langs

krulletjes omvoerend. Waarlijk, het briefje geurde. Een gemeene

heliotroopreuk walmde boven de kleine ongelijke letters. Het was, tot

in het uiterste, Florjan's karakter: alles wilde hij fijn en keurig

aanleggen, zooals hij er in zijn kunst geraffineerd-modern wilde

uitzien. Zijne deelneming lag in een slimmen omdraai van gezochte en

gemanierde woorden. Ernest lei het briefje op zijde. Hij peinsde:

--Deze veinst, maar heeft zich blootgemaakt.

Hij kon er geen oogenblik aan denken dat Florjan's medelijden oprecht

was. Florjan was, meende hij, bij uitmuntendheid een huichelaar. Al wat

hij deed, aan schilderkunde of anderszins, was tweeslachtig of droeg,

duidelijk, den stempel van plagiaat. Florjan had een zeer ontwikkeld

assimilatievermogen; maar hij kon het niet, dan op een laag peil en

in vieze bedrijven, gebruiken. Gelijk hij bestond echter, toonde hij

zich. Daar lette Ernest bijzonderlijk op. Florjan was, van éen stuk,

een kortgewiekte bedrieger. Zoo gedroeg hij zich dan toch, op slot

van rekening, als een eenvoudig-recht-handelend man, die nooit hoefde

met zijn eigen in konflikt te treden. Binstdat Ernest mijmerde in

dezen zin, ontsloot hij werktuigelijk de andere brieven. In zijn

geest schoven de menschen voorbij, snel en eenderlijk.

Bij den brief van Rupert Sörge schoot óp zijne aandacht. Hij las

langzaam den korten brief, terwijl hij zich de sierlijke gestalte te

binnen bracht van den nieuwen vriend, welken hij, evenals Simon Peter,

in het atelier van Pacôme had opgedaan. Hij zag Sörge's bleek-ovale

gezicht, met de diep-gloeiende oogen, het zwarte snorretje, de

glanzende favoris, en het evenrondlokkend blauw-zwarte haar. Het trof

hem nu hoe fijn Sörge zich aanstelde in alles, en deze brief insgelijks

was subtiel-sober, gelijk al wat hij deed of gebaarde. Hij had de

weldadige goedheid van Peter, maar ze was fijner-gesnaard en drong,

als met broze draadjes, verder en dieper. Hij was geen kunstenaar. Hij

leefde rijk, zijn leven vullend met zijn eigen. Ernest was seffens

groot vriend met hem geworden, en bekende dat hij een buitengewoon

mensch was. Driemaal herlas hij het briefje. De woorden, daar stille

en ongekunsteld neergelegd, rankten saam tot eene stemming vol echte

en klare gevoeligheid. 't Was alsof hij neerblikte in de pure diepte

van vijvervrede. Het deed hem sterk aan.

Juist klopte Simon Peter en trad binnen. Hij zette zich onder het

breede venster. Zijn zwarte baard somberde weg in de zwaarte van zijn

zwarte frak, maar bleek blonk zijn hoog voorhoofd. Hij zat heel recht,

vroeg zacht:

--Hee-wel! ouwe jongen, gaat ge u wat opknappen?

Zijne handen rustten wit op zijne knieën. Zijne stem klonk als een

zoete troost. Ernest zuchtte eens, keek langzaam op, knikte. Hij voelde

zoo duidelijk dat Simon bevreesd was hem alleen te laten, en dat hij

nu kwam praten om 't naderen van den avondstond te bedekken met gewone

geluiden en gewoon gebaar. Hij was er dankbaar voor en wilde toonen ook

dat hij 't noodig had. Hij wachtte, eer hij sprak. De korte stilte lag

bloot op de wonde, die Simon heelen wilde. Toen zei Ernest dat hij veel

beter was, dat hij geslapen had en zich thans probeerde op te beuren.

--Het zal wel gaan, mijn goede Simon. Ik dank u hartelijk.

--Och ja, troostte Simon, ge moet maar naar voren opblikken. Dat

is heel de zaak. Met dat verdiepen in gedane dingen, dat eenvormig

inwerken in 't verleden, schiet ge niet op. Ge ontzenuwt gansch,

demoralizeert en ontbindt u, wordt een rotte lap. Ik wil u niet den

troost geven van volzinnen, Ernest. Ik vind dat uw leed moet zijn volte

hebben en dan traagzaam kan vergaan. Ik vind het goed alzoo. Het is de

waarheid, die niet kan getroost worden noch verborgen. Maar ik zeg u:

spekuleer niet met het verleden. Kijk voorwaarts.

Ernest knikte ja. Hij zou doen zooals Simon 't aanried. Veel toch

hing van eigen wilskracht af, en hij zou zich in acht nemen. Hij

sprak onwillekeurig van Sörge's brief:

--Daar hebt ge Sörge, zei hij. Hij schrijft dat hij niet troosten wil,

maar zijne vriendschap aanbiedt als een steun. Lees eens zijn brief,

Simon. Hij is vol roerende simpelheid. Het spijt me dat ge niet zoo

erg met Rupert ingenomen zijt als ik.

--Ja toch.... waar haalt ge dat?

--Wees niet overmoedig. Ik zie het best. Als Rupert bij me komt,

wordt ge somber en stilzwijgend. Meent ge dat hij hier eene reeds

bezeten plaats wil innemen? Onzin.

--Ik begrijp u niet, waarlijk niet.

Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven · 第 2 / 35 段